Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12849

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2476
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkafspraak (neergelegd in verslag) met betrekking tot de verhoging van de caseload na een periode van ziekte is een intern sturingsmiddel en heeft om die reden geen extern rechtsgevolg.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 25
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Ambtenarenwet 2017 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/2476

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: W. van IJzeren).

Procesverloop

Bij e-mailbericht van 7 mei 2013 heeft [A], werkzaam als procesbegeleider van het team inkomen bij de gemeente Westland (de gemeente), aan eiser medegedeeld dat hij er, conform eerder gemaakte afspraken, weer 24 cliënten bij krijgt.

Bij brief van 12 juni 2013 is eiser tegen het e-mailbericht van 7 mei 2013 in bezwaar gegaan. Bij brief van 8 augustus 2013 heeft eiser aanvullende gronden van bezwaar ingediend.

Bij brief van 25 maart 2014 heeft eiser beroep niet tijdig beslissen ingesteld.

Bij besluit van 31 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2014.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 2002 als casemanager inkomen werkzaam bij de gemeente voor 28,8 uur per week. Op 1 juli 2004 is eiser uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. Na enige tijd heeft eiser in aangepast tempo zijn eigen werk gedurende de volledige uren hervat. Op 13 maart 2009 is eiser opnieuw uitgevallen, waarna hij het aangepaste eigen werk weer heeft hervat voor de volledige uren.

1.1.

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) bepaald dat aan de gemeente een verlenging van de eerder opgelegde loondoorbetalingsverplichting in de zin van artikel 25 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt opgelegd omdat zonder deugdelijke grond geen sprake is geweest van voldoende (adequate) re-integratie inspanningen jegens eiser. Verweerder is tegen dit besluit in bezwaar gegaan, welk bezwaar bij besluit van
20 september 2012 ongegrond is verklaard door het UWV. Tegen laatstgenoemd besluit is geen beroep ingesteld.

1.2.

Aan het besluit van 20 september 2012 lag een rapportage van verzekeringsarts [verzekeringsarts] ten grondslag, waarin onder meer is geconcludeerd dat er medisch inhoudelijk geen afwijkingen konden worden gevonden bij eiser. Met name het handelingstempo is normaal te achten, aldus [verzekeringsarts]. Wel heeft [verzekeringsarts] zorgvuldig-heidshalve enkele beperkingen gesteld ten aanzien van deadlines/productiepieken, verhoogd handelingstempo en samenwerken.

1.3.

Naar aanleiding van het besluit van het UWV van 20 september 2012 heeft op
30 november 2012 een startgesprek tussen eiser en zijn teamleider, [B], plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zijn werkafspraken gemaakt. Van het gesprek en de afspraken is een verslag opgemaakt, welk verslag door eiser en [B] op 4 januari 2013 voor akkoord is getekend. In het verslag staat onder meer als werkafspraak genoemd dat het beheerbestand van eiser per 1 februari 2013 over een periode van vier maanden wordt opgebouwd zodat op 31 mei 2013 het beheerbestand van 96 klanten is bereikt. Dit betekent concreet een opbouw van 24 klanten per maand. Voorts staat in het verslag genoemd dat eiser en [B] het niet eens zijn over verschillende uitgangspunten. Onder meer is als opvatting van eiser over het begrip “eigen werk” het volgende vermeld: “eigen werk is in Ruuds dossier een juridisch geladen begrip. Gezien het dossierverloop in de afgelopen jaren, is het eigen werk juridisch gezien beperkt tot pakweg 48 beheerdossiers. Datgene wat [eiser] daarboven uit gaat voeren is dan vrijwillig. Het is niet zo dat hij dat niet wil doen, hij zal er zelfs naar streven, maar zijn opvatting is dat de genoemde 96 dossiers het aantal overschrijdt wat juridisch van hem kan worden gevraagd.” Als opvatting van [B] is voorts vermeld: “ik kan opdragen wat normaal binnen deze functie redelijkerwijs opgedragen kan worden. Normaal is dan afgemeten aan de gemiddelde collega waarvan ik een zekere prestatie mag verwachten en op die prestatie kan beoordelen. Een fulltime caseload van 120 is redelijk voor een fulltimer. De caseload van [eiser] is omgerekend naar zijn parttimefactor dan op 96 te bepalen.

1.4.

Naar aanleiding van het startgesprek op 30 november 2012 heeft eiser op dezelfde datum een e-mail aan de heer [C] van [C] Juridisch Advies gestuurd, waarin hij onder meer heeft vermeld: “(…) het gesprek zojuist met MdW was zeer constructief. Duidelijk plan van aanpak, opbouw van caseload in porties van 24 per maand. De 3e portie wordt in ieder geval een schriftelijke werkopdracht zodat ik in bezwaar kan gaan. Ik stel namelijk dat circa 48 dossiers van me geëist kan worden maar meer niet. (…).

1.5.

Op 7 mei 2013 is de in het procesverloop genoemde e-mail aan eiser gestuurd, waartegen hij het bezwaarschrift heeft gericht. Strekking van het bezwaarschrift is dat eiser vindt dat verweerder ten onrechte de caseload ophoogt van 48 naar 72 dossiers. Eiser stelt dat hij om medische redenen “een beetje in de luwte” moet kunnen werken om behoorlijk te kunnen functioneren.

1.6.

Bij brief van 26 februari 2014 heeft eiser onder verwijzing naar de Wet dwangsom beroep niet tijdig beslissen aan verweerder meegedeeld dat hij nog geen beslissing op het bezwaar heeft ontvangen.

2. Op 31 maart 2014 heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen, waarin het bezwaar van eiser tegen de e-mail van 7 mei 2013 niet-ontvankelijk is verklaard omdat laatstgenoemde e-mail geen op rechtsgevolg gericht besluit is maar als uitvoering moet worden gezien van hetgeen in het startgesprek op 30 november 2012 is besproken en in het verslag van 4 januari 2013 is vastgelegd. Ook is geen sprake van een met een besluit gelijk te stellen andere handeling in de zin van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bovendien is verweerder, in tegenstelling tot de Commissie bezwaarschriften Westland (de Commissie), van mening dat uit het bezwaarschrift niet blijkt dat het bezwaar was gericht tegen de afspraak tot verhoging van de caseload zoals weergegeven in het verslag van 4 januari 2013. En zelfs al zou dat wel gelezen kunnen worden in het bezwaarschrift, dan is verweerder van mening dat het bezwaar te laat is ingediend en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In dat kader merkt verweerder op dat uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat [B] heeft verklaard dat hij niet tegen eiser zou hebben gezegd dat de uitbreiding van de caseload van 48 naar 72 dossiers een schriftelijke werkopdracht zou betreffen waartegen eiser in bezwaar kon gaan. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat [B] heeft verklaard dat als eiser het er niet mee eens is, er altijd bezwaar mogelijk is. Uit deze verklaring kan volgens verweerder niet worden afgeleid dat het bezwaarschrift van eiser als een te laat ingediend bezwaarschrift tegen het verslag van 4 januari 2013 moet worden beschouwd. De mededeling van [B] vond immers plaats voorafgaand aan de bezwaartermijn, namelijk tijdens het startgesprek op 30 november 2012. Bovendien was de mededeling volgens verweerder algemeen van aard en zag deze niet specifiek op de bezwaartermijn van het besluit van 4 januari 2013, zodat eiser door de mededeling niet op het verkeerde been is gezet.

3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder niet tijdig op zijn bezwaarschrift van
12 juni 2013 heeft beslist en dat hij verweerder in gebreke heeft gesteld. Voorts voert eiser tegen de beslissing op bezwaar aan dat verweerder, die eisers medische beperkingen kent, zijn handtekening onder het verslag van 4 januari 2013 niet had mogen interpreteren als een akkoord op de afspraak van de verhoging van de caseload. Eiser verwijst daarbij naar het verslag van 4 januari 2013 waaruit ook blijkt dat hij en [B] het niet eens zijn met elkaar over de vervolgstrategie. Zijn voor akkoord gezette handtekening had volgens eiser moeten worden geïnterpreteerd door verweerder als een blijk van enthousiasme om eindelijk eens een plan op papier te zien. Voorts voert eiser aan dat hij zich op het verkeerde been gezet voelde door de mededeling van [B] tijdens het gesprek op 30 november 2012 dat op enig moment in het proces van caseloadverhoging bezwaar mogelijk was als de tussentijdse ophogingen schriftelijk zou worden gemeld, zodat eiser via een bezwaarschrift alsnog een signaal zou kunnen geven als hij nog niet klaar was voor de verhoging. Dat [B] in zijn algemeenheid zou hebben gezegd dat bezwaar te allen tijde mogelijk is, betwist eiser. Eiser stelt verder dat verweerder zelf maandelijks had moeten controleren of de ophoging van de caseload op een verantwoorde wijze gebeurde.

4. Met betrekking tot het beroep niet tijdig beslissen overweegt de rechtbank het volgende. Het beroep van eiser richt zich tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaarschrift van 12 juni 2013. Verweerder heeft bij besluit van 31 maart 2014 alsnog een beslissing op bezwaar genomen, zodat eiser geen procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep van eiser is in zoverre niet-ontvankelijk. Voorts merkt de rechtbank op dat de hoogte van de door verweerder in het besluit van 31 maart 2014 vastgestelde dwangsom niet door eiser is betwist, zodat een oordeel daarover achterwege kan blijven.

5. De rechtbank zal voorts, gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb de beslissing op bezwaar van 31 maart 2014 inhoudelijk beoordelen. Alvorens daartoe over te gaan overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

6. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiser per 24 juli 2014 is ontslagen wegens onverenigbaarheid van karakter. Eiser heeft ter zitting verklaard tegen het ontslagbesluit in bezwaar te zijn gegaan. Alleen al gelet op het feit dat het ontslagbesluit nog niet onherroepelijk is en dus de mogelijkheid bestaat dat eiser ingeval van het herroepen van het ontslagbesluit zou terugkeren in zijn oude functie, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voldoende procesbelang om tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan.

7. Aan de orde is de vraag of verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe dient te worden beoordeeld of de e-mail van 7 mei 2013 een appellabel besluit of daarmee gelijk te stellen handeling is. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Het volgende is daartoe redengevend.

8. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge de toelichting bij dit artikel moet sprake zijn van extern rechtsgevolg. Beslissingen van een bestuursorgaan die een zuiver intern karakter hebben zijn niet als besluiten in de zin van voornoemd artikel aan te merken. Artikel 8:2, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Awb bepaalt dat met een besluit wordt gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet belanghebbende is. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan een ambtenaar tegen een feitelijke handeling slechts beroep instellen (en daaraan voorafgaand bezwaar maken) wanneer sprake is van een handeling waardoor de ambtenaar rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2673).

9. Uit de het onder 1.3. vermelde verslag blijkt dat met eiser onder meer als werkafspraak is gemaakt dat zijn beheerbestand over een periode van vier maanden, te beginnen in februari, wordt opgebouwd met 24 klanten per maand naar 96 klanten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de e-mail van 7 mei 2013 slechts dient ter uitvoering van deze werkafspraak en als zodanig niet op rechtsgevolg is gericht. Evenmin wordt eiser daarmee in een rechtspositioneel belang geraakt. Dat daadwerkelijk pas in maart 2013 in plaats van in februari 2013 met de verhoging van de caseload is begonnen, zoals tussen partijen niet in geschil is, maakt dit niet anders.

10. Voor zover eiser heeft betoogd dat het bezwaarschrift mede gericht is tegen de werkafspraak zoals vastgelegd in het verslag van 4 januari 2013, slaagt dit niet. De rechtbank is van oordeel dat de betreffende werkafspraak als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen tussen eiser en verweerder kan worden aangemerkt. Tegen het hanteren van een dergelijk sturingsmiddel kan naar vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC8573) geen rechtsmiddel worden aangewend. Gelet op het vorenstaande kan een oordeel of de reikwijdte van het bezwaar en de al dan niet verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding achterwege blijven.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. Het beroep is in zoverre ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiser tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.