Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1284

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
09/715710-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tijdens een evenement (badmodeshow), waarbij hij als fotograaf werkzaam was, stiekem filmopnames gemaakt in een toiletruimte die alleen door de modellen mocht worden gebruikt.

Onder andere twee jonge vrouwen zijn daarvan slachtoffer geworden; zij zijn gefilmd terwijl zij urineerden dan wel zich aan het omkleden waren. Zij zijn daardoor ernstig in hun privacy aangetast. Werkstraf van 50 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/715710-12

Datum uitspraak: 4 februari 2014

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1978 te [plaats] (Filipijnen),

wonende [adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 januari 2014.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. D. Emmelkamp, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. B.P. Simonis heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en ter zake van het hem subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de tijd van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (de beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) vermelde voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen:

[slachtoffer 1] tot een bedrag van € 1.000,00;

[slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.100,00;

alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De tenlastelegging.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 juli 2012 te Nieuwkoop opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten een toilet (op de eerste etage van een evenementenlocatie), met een daar door hem, verdachte geplaatste camera (deels) naakte vrouwen en/of vrouwen die urineerden en/of vrouwen die zich omkleedden heeft gefilmd, terwijl die vrouwen (onder meer [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) daarbij haars/huns ondanks tegenwoordig was/waren;

art 239 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 juli 2012 te Nieuwkoop, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een camera, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van één of meer perso(o)n(en), te weten onder andere [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een toilet, één of meer afbeelding(en) en/of opnam(en) heeft vervaardigd;

art 139f ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat verdachte:

op 08 juli 2012 te Nieuwkoop, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een camera, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een toilet, opnamen heeft vervaardigd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tijdens een evenement (badmodeshow), waarbij modellen aanwezig waren en hij als fotograaf werkzaam was, schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het stiekem maken van filmopnames in een toiletruimte die, zo was door de organisatie van het evenement bepaald, alleen door de modellen mocht worden gebruikt. Onder andere twee modellen, jonge vrouwen, zijn daarvan slachtoffer geworden; zij zijn gefilmd terwijl zij urineerden dan wel zich aan het omkleden waren. Zij zijn daardoor ernstig in hun privacy aangetast. Verdachte heeft bovendien het vertrouwen dat de modellen in hem stelden, geschonden. Dit feit heeft de slachtoffers behoorlijk aangegrepen, zo is de rechtbank tijdens de terechtzitting gebleken.

Verdachte heeft ter terechtzitting een bekentenis afgelegd en zijn excuses aangeboden aan de aangeefsters.

De reclassering heeft een behandeling bij De Waag aanbevolen. Dit advies is neergelegd in een op 25 maart 2013 gedateerd rapport. Verdachte zou door die behandeling inzicht moeten krijgen in de motieven voor zijn gedrag en zijn seksuele behoeften. Hij moest leren om die behoeften op een andere wijze te bevredigen of te begrenzen. Hij moest bovendien leren om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag. Op 8 januari 2014 heeft de reclassering gerapporteerd dat verdachte begin april 2013 op vrijwillige basis met de geadviseerde behandeling is gestart en dat het inmiddels goed met hem gaat. Hij heeft volgens de reclassering veel meer inzicht in zijn gedrag dan voorheen en de externe factoren en omstandigheden die van invloed waren op zijn gedrag, zijn inmiddels gewijzigd; hij kan zijn behoeften nu beter kanaliseren. Volgens de behandelaar en de reclassering is oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden in de vorm van het volgen van een behandeling en een meldplicht niet meer nodig omdat de reeds ingezette behandeling positief verloopt en deze bijna is afgerond. De reclassering adviseert om alleen een (eventueel deels voorwaardelijke) werkstraf op te leggen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte voorts rekening mee dat het bewezen verklaarde feit inmiddels ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat verdachte nadien nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard bereid te zijn de schade te vergoeden, die de aangeefsters zeggen te hebben geleden.

Alles overwegende ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte uitsluitend een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van vijftig uur op te leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, met name omdat de behandeling die verdachte is gestart bijna is afgerond en er volgens de reclassering (voor zover relevant) geen problemen meer zijn in het persoonlijke leven van verdachte.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen (een sd-kaart en een videocamera) niet verbeurd verklaren. Hoewel deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en hij het bewezen verklaarde feit met behulp van deze voorwerpen heeft begaan, ziet de rechtbank geen grond voor – een financiële sanctie als – verbeurdverklaring, nu verdachte zich bereid heeft verklaard de benadeelde partijen schadeloos te stellen. Bovendien is ter terechtzitting gebleken dat verdachte al een schadevergoeding van € 2.000,00 heeft betaald aan de organisator van voornoemd evenement, zijn opdrachtgeefster.

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van bedoelde voorwerpen. Daarbij acht de rechtbank het wel van belang dat de officier van justitie zich er eerst van verzekert dat de onderhavige beelden zich niet meer op de sd-kaart of (eventueel) het interne geheugen van de camera bevinden. De sd-kaart en (eventueel) het interne geheugen van de camera dienen derhalve eerst zorgvuldig te worden geschoond voordat de kaart en de camera aan verdachte worden teruggegeven. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie hiervoor de nodige zorg zal dragen.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.000,00.

Deze vordering is door of namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door deze benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat deze benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal deze vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 1.000,00.

Dit brengt mee dat verdachte wordt veroordeeld in de kosten die deze benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.100,00.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover het gaat om een bedrag van € 250,00, als vergoeding ter zake van immateriële schade, tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu door of namens verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat deze benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve deze vordering toewijzen tot een bedrag van € 250,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de beoordeling van die vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert omdat de omvang van die schade niet eenvoudig kan worden vastgesteld. Deze benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte wordt veroordeeld in de kosten die deze benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en hij voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], en een bedrag groot € 250,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2].

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 139f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen,

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 50 uren;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen, te weten een videocamera en een gegevensdrager, doch eerst nadat de officier van justitie zich ervan heeft doen verzekeren dat deze voorwerpen geen beelden meer bevatten, zoals hiervoor overwogen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 1.000,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door deze benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,00 ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 250,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,00 ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Lensink, voorzitter,

mrs Bierling en Frenkel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Kistemaker, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2014.

Mr Bierling is buiten staat het vonnis te ondertekenen.