Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12937

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
C/09/470144 KG ZA 14-875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Korte omschrijving: relatieve bevoegdheid op grond van artikel 102 Rv, Nederlands recht toepasselijk op grond van Rome-II Verordening, gelijkheidsvermoeden, onrechtmatig wapperen met intellectuele eigendomsrechten; proceskosten artikel 1019h Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/470144 / KG ZA 14-875

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2014

in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

MOOREAST ASIA PTE LTD.,

gevestigd te Singapore, Singapore,

eiseres,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VRYHOF ANCHORS B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.J. Werner te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Mooreast en Vryhof genoemd worden. De zaak is voor Mooreast inhoudelijk behandeld door mrs. S.A. Klos en S.D. Brommersma, advocaten te Amsterdam, voor Vryhof door mr. J.A.J. Werner voornoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juli 2014;

  • -

    de akte overlegging producties van Mooreast met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de akte overlegging aanvullende productie 12 van Mooreast;

  • -

    de akte overlegging producties van Vryhof met producties 1 tot en met 13;

  • -

    de brief van 18 september 2014 van Vryhof met een kostenspecificatie;

  • -

    de brief van 18 september 2014 van Mooreast met een voorwaardelijke eisvermeerdering met de als productie 13 overgelegde kostenspecificatie;

  • -

    de overgelegde volledige versie van productie 13 van Vryhof;

  • -

    de overgelegde productie 14 van Vryhof;

  • -

    de mondelinge behandeling van 19 september 2014 met de daarbij door de advocaten overgelegde pleitnotities.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is de per brief aangekondigde eisvermeerdering aan de zijde van Mooreast genomen.

1.3.

Het vonnis is ten slotte bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Mooreast en haar rechtsvoorganger Mooreast Pte Ltd. (hierna: Mooreast Pte) zijn reeds meer dan 20 jaar actief op het terrein van productie, marketing en verkoop van ankers, met name bestemd voor gebruik in de zogeheten off-shore industrie. In 2010 heeft Mooreast de activa overgenomen van Mooreast Pte.

2.2.

Vryhof is een onderneming die zich bezighoudt met onder meer het ontwerp en de verkoop van ankers bestemd voor de off-shore industrie.

2.3.

Vryhof brengt sinds 1993 onder meer de ankers van het type “Stevpris Mk5” en “Stevshark Mk5” (hierna: Stevpris en Stevshark) op de markt. Hieronder worden afbeeldingen weergegeven van beide types van de website van Vryhof.

Stevpris Stevshark

2.4.

Tot 31 december 2007 maakten Mooreast Pte en Vryhof onderdeel uit van hetzelfde concern. In 2008 is Mooreast Pte met Vryhof een samenwerkingsovereenkomst aangegaan. Krachtens deze samenwerkingsovereenkomst verleende Vryhof aan Mooreast Pte een exclusief recht om ankers van Vryhof te produceren, verhuren, vermarkten en verkopen in het territoir zoals gedefinieerd in die overeenkomst.

2.5.

Na de activatransactie zijn Mooreast en Vryhof op 28 februari 2012 in een brief het volgende overeengekomen:

“… we hereby agree and confirm our mutual consent that this letter […] validates the existing agreement with Mooreast Pte Ltd for the purpose of Mooreast Asia Pte Ltd as well, until the day that a new agreement between Vryhof Anchors and Mooreast Asia will be signed. […]”

2.6.

Vervolgens hebben partijen met in achtneming van deze afspraak zaken gedaan.

2.7.

Bij brief van 20 oktober 2013 heeft Vryhof de samenwerkingsovereenkomst opgezegd.

2.8.

Mooreast produceert, verhandelt en verhuurt sinds enig moment ankers, welke door haar worden aangeduid als “MA5P” en “MA5S”. Hieronder worden enkele afbeeldingen weergegeven van de door Mooreast aangeboden ankers.

MA5P

MA5S

2.9.

Op 25 oktober 2013 heeft Vryhof een door haar opgestelde brief verspreid met de navolgende inhoud:

2.10.

Mooreast heeft naar aanleiding van de ontdekking dat voormelde brief aan haar klanten was gezonden een kort geding aangespannen tegen Vryhof ten overstaan van de voorzieningenrechter in Rotterdam. In dat kort geding heeft Mooreast onder meer een rectificatie van de brief van 25 oktober 2013 gevorderd wegens de naar stelling van Mooreast daarin gedane onrechtmatige uitingen. In het vonnis van 13 mei 2014 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam de gevraagde voorziening afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Op 10 juni 2014 heeft Mooreast appel ingesteld tegen dit vonnis. Dit appel loopt.

2.11.

Bij dagvaarding van 14 april 2014 heeft Vryhof Mooreast gedagvaard voor the High Court of the republic of Singapore. Vryhof heeft in die procedure gevorderd dat – kortgezegd – Mooreast zal worden veroordeeld tot voldoening van onbetaalde facturen en tot het afleggen van een verklaring dat de ontwerptekeningen van Vryhof zullen worden geretourneerd.

2.12.

Op 20 mei 2014 heeft Vryhof een e-mail gestuurd aan de in Groot-Brittannië gevestigde onderneming Viking Seatech (hierna te noemen: Viking), een klant van Mooreast, met als bijlage een brief van 10 mei 2014 met de volgende inhoud:

2.13.

Hieronder wordt de e-mail van Vryhof aan Viking van 20 mei 2014 weergegeven.

2.14.

Viking heeft Mooreast ingelicht over de van Vryhof ontvangen e-mail en brief. Op voorwaarde dat Mooreast haar een vrijwaring (“indemnity”) zou geven, heeft Viking haar order bij Mooreast gehandhaafd. In een e-mail van de commercieel directeur van Viking van 30 juni 2014 aan de statutair directeur van Mooreast staat dienaangaande het volgende:

“…Viking were very concerned about the threat of causing disruption to our ability to deliver to our clients if we were to order from Mooreast. We therefore requested the wide reaching and full indemnity which Mooreast gave us. Without this surety, we would not have ordered from you.”

2.15.

Mooreast heeft Vryhof gesommeerd de brief van 10 mei 2014 te rectificeren. Aan deze sommatie heeft Vryhof geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

Mooreast vordert – samengevat – na eisvermeerdering dat de voorzieningenrechter Vryhof bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, beveelt te staken en gestaakt te houden het doen van mededelingen inhoudende of met de strekking dat Mooreast door productie en/of verhandeling van de ankers van Mooreast inbreuk maakt op enig intellectueel eigendomsrecht van Vryhof, alsmede dat de voorzieningenrechter Vryhof beveelt opgave te doen van de namen en adressen van de (rechts)personen die de brief hebben ontvangen, aan hen een brief te zenden waarin de voormelde mededelingen worden gerectificeerd, alsook om deze rectificatie te doen publiceren in twee vakbladen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom met veroordeling van Vryhof in de kosten van het geding, voorwaardelijk - voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat dit artikel op het onderhavige geschil van toepassing is - conform artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

3.2.

Mooreast legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Vryhof in de brief van 10 mei 2014 (hierna: de brief) ten onrechte stelt te beschikken over intellectuele eigendomsrechten op de Stevpris en Stevshark ankers en Mooreast ten onrechte beschuldigt van inbreukmakende producten. De mededeling dat Mooreast inbreuk maakt op beweerdelijke rechten ondermijnt de commerciële activiteiten van Mooreast en maakt klanten afkerig van haar. Mooreast stelt hierdoor schade te lijden en dreigt verdere schade te zullen lijden.

3.3.

Vryhof voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

De internationale bevoegdheid van de voorzieningenrechter om van de vorderingen kennis te nemen berust op artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszake (hierna: EEX-Vo), nu Vryhof is gevestigd in Nederland. Daarmee bestaat tevens bevoegdheid voor de voorzieningenrechter om voorlopige maatregelen te treffen, ook voor zover deze grensoverschrijdend zijn.

4.2.

Vryhof betwist terecht dat de voorzieningenrechter relatief bevoegd is op grond van artikel 80 Rijksoctrooiwet (hierna: ROW) zoals Mooreast stelt, omdat geen sprake is van vorderingen als in dat artikel bedoeld. Anders dan Vryhof meent, is de voorzieningenrechter evenwel relatief bevoegd om van het geschil kennis te nemen op grond van artikel 102 Rv om de navolgende redenen.

4.3.

Mooreast stelt dat Vryhof haar klant Viking heeft gedreigd om diens opdrachtgever Shell ook de brief te sturen en dat als Shell de brief ontvangt dit tot gevolg zal dan wel kan hebben dat Shell orders annuleert dan wel niet langer (indirect) zaken wenst te doen met Mooreast. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij verwezen naar zowel de brief (hiervoor opgenomen onder 2.12) waarin staat: “(…) we reserve the right to inform the appropriate end-users including the major oil & gas companies (…)”, als naar de e-mail die Vryhof aan Viking heeft gezonden (hiervoor opgenomen in 2.13), waarin staat: “(…) we intend to raise this same issue with the Shell legal department (…)”. Daarmee is naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk dat Vryhof mogelijk (de legal department van) Shell, waarvan onweersproken is gesteld dat deze is gevestigd in Rijswijk, gelegen in het arrondissement Den Haag de brief heeft gestuurd of zal sturen. Het verweer van Vryhof dat in de e-mail aan Viking een plaatselijk kantoor van Shell in de Filipijnen wordt bedoeld, wordt gelet op het bovenstaande gepasseerd. Gelet hierop doet het schade brengende feit zich (mede) voor, althans dreigt het zich voor te doen, in het arrondissement Den Haag, zodat de relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter op grond van artikel 102 Rv is gegeven.

Spoedeisend belang

4.4.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft Mooreast spoedeisend belang bij haar vorderingen. Tussen de datum van de brief en de mondelinge behandeling in dit kort geding op 19 september 2014 is zoals Vryhof terecht heeft opgemerkt enige tijd verstreken. Die omstandigheid rechtvaardigt evenwel niet de conclusie dat Mooreast niet voortvarend heeft gehandeld. Mooreast heeft onweersproken gesteld dat zij Vryhof heeft gesommeerd kort nadat zij kennis heeft genomen van de brief. Dat de mondelinge behandeling mede gelet op de verhinderingen van Vryhof en een verplaatsing van de zitting door de rechtbank niet eerder heeft plaatsgevonden zoals Mooreast aanvoert, heeft Vryhof onvoldoende weersproken. Mooreast heeft ook op dit moment nog spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorzieningen. Ter zitting heeft mr. Werner bevestigd dat niet kan worden uitgesloten dat Vryhof indien zij dat nodig acht wederom een vergelijkbare brief zal verzenden, zodat herhaling van het gestelde onrechtmatige handelen dreigt.

Toepasselijk recht

4.5.

Mooreast heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederlands recht van toepassing is op het onderhavige geschil, doch dat ook als Singaporees recht van toepassing is sprake is van onrechtmatig handelen door Vryhof zoals volgt uit de door haar als productie 12 overgelegde legal opinion. Vryhof stelt zich op het standpunt dat Singaporees recht van toepassing is en heeft, onder verwijzing naar een door haar als productie 13 overgelegde legal opinion beargumenteerd dat naar Singaporees recht de brief van Vryhof niet onrechtmatig is en overigens gesteld dat deze ook naar Nederlands recht niet onrechtmatig is.

4.6.

Op grond van artikel 6 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II Vo) is in het geval dat een daad van oneerlijke concurrentie uitsluitend de belangen van een bepaalde concurrent schaadt, zoals in dit geval de belangen van Mooreast, artikel 4 van toepassing. In artikel 4 lid 1 Rome II Vo staat – kortgezegd – dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 ten aanzien van de relatieve bevoegdheid is overwogen, is Nederland het land waar schade zich voordoet, althans dreigt schade zich in Nederland voor te doen. Zodoende is voorshands oordelend Nederlands recht van toepassing.

Onrechtmatig ‘wapperen’

4.7.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het versturen van sommatie- of waarschuwingsbrieven onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn jegens concurrenten in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, als degene die zich daarin op een intellectueel eigendomsrecht beroept dat – naar achteraf blijkt – ten onrechte doet en weet, dan wel dient te beseffen dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat zijn recht geen stand zal houden of dat geen sprake is van inbreuk. De rechthebbende handelt dan immers tegen beter (hebben moeten) weten in, hetgeen onzorgvuldig is. Of hiervan sprake is, moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.1

4.8.

Mooreast stelt zich op het standpunt dat Vryhof in de brief ten onrechte mededeelt dan wel suggereert dat zij intellectuele eigendomsrechten op haar Stevpris en Stevshark ankers heeft en dat Mooreast met de ankers die zij verkoopt inbreuk maakt op die rechten.

4.9.

Vryhof betwist allereerst dat zij zich in de brief op enig intellectueel eigendomsrecht beroept en (dus) ook dat zij stelt dat Mooreast daarop inbreuk maakt.

4.10.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Hoewel, zoals Vryhof terecht heeft aangevoerd, in de brief niet letterlijk staat dat Vryhof beschikt over enig intellectueel eigendomsrecht ten aanzien van de Stevpris en Stevshark ankers, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de mededelingen in de brief wel deze strekking hebben. De ontvanger van de brief wordt immers geïnformeerd dat Mooreast ankers heeft aangeboden en verkocht die wellicht lijken op de authentieke ontwerpen van de Stevpris en Stevshark ankers, maar niet zijn gebouwd conform de tekeningen, regels, restricties en krachtberekeningen die Vryhof daarvoor heeft vastgesteld. Het gebruik van woorden als ‘genuine designs’, lookalike anchors’, ‘IP-related disputes’, ‘non-original equipment’ zijn medebepalend bij het wekken van die indruk.

4.11.

Die indruk wordt versterkt door de mededeling dat Vryhof met succes juridische stappen heeft ondernomen jegens bedrijven die claimen dat zij gerechtigd zouden zijn om kopieën van de authentieke Vryhof ontwerpen aan te bieden, te verkopen of te produceren. Mooreast heeft onweersproken gesteld dat de als annex 6 bij productie 13 van Vryhof overgelegde mediation overeenkomst de enige onderbouwing vormt voor de stelling van Vryhof dat zij succesvol is geweest in juridische acties jegens – kortgezegd – bedrijven die kopieën aanbieden. Uit de overgelegde mediation overeenkomst blijkt dat deze is aangegaan tussen een vennootschap genaamd Stevlos B.V. enerzijds en twee Chinese bedrijven anderzijds en dat de overeenkomst ziet op een geschil ten aanzien van een anker van Vryhof van het type “Mk6”. De brief heeft echter, zo blijkt al uit de aanhef, betrekking op “non-original Stevpris/Stevshark type anchors”, of te wel ankers met als typenummer Mk5. Mooreast voert dan ook terecht aan dat de mediation overeenkomst geen onderbouwing kan vormen van de juistheid van de mededeling met de strekking dat Vryhof reeds met succes juridische stappen zou hebben ondernomen jegens derden die kopieën van de Stevpris en Stevshark ankers van Vryhof verhandelen. Vryhof heeft de juistheid van die mededeling niet anderszins onderbouwd. Ook de juistheid van de daarop volgende zin in de brief, die luidt dat in sommige gevallen beslag onder derden is gelegd, is door Mooreast betwist en door Vryhof niet onderbouwd hoewel dit – nu het haar eigen uiting betreft – wel op haar weg had gelegen.

4.12.

Vryhof heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hoewel zij geen intellectuele eigendomsrechten inroept in de brief, dit niet uitsluit dat zij wel over intellectuele eigendomsrechten beschikt. Ter zitting heeft Vryhof desgevraagd nader verklaard dat zij geen octrooirechten heeft maar mogelijk wel auteursrecht of een niet-geregistreerd Gemeenschapsmodelrecht zou kunnen inroepen ten aanzien van de Stevpris en Stevshark ankers. Vryhof heeft deze stelling echter op geen enkele manier onderbouwd terwijl dit wel op haar weg had gelegen, temeer nu Mooreast al herhaaldelijk aan Vryhof heeft gevraagd over welke intellectuele eigendomsrechten Vryhof dan zou beschikken. De stelling dat Vryhof mogelijk wel over intellectuele eigendomsrechten beschikt, wordt dan ook als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Zodoende gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat Vryhof niet over enig intellectueel eigendomsrecht op genoemde ankers beschikt.

4.13.

De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van Vryhof dat zij in de brief slechts duidelijk maakt dat de samenwerkingsovereenkomst tussen Vryhof en Mooreast is geëindigd en dat Mooreast dan ook niet langer ankers afkomstig van Vryhof kan leveren en ook niet langer gerechtigd is ankers te produceren en te leveren op basis van ontwerptekeningen van Vryhof. Dit staat niet met zoveel woorden in de brief en is, zoals hiervoor overwogen, ook niet de strekking van de brief. Dat Mooreast op een andere grond niet gerechtigd zou zijn ankers met een uiterlijk dat overeenstemt met de Stevpris respectievelijk de Stevshark ankers op de markt te brengen, is door Vryhof niet gesteld. Mooreast heeft overigens betwist voor haar ankers gebruik te maken van ontwerptekeningen en specificaties van Vryhof.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is dat de door Vryhof gedane mededelingen in de brief onjuist zijn en dat Vryhof dit wist of behoorde te weten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ook voldoende aannemelijk dat Mooreast schade heeft geleden dan wel dreigt te lijden als gevolg van de mededeling van Vryhof. De boodschap dat Mooreast inbreuk maakt op intellectuele eigendomsrechten wordt in de brief nog aangevuld met de mededeling dat Vryhof juridische maatregelen zal treffen indien nodig waaronder het leggen van beslag op ankers bij derden en dat zij zich het recht voorbehoudt om eindgebruikers waaronder ‘the major oil & gas companies’ te informeren. Het is aannemelijk dat klanten van Mooreast afkerig worden van het doen van zaken met Mooreast om te vermijden dat zij direct dan wel indirect betrokken raken bij juridische procedures. Of Mooreast schade bestaande uit winstderving heeft geleden als gevolg van het verstrekken aan Viking van een vrijwaring terwijl de order niet is geannuleerd, waarover partijen van mening verschillen, kan in het midden blijven. Van belang is dat Viking inderdaad als gevolg van de brief om de vrijwaring heeft verzocht. Het is voldoende aannemelijk dat ontvangers van de brief zouden kunnen besluiten geen producten (meer) bij Mooreast te bestellen of een order te annuleren. Dat Mooreast hierdoor schade zal lijden heeft Vryhof niet betwist.

4.15.

De voorzieningenrecht komt dan ook tot de voorlopige conclusie dat Vryhof onzorgvuldig en aldus onrechtmatig jegens Mooreast heeft gehandeld.

4.16.

De brief is voorshands oordelend overigens ook naar Singaporees recht aan te merken als onrechtmatig. Partijen zijn het gelet op de inhoud van beide legal opinions, hetgeen zij desgevraagd ter zitting hebben bevestigd, met elkaar eens dat naar Singaporees recht sprake is van onrechtmatig handelen (tort) als is voldaan aan de volgende drie elementen: (i) gedaagde heeft een onjuiste mededeling (false statement) gepubliceerd c.q. gedaan, (ii) deze mededeling is in het besef van de onjuistheid ervan (maliciously) gedaan, en (iii) eiseres heeft daadwerkelijk schade (actual damage) geleden als gevolg van de mededeling.

4.17.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de strekking van de brief en het voorlopig oordeel dat Vryhof niet over enig intellectueel eigendomsrecht beschikt, hetgeen zij zich bewust is, is aan de eerste twee vereisten voldaan. Ook aan de derde voorwaarde is voldaan. Hiervoor heeft de voorzieningenrechter reeds overwogen dat aannemelijk is dat Mooreast schade lijdt of dreigt te lijden als gevolg van de mededelingen in de brief. Dat naar Singaporees recht schade dient te worden bewezen doet aan dat oordeel niet af omdat ook als Singaporees recht van toepassing is, in kort geding het Nederlandse procesrecht geldt en ‘aannemelijk’ in dat verband voldoende is. Gelet hierop is ook voldaan aan de vereisten van tort naar Singaporees recht.

4.18.

Voor het geval als gevolg van de brief ook een schadebrengend feit dreigt buiten Nederland waarop mogelijk het recht van een ander land van toepassing is, waarvoor overigens vooralsnog geen concrete aanwijzingen zijn, wordt in rechte voorshands vermoed dat het buitenlandse recht niet wezenlijk afwijkt van het toepasselijke Nederlands recht (dan wel het Singaporese recht). Het tegendeel is door Vryhof niet aannemelijk gemaakt.

4.19.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Mooreast toewijsbaar zijn op de wijze als hierna zal worden bepaald.

Vorderingen

4.20.

De vordering sub 1 om Vryhof te bevelen te staken en gestaakt te houden mededelingen te doen met de strekking dat Mooreast – kortgezegd – inbreuk maakt op enig intellectueel eigendomsrecht van Vryhof zal worden toegewezen zoals in het dictum bepaald. Daarbij zal worden gespecificeerd dat het gaat om mededelingen betreffende de Stevpris en Stevshark ankers nu de mededelingen in de brief op die types zien.

4.21.

De nevenvordering sub 3 tot rectificatie van de brief zal ook worden toegewezen. Mooreast heeft ook bij die vordering voldoende spoedeisend belang nu de rectificatie dient om verdere schade als gevolg van de brief te voorkomen. De rectificatie dient te worden gestuurd aan de natuurlijke of rechtspersonen van wie de namen uit de eveneens toe te wijzen opgave zullen volgen. De sub 4 gevorderde rectificatie in twee internationale vakbladen wordt afgewezen. Voorshands oordelend valt niet in te zien welk belang Mooreast hierbij heeft naast de toe te wijzen rectificatie aan de ontvangers van de brief.

4.22.

De nevenvordering sub 2 tot opgave van – kortgezegd – namen van (rechts)personen aan wie de brief verzonden is, zal eveneens worden toegewezen. Ook bij die vordering heeft Mooreast spoedeisend belang. Vryhof stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat zij de brief uitsluitend aan Viking had gestuurd. Vervolgens gaf zij aan de brief op 10 mei 2014 aan de heer [A] van de onderneming InterMoor te hebben gezonden en daarna pas aan Viking maar niet aan anderen. Mooreast betwist dat de brief slechts aan deze twee partijen is gestuurd. Andere geadresseerden zijn haar weliswaar niet bekend maar zij kan dit om commerciële redenen niet verifiëren bij haar klanten. De aanhef van de brief: “To Whom It May Concern” duidt er evenwel op dat het gaat om een brief die aan meerdere partijen is verzonden, zo stelt Mooreast. De stelling van Vryhof dat die aanhef is gebruikt omdat zij niet wist wie bij InterMoor de aangewezen persoon was om de brief in behandeling te nemen, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk en is niet onderbouwd. De voorzieningenrechter is met Mooreast voorshands van oordeel dat niet vast staat dat de brief slechts aan InterMoor en Viking is gestuurd. Zodoende is er aanleiding voor een opgave van geadresseerden. Die opgave stelt Mooreast in de gelegenheid te verifiëren dat de rectificatie aan alle ontvangers van de brief is verzonden. De opgave dient te worden voorzien van een door Vryhof te bekostigen verklaring van een accountant (RA of AA) waaruit blijkt dat hij de opgave heeft geverifieerd aan de hand van de administratie van Vryhof en dat, voorzover verifieerbaar, de opgave strookt met de gegevens uit die administratie en dat, voorzover verificatie niet volledig mogelijk is, hij geen aanwijzingen heeft dat de opgave geen getrouwe weergave van de werkelijkheid omtrent de te verstrekken gegevens zou inhouden.

4.23.

De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum bepaald.

4.24.

Tot slot heeft Vryhof verzocht een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat voor een uitvoerbaar bij voorraadverklaring gelet op de inmiddels verstreken tijd sinds het verzenden van de brief geen redelijk belang meer is, zoals Vryhof aanvoert, ziet de voorzieningenrechter niet. Zodoende zal de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring worden toegewezen.

Proceskosten

4.25.

Vryhof zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Mooreast vordert voorwaardelijk, voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel zou zijn dat artikel 1019h Rv van toepassing is, haar werkelijke kosten conform artikel 1019h Rv en heeft daartoe een kostenspecificatie overgelegd. Zij stelt zich echter primair op het standpunt dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is. Vryhof heeft harerzijds ook kosten ex artikel 1019h Rv gevorderd.

4.26.

In het onderhavige geschil is aan de orde een vordering tot het doen van staken van onrechtmatige mededelingen, gevorderd op grond van de stelling dat de wederpartij ten onrechte intellectuele eigendomsrechten en een inbreuk daarop in stelling brengt. Zoals hiervoor overwogen, is gelet op de inhoud van de brief sprake van een concrete dreiging van handhaving van rechten van intellectuele eigendom. Het gevorderde wapperverbod kan dan ook aangemerkt worden als een vooruitgeschoven inbreukverweer in de zin van het arrest Danisco – Novozymes.2Mooreast heeft ook onweersproken aangevoerd dat zij onderzoek heeft verricht naar het bestaan van de pretense rechten en Vryhof heeft verzocht om opheldering op welke rechten zij zich in de brief beroept. Een proceskostenveroordeling begroot op de voet van artikel 1019h Rv is derhalve toewijsbaar.

4.27.

De advocaten van Mooreast hebben een proceskostenspecificatie overgelegd. De gemaakte kosten belopen voor mr. Klos en mr. Brommersma gezamenlijk een bedrag van € 31.450,85 excl. BTW. Vryhof heeft die kosten betwist met de stelling dat deze onredelijk hoog zijn gelet op het feit dat Mooreast een advocaat gespecialiseerd in het intellectuele eigendomsrecht heeft ingeschakeld, die een uurtarief hanteert waarbij ervan mag worden uitgegaan dat hij niet veel voorbereidingstijd nodig heeft voor een zaak als de onderhavige en de kosten van een tweede advocaat niet als redelijk en evenredig aangemerkt kunnen worden. Vryhof betwist derhalve de redelijkheid van de dubbele kosten die gerekend zijn. Mooreast heeft de dubbele kosten weliswaar betwist maar heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat beide advocaten voor vergelijkbare werkzaamheden tijd hebben geschreven. De toe te wijzen kosten zullen worden beperkt tot het in de indicatietarieven in IE-zaken vermelde bedrag voor een kort geding in de categorie ‘overig’ van € 15.000,- voor werkzaamheden van de advocaat, te vermeerderen met het griffierecht van € 608,- en de explootkosten van € 77,52 derhalve tot een bedrag van in totaal € 15.685,52.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt Vryhof om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het doen van mededelingen aan derden met de strekking dat Mooreast door de productie en/of verhandeling van haar ankers inbreuk maakt op enig intellectueel eigendomsrecht van Vryhof op ankers van het type Stevpris en/of Stevshark;

5.2.

veroordeelt Vryhof een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor iedere

natuurlijke of rechtspersoon ten aanzien waarvan, of, zulks ter keuze van Mooreast, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat, Vryhof in strijd handelt met het onder 5.1 gegeven bevel, met een maximum van € 250.000,-;

5.3.

beveelt Vryhof om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaten van Mooreast schriftelijk en voorzien van een verklaring door een accountant als nader omschreven in overweging 4.22, een met bescheiden gestaafde opgave te verstrekken van alle namen en adressen van de natuurlijke en/of rechtspersonen aan wie Vryhof een brief met de inhoud zoals geciteerd in 2.12 van dit vonnis heeft verzonden (al dan niet als bijlage bij een e-mail),vergezeld van kopieën van de desbetreffende exemplaren van de brief;

5.4.

beveelt Vryhof om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan alle natuurlijke en/of rechtspersonen aan wie een brief met de inhoud zoals geciteerd in 2.12 van dit vonnis is verzonden (al dan niet als bijlage bij een e-mail), een rectificatie te zenden op briefpapier van Vryhof met de volgende inhoud zonder enige toevoeging of weglating:

“Dear Sirs,

On or around May 10 2014 we have sent you a letter suggesting that Mooreast Asia Pte Ltd. has manufactured and sold anchors that are similar to the Stevpris and Stevshark Vryhof anchors and that by doing so Mooreast has infringed upon intellectual property rights owned by Vryhof.

In a preliminary judgment rendered on October 3 2014, the District Court of The Hague has determined that Vryhof has not shown to have any intellectual property rights as regards its Stevpris or Stevshark anchors. Therefore the Court concluded that the content of our letter that suggested an infringement by Mooreast of such rights was incorrect and constituted an unlawful act vis-à-vis Mooreast.

Yours sincerely,

On behalf of Vryhof Anchors B.V.

[name of CEO of Vryhof]”

5.5.

veroordeelt Vryhof een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere natuurlijke of rechtspersoon ten aanzien waarvan of, zulks ter keuze van Mooreast, iedere dag of gedeelte daarvan dat, Vryhof in strijd handelt met een in5.3 en/of 5.4 gegeven bevel, met een maximum van € 250.000,-;

5.6.

veroordeelt Vryhof in de proceskosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde

van Mooreast begroot op € 15.685,52;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.M. Loos en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2014.

1 Hoge Raad 29 september 2006, NJ 2008, 120; LJN AU6098 (CFS Bakel / Stork en de conclusie van A-G Huydecoper bij dat arrest. Vgl ook Hoge Raad 13 maart 1941, NJ 1941,660 en 25 mei 1951, NJ 1951,541 waaruit volgt dat het in de concurrentiestrijd doen van een mededeling die onjuist is en geschikt is om klanten afkerig te maken van het product van de concurrent aan te merken is als ongeoorloofde mededinging en derhalve onrechtmatig.

2 Gerechtshof Den Haag 26 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ1902 (Danisco-Novozymes).