Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1288

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
09/842432-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor overval Delftse juwelier

De rechtbank Den Haag heeft vier mannen veroordeeld voor een overval op een juwelier in Delft op 23 juli 2013. Drie van hen krijgen 24 maanden gevangenisstraf, de ander krijgt 27 maanden omdat hij in het bezit was van een vuurwapen.

Op dinsdagochtend 23 juli 2013 zijn twee van de daders met bivakmutsen op de winkel in gerend. Een van hen hield daarbij een medewerker vast, terwijl de ander vitrines insloeg en leeghaalde. Een derde dader bleef in de deuropening op de uitkijk staan. De vierde medepleger was bestuurder van de vluchtauto. Bij de overval zijn sieraden buitgemaakt ter waarde van 134.200 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842432-13

Datum uitspraak: 4 februari 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte][verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 30 oktober 2013 en 21 januari 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.Th. Offreins, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2013 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden (ter waarde van 134.200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- voorzien van een hamer en/of met bivakmutsen over het hoofd betreden van die juwelier en/of

- snel op die [slachtoffer 3] aflopen en/of die [slachtoffer 3] (vervolgens) vastpakken bij de schouder en/of bij de mond, althans het gezicht en/of

- ( vervolgens) inslaan van een of meer vitrines met een hamer en/of hard voorwerp;

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2013 te Delft, althans in Nederland te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een vuurwapen van categorie III, te weten een gasrevolver (kaliber .22), voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De volgende feiten hebben ter zitting niet ter discussie gestaan en worden door de rechtbank vastgesteld.

Op dinsdagochtend 23 juli 2013 omstreeks 10:00 uur heeft er een overval plaatsgevonden op [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres 2] te Delft.1 Tijdens de overval zijn twee daders met bivakmutsen op de winkel in gerend, van wie er één een medewerker, [slachtoffer 3], heeft vastgepakt bij de schouder en mond/gezicht en hem heeft gezegd: ‘Stil blijven’. De andere dader heeft enkele vitrines met daarin de duurste sieraden ingeslagen en leeggehaald.2 Een derde dader is in de deuropening blijven staan.3 Bij de overval is een hoeveelheid sieraden weggenomen ter waarde van 134.200 euro.4

Kort na de eerste melding van de overval is door een getuige aan de politie doorgegeven dat hij in het centrum van Delft drie mannen had zien rennen die bivakmutsen droegen en gele veiligheidshesjes en dat die mannen in een grijze stationwagon zijn gestapt met het kenteken [kenteken].5 Deze getuige, naar later bleek [getuige], heeft verder verklaard dat die mannen vanaf de [adres 3] op hem af kwamen rennen6 en dat de stationwagon wegreed nadat de mannen waren ingestapt.7

Voornoemd kenteken is vervolgens doorgegeven aan surveillance-eenheden.8 Na een achtervolging is een grijze auto van het merk Renault, type Megane, met het kenteken [kenteken] rond 10.19 uur klemgereden op de [adres 4] in Delft.9 De vier inzittenden van de auto, te weten verdachte10, [medeverdachte 1]11, [medeverdachte 2]12 en [medeverdachte 3]13 zijn vervolgens op 23 juli 2013 om 10:25 uur aangehouden.

In de kofferbak van de Renault Megane is een gele Ikea-tas gevonden, waarin zich vele sieraden en ook glasscherven bevonden. Bij de linker achterbank zijn in een plastic tas glasscherven en een hamer aangetroffen. In het hoofdvak van een blauwe rugzak, eveneens bij de achterbank aangetroffen, zijn twee gele hesjes, een donkere bivakmuts, twee paar handschoenen en sieraden gevonden. Voor de bijrijdersstoel is een zwarte bivakmuts aangetroffen en een plastic tas met daarin een grijze sweater, een geelgroen fluorescerend hesje en een wapen.14

De vraag die de rechtbank in het kader van de tenlastelegging dient te beantwoorden, is of verdachte als medepleger betrokken is geweest bij voornoemde overval (feit 1). Ook zal de rechtbank de vraag dienen te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van de gasrevolver die in de Renault Megane is aangetroffen (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld (feit 1) en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen aan het voorhanden hebben van de gasrevolver (feit 2). 

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte één van de overvallers is geweest. Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de overval. Hij heeft ter terechtzitting van 21 januari 2014 verklaard dat hij weliswaar inderdaad in Amsterdam in de grijze Renault is gestapt maar dat hij niet is meegereden naar Delft, doch is afgezet bij het station Hollands Spoor in Den Haag, omdat hij daar een afspraak had met iemand die hem nog geld schuldig was. Hij heeft verder verklaard dat hij toen degene met wie hij een afspraak had niet kwam opdagen, met de tram naar Delft Zuid, in de nabijheid van het Reinier de Graaf Ziekenhuis, is gegaan. Daar is hij vervolgens weer ingestapt in de Renault - voorin op de bijrijdersstoel - en korte tijd daarna is hij aangehouden met de overige inzittenden. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde feit.

Verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van het hem onder 2 ten laste gelegde feit. In het dossier is geen bewijs aanwezig waaruit kan worden afgeleid dat hij het wapen, dat is aangetroffen in de auto, (tezamen met anderen) voorhanden heeft gehad of dat hij zelfs maar de wetenschap heeft gehad dat er een wapen in de auto aanwezig was.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

alternatief scenario

De rechtbank stelt vast dat het door verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario op geen enkele wijze in het dossier wordt ondersteund. Het is zelfs in tegenspraak met in het dossier aanwezig bewijsmateriaal. Verdachte heeft bijvoorbeeld verklaard dat er vijf mannen in de auto zaten, onder wie hijzelf, toen zij uit Amsterdam vertrokken. Uit de verklaring van verdachte [medeverdachte 2]15 blijkt echter dat er vier personen in de auto zaten toen ze vertrokken. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte [medeverdachte 3]16 die eveneens heeft gesteld dat zij met zijn vieren waren die dag, inclusief hijzelf. Geen van de andere inzittenden heeft verklaard dat ze eerst naar Den Haag zijn gereden of dat er iemand is uitgestapt voordat zij in Delft aankwamen en evenmin dat na de overval iemand in Delft Zuid is ingestapt. Het is ook onbegrijpelijk dat verdachte, als hij inderdaad niet bij de overval was betrokken, pas ter terechtzitting van 21 januari 2014 met dit scenario is gekomen, terwijl hij toen al ruim zes maanden gedetineerd zat. Als hij hierover eerder had verklaard, had zijn verhaal immers geverifieerd kunnen worden, aangezien er, zoals iedereen weet, cameratoezicht is op en nabij stations, zoals Hollands Spoor, en in trams. Om die beelden is echter niet verzocht en verdachte heeft voor het late tijdstip waarop hij met zijn toelichting kwam ook geen logische verklaring kunnen geven.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig ter zijde moet worden gesteld, nu deze op geen enkele wijze is onderbouwd en bovendien niet valt te rijmen met ander in het in het dossier aanwezig bewijsmateriaal.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte, zonder dat hij daarvoor een aannemelijke verklaring heeft, ongeveer een kwartier na de overval is aangehouden in de auto waarin de buit van die overval zich bevond.

verklaringen afgelegd door verdachte [medeverdachte 2]

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] buiten beschouwing moeten worden gelaten voor het bewijs voor zover deze verklaringen belastend zijn voor verdachte, ten eerste omdat [medeverdachte 2], als verdachte, niet verplicht is om de waarheid te spreken en ten tweede omdat [medeverdachte 2] heeft verklaard over goede dossierkennis te beschikken, en daarom niet meer vast te stellen is of [medeverdachte 2] uit eigen waarneming heeft verklaard.

De rechtbank passeert dit betoog, nu de verklaring van [medeverdachte 2] op meerdere belangrijke punten wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals getuigenverklaringen, de verklaring van verdachte [medeverdachte 3] en camerabeelden. Die laatste zijn in elk geval objectief.

rol verdachte bij overval

Uit de verklaring van verdachte [medeverdachte 2]17 blijkt, dat hij samen met drie jongens van Amsterdam naar Delft is gereden. Tevens volgt uit zijn verklaring dat verdachte [medeverdachte 3] de chauffeur was, dat verdachte [verdachte] (die hij omschreef als een grote, donkere jongen) op de bijrijdersstoel zat en dat verdachte [medeverdachte 1] (volgens [medeverdachte 2] een donkere jongen met vlechtjes in zijn haar) rechts achterin naast [medeverdachte 2] zat18. In Delft is [medeverdachte 2], blijkens zijn verklaring, samen met verdachte en [medeverdachte 1] uitgestapt en zijn zij met zijn drieën naar de juwelier gelopen. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte [medeverdachte 3]19, inhoudende dat hij in de auto op de anderen is blijven wachten.

Volgens [medeverdachte 2] is hij in de deuropening van de juwelier blijven staan en zijn zijn metgezellen naar binnen gegaan20. Deze verklaring wordt ondersteund door de camerabeelden, waarop is te zien dat de man in de deuropening een lichte/blanke huidskleur had21. Blijkens de foto’s die zich van de verdachten in het dossier bevinden, geldt dit wel voor verdachte [medeverdachte 2], maar niet voor [medeverdachte 1] en [verdachte]22.

Op de afdrukken van de camerabeelden van de overval is te zien dat een medewerker van de juwelier in bedwang werd gehouden door een man die een bivakmuts, een geel hesje en een kledingstuk met grijze lange mouwen droeg.23 Het uiterlijk van deze persoon vertoont op diverse punten overeenkomsten met dat van verdachte. Ten eerste hebben verbalisanten geconstateerd dat de schoenen van deze persoon qua kleur en vorm overeenkomen met de schoenen die bij verdachte in beslag zijn genomen.24 Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het postuur van de man met de grijze mouwen en zijn huidskleur overeenkomen met het postuur en de huidskleur van verdachte.25 Voorts is voor de bijrijdersstoel, waar verdachte naar eigen zeggen heeft gezeten26, een bivakmuts aangetroffen en een tas waarin een grijze sweater zat, waarvan de mouwen binnenstebuiten waren gekeerd, alsmede een geel hesje.27 De rechtbank stelt vast dat deze kledingstukken passen bij het signalement van voornoemde overvaller. Zij stelt met de raadsman vast dat de verbalisant die de camerabeelden beschreef, heeft vermeld dat op de rug van het hesje van deze dader een opdruk te zien was. Op foto 8 is inderdaad iets zwarts op de rug van dit hesje te zien, maar dit past bij het gat dat bovenin dit hesje zit28.

Tot slot blijkt uit een schoensporenonderzoek29 dat het schoenprofiel van de bij medeverdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen schoenen overeenkomt met een gevonden schoenspoorafdruk op de glasscherven bij de ingeslagen vitrines, waaruit de conclusie getrokken kan worden dat [medeverdachte 1] de persoon is geweest die de vitrines heeft ingeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat elk voornoemd bewijsmiddel op zich niet voldoende is om te kunnen concluderen dat verdachte de overvaller met de grijze mouwen is geweest. Voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leveren echter wel ruim voldoende bewijs op voor de conclusie dat verdachte de man is geweest die [slachtoffer 3] in bedwang heeft gehouden tijdens de overval door hem vast te pakken bij zijn schouder en gezicht/mond.

medeplegen

Met betrekking tot de vraag of de rol van verdachte is aan te merken als die van medepleger, overweegt de rechtbank het volgende. Medeplegen vereist nauwe en bewuste samenwerking. De intensieve samenwerking kan blijken uit uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan.

Planning overval

Uit de wijze waarop de overval is uitgevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat daaraan een plan met een duidelijke rolverdeling ten grondslag heeft gelegen. Op camerabeelden van de [winkel]30 gelegen aan de [adres 4] te Delft is te zien dat de feitelijke daders voor de overval – waarschijnlijk omdat er klanten in de winkel aanwezig waren – even in de buurt rondhingen. Zij droegen toen alle drie opvallende, fluorescerende hesjes. Verdachte [medeverdachte 2] heeft hierover verklaard, dat hem is gezegd dat ze dan niet zo opvielen31. Hij heeft ook verklaard, dat hij een baksteen mee moest nemen om de deur mee open te kunnen houden. Uit de verklaring van [slachtoffer 3]32 en de camerabeelden van juwelier [slachtoffer 1]33 blijkt, dat er tijdens het plegen van de overval niet is overlegd en geen orders zijn gegeven behalve ‘countdown’; ieder wist kennelijk wat er van hem werd verwacht. De overvallers die de zaak binnen gingen, droegen bivakmutsen en handschoenen en waren voorzien van een hamer en een tas. Verder valt het op, dat de dader met de hamer zonder aarzelen op de vitrines met de duurste sieraden afliep.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat er kennelijk voorbereidingen zijn getroffen voor de overval waaronder vooroverleg en dat alle verdachten een significante bijdrage hebben geleverd aan de overval, waarbij tussen hen sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking.

Naar het oordeel van de rechtbank waren deze handelingen van verdachte en de andere verdachten in onderling verband en samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het verzekeren van het bezit van de sieraden (het gestolene) en het vergemakkelijken van de diefstal van de sieraden. Mede in aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat overvallen op juweliers vaak gepaard gaan met fors geweld tegen personen, waarbij met enige regelmaat - ernstig - letsel aan slachtoffers wordt toegebracht of slachtoffers zelfs komen te overlijden, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor beschreven handelingen van verdachte en zijn medeverdachten voor de slachtoffers en dan met name voor medewerker [slachtoffer 3] zeer bedreigend moeten zijn geweest. Zijn collega [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij aan [slachtoffer 3] zag dat hij bang was.34 Het kan niet anders dan dat verdachte en zijn medeverdachten zich ervan bewust zijn geweest en ook de bedoeling hebben gehad dat zij door aldus te handelen bedreigend op het slachtoffer en eventuele omstanders zouden overkomen, zodat er sprake is van opzet op de bedreiging met geweld. De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is geweest van opzet op geweld nu medewerker [slachtoffer 3] is vastgepakt en vastgehouden door één van de overvallers. De rechtbank is van oordeel dat het vastpakken van een persoon beschouwd moet worden als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Het betreft een handeling die tegen de wil van de betrokkene wordt uitgevoerd, die zijn bewegingsvrijheid aantast en die er op is gericht om de buit veilig te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de door verdachte en zijn medeverdachten gepleegde diefstal is vergezeld van geweld en bedreiging met geweld met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren.

ten aanzien van feit 2:

Op 23 juli 2013 is voor de bijrijdersstoel, waar verdachte volgens eigen zeggen heeft gezeten35, een tas aangetroffen waarin naast een grijze sweater ook een wapen zat.36 Dit wapen bleek een omgebouwde gasrevolver te zijn van het merk RG met het kaliber .22.37

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat verdachte degene was die tijdens de overval de grijze trui heeft gedragen. Gelet op de plek waar de tas is aangetroffen – voor de stoel waar verdachte heeft gezeten – in combinatie met het feit dat in die tas naast het wapen, ook de grijze sweater is aangetroffen, concludeert de rechtbank dat de tas en daarmee de inhoud daarvan, waaronder dus ook het wapen, aan verdachte toebehoort.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat één van de medeverdachten van verdachte op enig moment beschikkingsmacht over het wapen heeft gehad en zal de verdachte om die reden partieel vrijspreken van het onderdeel medeplegen.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank echter wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een gasrevolver. Aangezien verdachte op 23 juli 2013 in Delft is aangehouden38, concludeert de rechtbank dat verdachte het wapen op 23 juli 2013 in Delft voorhanden heeft gehad.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart, met verbetering van type- en taalfouten, waardoor verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad, bewezen dat verdachte:

1.

op 23 juli 2013 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden (ter waarde van 134.200 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

- voorzien van een hamer en met bivakmutsen over het hoofd betreden van

die juwelier en

- snel op die [slachtoffer 3] aflopen en die [slachtoffer 3] vervolgens vastpakken

bij de schouder en bij de mond, althans het gezicht en

- vervolgens inslaan van vitrines met een hamer:

2.

op 23 juli 2013 te Delft een vuurwapen van categorie III, te weten een gasrevolver (kaliber .22), voorhanden heeft gehad.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij bepaling van de strafmaat rekening te houden met LOVS-oriëntatiepunten die van toepassing zijn voor een diefstal waarbij sprake is van licht geweld/bedreiging en de LOVS-oriëntatiepunten die van toepassing zijn op het bezit van een gasrevolver. Hij heeft tevens verzocht om rekening te houden met de feiten dat er geen geweld is gebruikt bij de overval en dat verdachte een first offender is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van een overval op een juwelier. Tijdens die overval zijn er vitrines ingeslagen met een hamer en heeft verdachte een medewerker vastgepakt en in bedwang gehouden. Bij de overval is voor een enorm bedrag aan sieraden buitgemaakt.

Verdachte heeft zich bij het plegen van de overval geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen van deze voor de slachtoffers emotioneel zeer ingrijpende gebeurtenissen. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijke feit daarvan langdurig de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat dit in het onderhavige geval niet anders is, is de rechtbank gebleken uit de in het voegingsformulier door de eigenaar van het bedrijf vermelde gevolgen van het voorval. Daarnaast brengt een brutale overval als deze gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg, te meer daar de overval op klaarlichte dag heeft plaatsgevonden midden in het centrum van Delft en er, gelet op de grote hoeveelheid getuigenverklaringen in het dossier, meerdere personen, onder wie schoolkinderen, getuigen van waren. Daarnaast is veel materiële schade aangericht, waaronder aan de vitrines van de juwelier. Ook bleken er diverse sierraden beschadigd te zijn.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een gasrevolver. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat het wapen was geladen met munitie en dat verdachte het in het openbaar bij zich had.

Verdachte neemt blijkens zijn ontkennende opstelling geen enkele verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde overval en ter terechtzitting heeft hij evenmin blijk gegeven van inzicht in de ingrijpende gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 25 juli 2013, waaruit blijkt dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een reclasseringsadvies van GGZ Bouman Advies Rotterdam van 21 augustus 2013, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende voorwaarden te verbinden: een meldplicht, deelname aan de gedragsinterventies GI-RN Cognitieve Vaardigheden en GI-RN Budgetteren en een locatieverbod in de gemeente Delft.

De rechtbank houdt rekening met de LOVS oriëntatiepunten, waaruit blijkt dat een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar is geïndiceerd voor een overval waarbij sprake is geweest van licht geweld/bedreiging. De rechtbank is van oordeel dat bij de onderhavige overval sprake is geweest van licht geweld, aangezien één van de overvallers een medewerker heeft vastgepakt en onder bedwang heeft gehouden, alsmede van bedreiging, aangezien twee overvallers een bivakmuts droegen toen ze de juwelier binnenliepen en één van de overvallers met grof geweld vitrines heeft ingeslagen.

Wat betreft het voorhanden hebben van de gasrevolver sluit de rechtbank aan bij het bezit van een vuurwapen van categorie III, nu de gasrevolver dusdanig is omgebouwd dat er daadwerkelijk munitie van het kaliber .22 mee afgeschoten kan worden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend is. Deze straf is lager dan die door de officier van justitie is geëist, gelet op de LOVS oriëntatiepunten en het vrijwel blanco strafblad van verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met als voorwaarde reclasseringscontact op te leggen, omdat verdachte hiervoor niet gemotiveerd is.

7 De vordering van de benadeelde partij

7.1

Hoogte van de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.480,00.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd door de benadeelde partij.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van

27 (ZEVENENTWINTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij:

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, voorzitter,

mrs. en W.N.L. Donker en N.F.H. van Eijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014.

1 Proces-verbaal beelden juwelier, pagina 172 en proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], pagina 92.

2 Proces-verbaal beelden juwelier, pagina’s 172 tot en met 186; proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 3], pagina 87; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], pagina 92.

3 Proces-verbaal beelden juwelier, pagina’s 172 tot en met 186.

4 Proces-verbaal van bevindingen weggenomen goederen, pagina’s 97 tot en met 105.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 553.

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige], pagina 28.

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige], pagina’s 23 en 24.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 553.

9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 553.

10 Proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 3], pagina’s 39 tot en met 42.

11 Proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 1], pagina’s 43 tot en met 45.

12 Proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 2], pagina’s 46 tot en met 48.

13 Proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 3], pagina’s 49 tot en met 52.

14 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeken vluchtauto, pagina’s 192 tot en met 194.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina’s 268 en 269.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 218.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina’s 268 en 269.

18 Proces-verbaal van tonen foto’s aan [medeverdachte 2], pagina 282.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 215.

20 Proces-verbaal beelden juwelier [slachtoffer 1], pagina 182.

21 Proces-verbaal beelden juwelier [slachtoffer 1], pagina 182.

22 Eigen waarneming van de rechtbank van vier foto’s op de pagina’s 205 en 206.

23 Proces-verbaal beelden juwelier, pagina’s 172 tot en met 186.

24 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, pagina 4 van 7.

25 Eigen waarneming van de rechtbank van foto 12, pagina 180.

26 Proces-verbaal ter terechtzitting van 21 januari 2014.

27 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeken vluchtauto, pagina’s 192 tot en met 194.

28 Eigen waarneming van de rechtbank van proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, foto 71.

29 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, pagina 7.

30 Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 187 tot en met 189 en proces-verbaal bevindingen, pagina’s 552 en 553.

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 269.

32 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 3], pagina’s 87 en 88.

33 Proces-verbaal beelden juwelier, pagina’s 172 tot en met 186.

34 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 4], pagina 109.

35 Proces-verbaal ter terechtzitting van 21 januari 2014.

36 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeken vluchtauto, pagina’s 192 tot en met 194.

37 Proces-verbaal, pagina 195.

38 Proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 3], pagina’s 49 tot en met 52.