Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12757

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
SGR - 14 _ 55
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:232, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres houdt zich voornamelijk bezig met het uitzenden van arbeidskrachten, veelal van Poolse en Letse afkomst. Gedurende het naheffingstijdvak heeft eiseres de vermindering afdracht onderwijs toegepast voor de categorie beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Verweerder stelt dat eiseres daar geen recht op had en heeft haar daarvoor een naheffingsaanslag opgelegd. In geschil is of dit terecht is.

De rechtbank oordeelt dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat - nu verweerder gemotiveerd het standpunt inneemt dat eiseres niet aan de voorwaarden voor de afdrachtvermindering voldoet - op eiseres de bewijslast rust om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat zij recht heeft op de afdrachtvermindering. De afdrachtvermindering is immers een belastingverlagende post. De rechtbank oordeelt dat de arbeidskrachten wel taallessen hebben gevolgd, maar geen sprake was van beroepspraktijkvorming. Omdat taallessen behoren tot educatie en niet tot beroepsonderwijs in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs, is niet voldaan aan de wettelijke eis dat de BBL voor minimaal 60% uit een praktijkdeel moet bestaan. Eiseres heeft dus geen recht op de afdrachtvermindering en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 13a
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 14
Wet educatie en beroepsonderwijs 7.2.2
Wet educatie en beroepsonderwijs 7.2.8
Wet educatie en beroepsonderwijs 7.2.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2239
V-N 2015/7.17.17
FutD 2014-2618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 14/55

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2014 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 (het naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag loonheffingen van € 57.403 opgelegd, alsmede bij beschikkingen een verzuimboete opgelegd van € 5.098 en € 4.175 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014 te Den Haag.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door [B] bijgestaan door [C]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] en [E].

Ter zitting zijn tegelijkertijd behandeld de zaken van [F] B.V. (SGR 14/56), en [G] B.V. (SGR 14/59). Al hetgeen ter zitting is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de drie ter zitting behandelde zaken.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is opgericht in 2002 en houdt zich voornamelijk bezig met het uitzenden van arbeidskrachten, veelal van Poolse en Letse afkomst. Gedurende het naheffingstijdvak heeft eiseres een vermindering afdracht onderwijs, als bedoeld in artikel 13a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA), toegepast van in totaal € 55.395 voor de categorie beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Dit bedrag heeft verweerder onder meer gecorrigeerd bij de onderhavige naheffingsaanslag.

2. Eiseres heeft met [H Opleidingen] een overeenkomst gesloten op basis waarvan [H Opleidingen] met werknemers van eiseres een onderwijsovereenkomst en een beroepspraktijkvormingsovereenkomst afsluit met een looptijd van een jaar voor de opleiding “Assistent voedingsindustrie, BBL niveau 1, NT2”. NT2 staat voor “Nederlands als Tweede Taal”. In die overeenkomst staat:

“De deelnemers zijn vrijgesteld voor het vakgerichte deel van het onderwijs en volgen per ingeschreven jaar 114 uur Nederlands als Tweede Taal. De lestijden en de –locaties worden in overleg met de opdrachtgever vastgesteld.”

De lessen Nederlands als Tweede Taal vonden plaats in de vrije tijd van de werknemers. In de beroepspraktijkvormingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers en [H Opleidingen] staat niets vermeld omtrent de inhoud van de opleiding of de tijdbesteding.

3. In de brochure van [H Opleidingen] staan bij de onderhavige opleiding de volgende onderdelen vermeld:

  • -

    producten en materialen transporteren

  • -

    materiaal en werkplek onderhouden

  • -

    productiewerkzaamheden uitvoeren

  • -

    product- en/of procescontroles assisteren

  • -

    Nederlands als tweede taal (NT2)

4. In de brief van 21 oktober 2008 van [H] Consultancy & Expertise, die eiseres heeft geadviseerd omtrent de opleiding en de afdrachtvermindering onderwijs (afdrachtvermindering), staat als doel van de opleiding “het taalniveau van de deelnemers te verhogen, hen Nederlandse vakwoorden te leren en hen sociaal sterker te maken”.

5. Op 4 april 2011 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld. De bevingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 7 september 2012. In het rapport concludeert verweerder dat uitsluitend dan wel nagenoeg uitsluitend sprake is van het aanbieden van de cursus/opleiding Nederlands als Tweede taal en er derhalve geen sprake is van een BBL opleiding waarvoor afdrachtvermindering mogelijk is.

Geschil
6. In geschil is of eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete ten onrechte zijn opgelegd. Er is volgens eiseres wel sprake van een BBL opleiding zodat zij recht heeft op de afdrachtvermindering. Dat de deelnemers zijn vrijgesteld van het vakgerichte deel van de opleiding zoals in de overeenkomst is vermeld, is feitelijk niet juist. De taallessen zijn verweven met het vakgerichte deel van de opleiding. De deelnemers hebben een vakgerichte proeve van bekwaamheid moeten afleggen en certificaten behaald voordat de opleiding werd afgerond met een diploma, en zijn begeleid door een “vorarbeiter” die werd aangestuurd door een praktijkopleider.

8. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar het controlerapport waaruit, aldus verweerder, kan worden geconcludeerd dat slechts een cursus Nederlands als tweede taal werd aangeboden en de deelnemers niet daadwerkelijk hebben deelgenomen aan beroepspraktijkvorming.

10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor de nadere motivering van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken.

Beoordeling van het geschil

12. Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de WVA is de afdrachtvermindering van toepassing met betrekking tot de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. De beroepsopleiding van de BBL moet voor 60% of meer van de studieduur uit een praktijkdeel bestaan.

13. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat - nu verweerder gemotiveerd het standpunt inneemt dat eiseres niet aan de voorwaarden voor de afdrachtvermindering voldoet - op eiseres de bewijslast rust om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat zij recht heeft op de afdrachtvermindering. De afdrachtvermindering is immers een belastingverlagende post.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. In de WEB wordt onderscheid gemaakt tussen educatie en beroepsonderwijs. Bij de totstandkoming van de WEB is een opleiding “Nederlands als tweede taal” genoemd als een opleiding die behoort tot de educatie (Kamerstukken II 1993/94, 23.778 nr. 3, p. 98). Op grond van de in 12 aangehaalde wettelijke bepalingen kan de afdrachtvermindering alleen toepassing vinden met betrekking tot een werknemer die beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg volgt. In de tussen eiseres en [H Opleidingen] gesloten overeenkomst staat uitdrukkelijk vermeld dat een vrijstelling geldt voor het vakgerichte deel van het onderwijs. Reeds hierom acht de rechtbank niet zonder gedegen nadere onderbouwing aannemelijk dat sprake is van beroepspraktijkvorming als bedoeld in artikel 14 van de WVA. Eiseres heeft met hetgeen zij ter onderbouwing heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat anders dan uit de overeenkomst volgt, wel sprake is geweest van praktijkdeel van de opleiding bij de inleners. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat sprake was van taalles waarbij de taalkennis van de werknemers werd getoetst op de onderdelen “luisteren”, “lezen” en “schrijven” en dat aan de werknemers een aantal certificaten is verstrekt voor assessments op taalniveau A1. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat de assessments werden afgenomen door een docent Nederlands die bekend is met de praktijk van de voedingsindustrie. De taallessen sloten volgens eiseres aan bij de vakinhoudelijke aspecten van de opleiding. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat sprake is geweest van beroepspraktijkvorming van de BBL. Uit de proeve van bekwaamheid, leidend tot het diploma, volgt evenmin dat praktijkonderwijs heeft plaatsgevonden. Bij het hiervoor gegeven oordeel neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen is vermeld in het rapport van de Inspectie van Onderwijs van het Ministerie van OCW (de Onderwijsinspectie) van januari 2013, naar aanleiding van een onderzoek uitgevoerd tussen juli 2012 en november 2012 bij [H Opleidingen], dat een deel van de deelnemers een gelijkgesteld diploma of een diploma van hogere orde heeft behaald in het land van herkomst.

De stelling van eiseres dat de werknemers op de werkvloer bij de inleners werden begeleid door een “vorarbeiter” leidt de rechtbank ook niet tot de conclusie dat zij beroepspraktijkvorming hebben genoten. Uit niets blijkt immers dat die begeleiding in het kader van de voormelde opleiding heeft plaatsgevonden. Dat eiseres in dat verband geen stukken ter onderbouwing kan overleggen komt voor haar rekening. De bewijslast voor het recht op afdrachtvermindering rust immers op de inhoudingsplichtige die daarop aanspraak maakt. Dit brengt mee dat deze dient te beschikken enige administratie, aan de hand waarvan extern kan worden getoetst of aan het recht op afdrachtvermindering wordt voldaan.

15. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de constateringen van verweerder in het controlerapport worden bevestigd in het onder 14 vermelde rapport van de Onderwijsinspectie. In het rapport wordt - samengevat - geconcludeerd dat de aangeboden opleiding geen beroepsopleiding is zoals bedoeld in artikel 7.2.2 van de WEB, dat het programma voornamelijk is geënt op de doelstelling de deelnemers een taalbasis te geven en slechts voor een gering deel bestaat uit elementen van de Crebo-opleiding en dat er geen diploma-intenties zijn. Verder is in het rapport vermeld dat feitelijk geen sprake was van beroepspraktijkvorming of adequate begeleiding van opdrachten in het kader van de beroepsopleiding op de werkplek. Weliswaar heeft het onderzoek betrekking op het jaar 2012, maar de rechtbank ziet geen reden - mede in het licht van de constateringen van verweerder in het controlerapport - aan te nemen dat de situatie in het controletijdvak anders was.

16. Het rapport van de Onderwijsinspectie uit november 2013 waar eiseres zich op beroept, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In dat rapport worden - anders dan eiseres betoogt - de onder 15 opgenomen conclusies uit het rapport van januari 2013 niet teruggenomen. De Onderwijsinspectie constateert slechts dat de aanpassingen en veranderingen in de opleidingstrajecten zijn gestart na 1 januari 2013 en vanaf dat moment voldoen aan het geregistreerde crebonummer.

Het rapport van de Onderwijsinspectie uit 2010 waar eiseres zich ook nog op beroept, brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Van dit rapport is slechts een klein gedeelte in geding gebracht en gelet op de inhoud van dat deel was dit rapport geen verslag van een onderzoek dat is uitgevoerd op de werkvloer, maar veeleer een beoordeling van het door [H Opleidingen] samengestelde leerprogramma en het daarbij behorende praktijkleerboek. Dit praktijkleerboek werd blijkens het hoorverslag van 27 mei 2013 overigens niet aan de werknemers van eiseres verstrekt.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemers de beroepspraktijkvorming van de BBL hebben gevolgd. Eiseres heeft dan ook geen recht op de gevraagde afdrachtvermindering.

18. Tegen de verzuimboete en de heffingsrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de verzuimboete en de heffingsrente ten onrechte of naar onjuiste bedragen zijn opgelegd en in rekening gebracht. Feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging van de boete wegens wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit zijn evenmin gesteld of gebleken.

19. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. S.E. Postema en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.