Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12719

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
AWB 14/17785 & 14/17788
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Situatie in Shingal (Irak). Bij brief van 29 juli 2014 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is vanwege de opmars van IS het beleid bekend gemaakt dat er geen beslissingen worden genomen op asielzaken van mensen die afkomstig zijn uit gebieden in Irak die niet (meer) onder het dagelijks bestuur staan van de Iraakse of Koerdische autoriteiten. Het gebied Shingal was op 29 juli 2014 nog niet in handen van IS, maar stond wel onder verscherpte aandacht van ISW. Eisers zijn uit voorzorg naar de verlengde asielprocedure gezonden op 2 augustus 2014. Dit had verweerder echter al op 30 juli 2014 kunnen doen, toen voor verweerder duidelijk was dat eisers afkomstig waren uit het gebied Shingal.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-10-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/17785 en 14/17788

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 september 2014 in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Irakese nationaliteit,

hierna te noemen eiser,

en

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Irakese nationaliteit,

hierna te noemen eiseres,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. N. Brands, advocaat te Gouda),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 24 juli 2014 aan eisers op grond van artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de verdere toegang tot Nederland geweigerd en bij afzonderlijke besluiten van diezelfde datum aan hen op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eisers hebben tegen de maatregelen ieder afzonderlijk op 29 juli 2014 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Verweerder heeft de vrijheidsontnemende maatregelen op 2 augustus 2014 opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2014. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt schriftelijk in te dienen. Bij faxbericht van 13 augustus 2014 heeft verweerder deze informatie verstrekt. Bij faxbericht van 20 augustus 2014 hebben eisers hierop gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek, met toestemming van beide partijen met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heden gesloten.

Overwegingen

  1. Hoewel de vrijheidsontnemende maatregelen op 2 augustus 2014 zijn beëindigd, dient in verband met het onderzoek om toekenning van schadevergoeding beoordeeld te worden of toepassing van de maatregelen tot die datum rechtmatig is geweest.

  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond.

  3. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

  4. Eisers voeren – samengevat – het volgende aan.

Eisers zijn Jeziden en komen uit het Noorden van Irak. Bij brief van 29 juli 2014 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer (vergaderjaar 2013-2014, 19637, nummer 1879) is vanwege de opmars van IS (voorheen ISIS) het beleid bekend gemaakt dat er geen beslissingen worden genomen op asielzaken van mensen die afkomstig zijn uit gebieden in Irak die niet (meer) onder het dagelijks bestuur staan van de Iraakse of Koerdische autoriteiten. Gelet daarop was het voor verweerder op 29 juli 2014 al duidelijk dat eisers van de AA-procedure naar de verlengde asielprocedure moesten gaan. Vanaf die datum is de maatregel onrechtmatig geworden. Een nader gehoor was niet noodzakelijk om te beoordelen of de afkomst van eisers geloofwaardig is en of er sprake is van een contra-indicatie. Het gaat er immers volgens het beleid om waar eisers vandaan komen. Subsidiair stellen eisers zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is geworden vanaf 30 juli 2014, de datum van het eerste gehoor, omdat het verweerder toen duidelijk was dat eisers afkomstig waren uit een van de gebieden die bedoeld worden in voornoemde brief van 29 juli 2014.

4.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregelen tot aan de opheffing rechtmatig zijn geweest. In voornoemde brief van 29 juli 2014 wordt toegelicht dat de zorgwekkende situatie in Irak aanleiding geeft om de beoordeling van asielaanvragen van Irakezen die afkomstig zijn uit gebieden in Irak die de facto niet (meer) onder het dagelijks bestuur staan van de Iraakse of Koerdische autoriteiten, uit te stellen totdat het nieuwe ambtsbericht over Irak is verschenen. Het gaat dan om gebieden waar ISIS (en/of andere gewapende Soennitische groeperingen die met ISIS samenwerken) de facto de controle hebben verworven. Ten aanzien van eisers is na het nader gehoor vastgesteld dat zij afkomstig zijn uit Shingal, een bergketen in Noord-Irak. Blijkens de “control of terrain”-kaarten van International Safety Watch (ISW) van 27 en 29 juli 2014 was dit gebied op deze datum nog niet in handen van ISIS, maar stond dit gebied vanwege de oprukkende troepen van ISIS wel onder verscherpte aandacht van ISW. De brief van 29 juli 2014 gaf verweerder daarom nog geen aanleiding om eisers naar de verlengde asielprocedure te zenden, immers het gebied was (nog) niet de facto onder controle van ISIS. Echter uit voorzorg is besloten om eisers naar de verlengde asielprocedure te zenden, zodat kan worden afgewacht hoe de situatie in Shingal zich ontwikkelt.

4.2

De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft gesteld dat, hoewel de brief van 29 juli 2014 hem nog geen aanleiding gaf om eisers naar de verlengde asielprocedure te zenden, eisers op 2 augustus 2014 wel uit voorzorg naar de verlengde asielprocedure zijn gezonden, zodat kon worden afgewacht hoe de situatie in Shingal zich verder zou ontwikkelen. De rechtbank is, gelet op de bij de fax van 13 augustus 2014 door verweerder overgelegde informatie over de situatie bij het gebied Shengal (Sinjar) op 29 juli 2014
- waarvan de juistheid door eisers niet is betwist - met verweerder van oordeel dat genoemd gebied ten tijde van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen (24 juli 2014) tot - in ieder geval 30 juli 2014 - de facto niet onder controle stond van ISIS of andere Soennitische groeperingen die met ISIS samenwerken. De brief van verweerder van 29 juli 2014 noopte hem niet om eisers naar de verlengde asielprocedure te zenden, onder gelijktijdige opheffing van de maatregelen. De rechtbank volgt eisers daarom niet in het standpunt dat de voortduring van de maatregelen per 29 juli 2014 onrechtmatig is geworden.

4.3

Nu verweerder aan zijn besluit om eisers op 2 augustus 2014 door te zenden naar de verlengde asielprocedure en de maatregelen niet langer te laten voortduren, ten grondslag heeft gelegd dat dit (enkel) uit voorzorg is gebeurd en dat vervolgens is afgewacht hoe de situatie in Shengal zich verder zou ontwikkelen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de voortduring van de maatregelen tot 2 augustus 2014 rechtmatig is geweest. Immers, verweerder heeft er kennelijk voor gekozen, ondanks de informatie over de feitelijke situatie in Shengal die op 29 juli 2014 beschikbaar was, om voorzichtig te zijn en de maatregelen uit voorzorg op te heffen. Niet valt in te zien waarom verweerder dit niet al eerder had kunnen doen. Verweerder heeft niet gesteld dat de situatie rond Shengal na 1 augustus 2014 opeens was veranderd of verslechterd. Nu op de datum van het eerste gehoor van eisers (30 juli 2014) voor verweerder duidelijk was dat eisers afkomstig waren uit het gebied Shengal, heeft verweerder, gelet op het door hem gehanteerde motief om eisers toch door te zenden naar de verlengde asielprocedure, zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem getroffen voorzorgsmaatregel eerst op 2 augustus 2014 en niet reeds op 30 juli 2014 moest ingaan.

5. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de beroepen gegrond zijn, omdat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregelen met ingang van 30 juli 2014 onrechtmatig is geworden.

6. Gelet op het voorgaande komen eisers met toepassing van artikel 106 Vw in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. Voor het verblijf van eisers in het Detentiecentrum Schiphol wordt een schadevergoeding van € 80,-- per dag toegekend. De rechtbank begroot de schadevergoeding van eiser daarom in totaal op € 640,-- (elk 4 dagen verblijf in Detentiecentrum Schiphol).

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarbij de rechtbank uitgaat van samenhangende zaken). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de rechtsbijstand-verlener.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen tegen de vrijheidsontnemende maatregelen gegrond;

-wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 640,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van die schade aan eisers;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 974,- te betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.

griffier rechter

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 640,-. Aldus gedaan op 9 september 2014, door mr. N.O.P. Roché, rechter.

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.