Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12507

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
09/767122-13; 09/999115-13; 09/767040-13; 09/827019-13; 09/765041-13; 09/757767-10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3 en 5 meer subsidiair, bij dagvaarding III onder 1 nog meer subsidiair en 2, bij dagvaarding IV onder 1, 2, 3 en 4 en bij dagvaarding V onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding II onder 1:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van dagvaarding II onder 2:

medeplegen van mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding II onder 3:

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houd

ten aanzien van dagvaarding II onder 5 meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;

ten aanzien van dagvaarding III onder 1 nog meer subsidiair:

opzettelijke uitlokking van medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

ten aanzien van dagvaarding III onder 2:

poging tot opzettelijke uitlokking van mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 1 en dagvaarding V onder 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 3:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 g, , 36b, 36c, 36f, 45, 46a, 47, 57, 141, 282, 285, 300, 301 en 303 van het

Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

- 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/767122-13; 09/999115-13; 09/767040-13; 09/827019-13; 09/765041-13; 09/757767-10 (tul)

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [p.i.].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 16 juli 2013, 3 oktober 2013,

3 december 2013, 5 februari 2014, 24 april 2014, 30 juni 2014, 1 en 2 juli 2014, 29 en 30 september 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie
mrs. H. de Koning en P.P.E. van de Rivière en van hetgeen door de raadslieden van verdachte, mrs. L.J.B.G. van Kleef en B.W.J. Krämer, beiden advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 30 juni 2014 in de zaak met parketnummer 09/827019-13, ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 09/999115-13 (hierna ook: dagvaarding I (zaakdossier [zaaksnaam 7]))

hij op of omstreeks 22 december 2011 te `s-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres 3], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het pakken bij en/of knijpen in de keel van die [slachtoffer 1] en/of het slaan, stompen, schoppen en/of trappen van die [slachtoffer 1];

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 december 2011 te 's-Gravenhage, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1]), bij/in de keel heeft gepakt en/of geknepen en/of heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

In de zaak met parketnummer 09/767122-13 (hierna ook: dagvaarding II (zaakdossiers [zaaksnaam 1] en [zaaksnaam 2]))

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2012 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn/haar mededader(s) opzettelijk dreigend een pistool/vuurwapen, althans een voorwerp gelijkend op een vuurwapen en/of geschikt voor afdreiging, op/tegen het hoofd en/of in de mond van die [slachtoffer 2] gehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "maak hem af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2012 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 2], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in de borst en/of het gezicht en/of het oor heeft geslagen en/of gestompt en/of een of

meer haar/haren uit het hoofd heeft getrokken, tengevolge waarvan naam slachtoffer enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2012 tot en met 24 juli 2012 te 's-Gravenhage en/of Scheveningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij/zij, verdachte en/of een of meer van zijn/haar mededader(s) met dat opzet

-die [slachtoffer 2] naar de woning van verdachte gelokt en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer 2] gedurende een of meer uur/uren, althans gedurende enige tijd, gedwongen in die woning te blijven en/of

-(daartoe) die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, geslagen/gestompt en/of bedreigd met een vuurwapen, althans een voorwerp gelijkend op een vuurwapen en/of met de dreigende woorden "maak hem af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 2] gedwongen plaats te nemen in een auto en/of

- die [slachtoffer 2] gedurende een autorit van 's-Gravenhage (vanaf/in de buurt van de [adres 5]) naar Scheveningen gedwongen in de auto te blijven zitten;

4.

hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2012 tot en met 24 juli 2012 te 's-Gravenhage en/of Scheveningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld (te weten 1500 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

-houden van een pistool/vuurwapen, althans een voorwerp gelijkend op een vuurwapen en/of geschikt voor afdreiging, op/tegen het hoofd en/of in de mond van die [slachtoffer 2] en/of

-(daarbij) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toevoegen: "maak hem af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

-het meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in de borst en/of het gezicht en/of het oor slaan en/of stompen en/of haren uit het hoofd trekken en/of

- toevoegen van de (dreigende) woorden: "Wat wil je me geven?" en/of "Je gaat hier even rustig over nadenken en we gaan hier morgen op terugkomen.";

5.

hij op of omstreeks 18 november 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, op/in de richting van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 november 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 3]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een doorschot in het been), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk in/door het been te schieten;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 november 2012 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een pistool, althans een vuurwapen, op/in de richting van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

In de zaak met parketnummer 09/767040-13 (hierna ook: dagvaarding III (zaakdossier [zaaksnaam 4]))

1.

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 4] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek van die [slachtoffer 4] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 4] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek van die [slachtoffer 4] heeft/hebben gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte op of omstreeks 29 januari 2013 te Rotterdam en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, door belofte(n) en/of het verschaffen van middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte:

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] beloofd dat zij geld zou(den) ontvangen na het verrichten van een opdracht/verzoek om een persoon genaamd [slachtoffer 5] 'klappen te geven' en/of 'kapot te maken/slaan', althans letsel toe te brengen en/of

- een foto getoond van die [slachtoffer 5], althans een of meer toekomstige slachtoffer(s) en/of

- de informatie gegeven dat die [slachtoffer 5] tussen 22.00 - 23.00 uur de hond zou uitlaten en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] langs de woning van die [slachtoffer 5] laten rijden en/of

- de opdracht/instructie gegeven dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] (daar) geen telefoon aanwezig mocht(en) hebben en/of enig(e) andere instructie(s);

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 4]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meerdere (litteken(s) van (een)) snee(ën) in het gezicht/gelaat en/of verlamming/(gedeeltelijk) ontbreken van gevoel in het gezicht/gelaat), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 4] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek te snijden/steken;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 4]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meerdere (litteken(s) van (een)) snee(ën) in het gezicht/gelaat

en/of verlamming/(gedeeltelijk) ontbreken van gevoel in het gezicht/gelaat), heeft/hebben toegebracht, door deze [slachtoffer 4] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal in het gezicht en/of de hals/nek te snijden/steken,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte op of omstreeks 29 januari 2013 te Rotterdam en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, door belofte(n) en/of het verschaffen van middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte:

- die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] beloofd dat zij geld zou(den) ontvangen na het verrichten van een opdracht/verzoek om een persoon genaamd [slachtoffer 5] 'klappen te geven' en/of 'kapot te maken/slaan', althans letsel toe te brengen en/of

- een foto laten zien van die [slachtoffer 5], althans een of meer toekomstige slachtoffer(s) en/of

- de informatie gegeven dat die [slachtoffer 5] tussen 22.00 - 23.00 uur de hond zou uitlaten en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] langs de woning van die [slachtoffer 5] laten rijden en/of

- de opdracht/instructie gegeven dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] (daar) geen telefoon aanwezig mocht(en) hebben en/of enig(e) andere instructie(s);

nog meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een persoon (te weten [slachtoffer 4]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, heeft/hebben mishandeld, door deze [slachtoffer 4] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek te snijden/steken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meerdere (litteken(s) van (een)) snee(ën) in het gezicht/gelaat en/of

verlamming/(gedeeltelijk) ontbreken van gevoel in het gezicht/gelaat), in elk geval enig letsel, heeft opgelopen,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte op of omstreeks 29 januari 2013 te Rotterdam en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, door belofte(n) en/of het verschaffen van middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte:

- die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] beloofd dat zij geld zou(den) ontvangen na het verrichten van een opdracht/verzoek om een persoon genaamd [slachtoffer 5] 'klappen te geven' en/of 'kapot te maken/slaan', althans letsel toe te brengen en/of

- een foto laten zien van die [slachtoffer 5], althans een of meer toekomstige slachtoffer(s) en/of

- de informatie gegeven dat die [slachtoffer 5] tussen 22.00 - 23.00 uur de hond zou uitlaten en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] langs de woning van die [slachtoffer 5] laten rijden en/of

- de opdracht/instructie gegeven dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] (daar) geen telefoon aanwezig mocht(en) hebben en/of enig(e) andere instructie(s);

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te Rotterdam en/of te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] door in artikel 47, eerste lid, onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een belofte en/of het verschaffen van inlichtingen

en/of middelen en/of gelegenheid, te bewegen om [slachtoffer 5] van het leven te beroven, danwel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans enig letsel toe te brengen danwel pijn te doen, bestaande die belofte en/of het verschaffen van inlichtingen en/of middelen en/of gelegenheid uit:

- de belofte aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] dat zij geld zou(den) ontvangen na het verrichten van een opdracht/verzoek om een persoon genaamd [slachtoffer 5] 'klappen te geven' en/of 'kapot te maken/slaan', althans letsel toe te brengen en/of

- het tonen van een foto van die [slachtoffer 5], althans een of meer toekomstige slachtoffer(s) en/of

- het geven van de informatie dat die [slachtoffer 5] tussen 22.00 - 23.00 uur de hond zou uitlaten en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] langs de woning van die [slachtoffer 5] laten rijden en/of

- het geven van de opdracht/instructie dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] (daar) geen telefoon aanwezig mocht(en) hebben en/of enig(e) andere instructie(s),

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid (omdat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in plaats van die [slachtoffer 5] een ander heeft/hebben aangevallen en vervolgens is/zijn gevlucht);

In de zaak met parketnummer 09/827019-13 (hierna ook: dagvaarding IV (zaakdossier [zaaksnaam 3]))

1.

hij op of omstreeks 28 maart 2013 te 's-Gravenhage [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of een of meer andere perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tweemaal (in de lucht) geschoten met een

vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de aanwezigheid en/of nabijheid van die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7];

2.

hij op of omstreeks 28 maart 2013 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 6], welk geweld bestond uit slaan/stompen en/of schoppen en/of het geven van een kopstoot tegen het lichaam van die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 6];

3.

hij op of omstreeks 29 maart 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (een) hoeveelheid versnijdingsmiddel(en) fenacetine en/of lidocaïne (van totaal ongeveer 895,6 gram), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

4.

hij te 's-Gravenhage, op of omstreeks 29 maart 2013, munitie van categorie III, te weten 110, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 9 mm) en/of een patroon (kaliber .380 auto), voorhanden heeft gehad;

In de zaak met parketnummer 09/765041-13 (hierna ook: dagvaarding V (zaakdossiers [betrokkene 9] en [zaaksnaam 5]))

1.

hij op of omstreeks 16 mei 2012, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 april 2012 tot en met 1 juni 2012, te Den Haag [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

-een vuurwapen getoond aan die [slachtoffer 8] en/of

-dat vuurwapen gericht op die [slachtoffer 8] en/of

-dat vuurwapen doorgeladen;

2.

hij op of omstreeks 5 maart 2013 te Den Haag [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/heeft verdachte opzettelijk dreigend:

-voor de autodeur van de auto van die [slachtoffer 9]gaan staan (zodat die [slachtoffer 9] niet in zijn auto kon stappen en/of

-die [slachtoffer 9] bij zijn shirt en/of sjaal vastgepakt en/of

-(daarbij) die [slachtoffer 9] dreigend de woorden toegevoegd: "Je bent nog niet klaar met mij, je gaat eraan, je bent nog niet van mij af, je hebt geen leven meer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

-die [slachtoffer 9] dreigend de woorden toegevoegd: "Dit gaat om leven en dood, snap je" en/of "dan roei ik je hele familie uit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Voorvragen

3.1

Nietigheid van de dagvaarding in zaakdossier [zaaksnaam 1]?

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat het bij dagvaarding II onder 4 ten laste gelegde niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu onduidelijk is of aan verdachte afpersing of diefstal met geweld wordt verweten.

3.1.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich in reactie op dit verweer op het standpunt gesteld dat diefstal niet ten laste is gelegd en te kennen gegeven dat zij dit verweer daarom niet begrijpen.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onduidelijke tenlastelegging. Weliswaar wordt onderaan feit 4 artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) genoemd, maar uit de tenlastelegging blijkt genoegzaam dat aan verdachte afpersing wordt verweten en geen diefstal met geweld. De dagvaarding voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv en is daarom geldig.

3.2

De onschuldpresumptie

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie in de zaakdossiers [zaaksnaam 4] en [zaaksnaam 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging omdat de berechting van verdachte niet meer voldoet aan de eisen van een eerlijk proces zoals deze zijn neergelegd in artikel 6, onder 2, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Er is, aldus de verdediging, sprake van een onherstelbare schending van de onschuldpresumptie. De verdediging heeft daartoe - zakelijk samengevat - aangevoerd dat de rechtbank Den Haag zich in haar vonnissen in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) [dit betreft zaakdossier [zaaksnaam 4]] en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] of: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 10] (hierna: [slachtoffer 10] of: [slachtoffer 10] [slachtoffer 1]) [dit betreft zaakdossier [zaaksnaam 1]] heeft uitgelaten over de schuld van verdachte in die zaakdossiers. De overwegingen van de rechtbank gaan verder dan het noodzakelijke duiden van feiten die mede betrekking hebben op verdachte. De “rol” van verdachte en het “medeplegen” worden onmiskenbaar gewogen en dit wordt met bewijsmiddelen ondersteund, zo betoogt de verdediging.

3.2.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het voor de rechtbank die oordeelde over de medeverdachten in genoemde zaakdossiers noodzakelijk was om op details van in die dossiers afgelegde verklaringen in te gaan. De rechtbank ontkwam er volgens de officieren van justitie dan ook niet aan om ook verregaand in te gaan op de feitelijke rol van verdachte in het geheel. Maar nu de rechtbank die feitelijke rol niet juridisch heeft gekwalificeerd, kan niet gezegd worden dat de onschuldpresumptie is geschonden. Van niet-ontvankelijkverklaring kan dan ook geen sprake zijn.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Aan de door de verdediging aangevoerde omstandigheden - te weten dat deze rechtbank zich in een andere samenstelling van rechters bij het oordeel over medeverdachten heeft uitgelaten over de rol van verdachte - valt geen aanwijzing te ontlenen voor de juistheid van het betoog van de verdediging dat deze meervoudige strafkamer van de rechtbank, die de zaak van verdachte thans heeft te beoordelen, of één of meer van haar leden, in subjectieve zin niet onpartijdig is/zijn.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verdachte bestaande vrees dat (leden van) de rechtbank jegens hem een vooringenomenheid koesterden, in objectieve zin gerechtvaardigd is.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het ten laste gelegde bewezen acht, is het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen dat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Het enkele feit dat de rechters in de zaken van de medeverdachten, in het kader van het selecteren van te bezigen bewijsmiddelen, het noodzakelijk hebben geacht daarbij feiten en omstandigheden betreffende verdachte te benoemen en te bezigen, leidt er niet zonder meer toe dat de rechtbank in de huidige samenstelling, waarvan geen van de eerdergenoemde rechters deel uitmaken, thans niet (meer) onpartijdig over de zaak van verdachte zou kunnen oordelen. Zulks geldt temeer, nu de rechtbank op basis van het in het procesdossier opgenomen materiaal tot een eigen selectie van bewijsmiddelen zal komen en zij aan de hand daarvan de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv zal beantwoorden.

3.3

Vormverzuimen?

3.3.1

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat zich in het onderzoek dat de opmaat vormde voor de tenlasteleggingen die aan de rechtbank ter beoordeling voorliggen, vormverzuimen hebben voorgedaan. Gezien het aantal vormverzuimen waar het om gaat (het zijn er, volgens de verdediging, acht) en de aard van die verzuimen moet hieraan, aldus de verdediging, door de rechtbank een consequentie worden verbonden. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie is gerechtvaardigd, maar in ieder geval dient met de vormverzuimen volgens de verdediging rekening te worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat.

3.3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

In reactie op dit verweer hebben de officieren van justitie, gemotiveerd, betoogd dat zich in het voorbereidend onderzoek geen enkel vormverzuim heeft voorgedaan.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal hierna van ieder van de door de verdediging veronderstelde vormverzuimen vaststellen óf het om een dergelijk verzuim gaat en zo ja, of er aanleiding is om aan de omstandigheid dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan enig rechtsgevolg te verbinden.

Lekken van informatie door het onderzoeksteam “[zaaksnaam 6]” naar de pers?

Volgens de verdediging “heeft het er alle schijn van” dat van de kant van het onderzoeksteam “[zaaksnaam 6]” informatie over de zaak “[zaaksnaam 4]” is gelekt naar De Telegraaf. De verdediging heeft er in dit verband op gewezen dat het artikel dat op 25 april 2013 in De Telegraaf is gepubliceerd méér inhoudelijke informatie bevat over de zaak dan in het persbericht van het Openbaar Ministerie dat daags vóór de publicatie in De Telegraaf is uitgebracht, is verwoord.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de enkele omstandigheid dat De Telegraaf kennelijk over méér informatie over de zaak “[zaaksnaam 4]” beschikte dan het Openbaar Ministerie kort vóór de publicatie in die krant aan de buitenwereld had prijsgegeven, onvoldoende grond om aan te nemen dat De Telegraaf dús moet zijn geïnformeerd door het onderzoeksteam “[zaaksnaam 6]”. Ook andere personen die in die tijd over informatie betreffende deze zaak beschikten kunnen De Telegraaf, al dan niet op verzoek van die krant, hebben ingelicht.

Dat de verdediging in een eerder stadium heeft verzocht om op dit punt getuigen te horen, zodat zij haar stelling kracht zou kunnen bijzetten, en deze verzoeken door de rechter-commissaris in deze rechtbank en later (nogmaals) door de rechtbank zijn afgewezen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Ook toen was het oordeel van de rechter-commissaris en de rechtbank zoals het oordeel van de rechtbank nu is; de stelling van de verdediging ontbeert onderbouwing.

Van een vormverzuim is geen sprake.

De wijze van verhoren van medeverdachten [medeverdachte 1] en [slachtoffer 10] [slachtoffer 1]

Door de verdediging is aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 25 april 2013 niet volgens de regelen der kunst is verhoord. Aan [medeverdachte 1] is, aldus de verdediging, het hiervoor besproken artikel uit De Telegraaf voorgehouden en voorts is hij uitgebreid gevoed met de visie van één van de verhorende verbalisanten op de zaak “[zaaksnaam 4]” (waarin [medeverdachte 1] verdachte was), waarna hij, na dat verhoor, conform die informatie en die visie is gaan verklaren.

Het gaat de verdediging, zo begrijpt de rechtbank, met name om die elementen uit de verklaring van [medeverdachte 1] die betrekking hebben op de betrokkenheid van verdachte en zijn (mogelijke) motief.

De rechtbank stelt voorop dat de wijze waarop op 25 april 2013 bij [medeverdachte 1] een verhoor is afgenomen, niet fraai is te noemen. Weliswaar is indringend bevragen toegestaan en bestond hiervoor ook wel aanleiding (aangezien [medeverdachte 1] tot dan toe, aantoonbaar, onjuist had verklaard), echter tijdens dit verhoor verstrekken de verbalisanten aan [medeverdachte 1] informatie over de betrokkenheid van verdachte bij deze zaak (“opdrachtgever”) en zijn motief (“relationele problemen met [slachtoffer 11] en stalking van haar en haar familie”) en presenteren deze informatie, ten onrechte, als een gegeven. Bovendien gaan zij niet in op een herhaald verzoek van [medeverdachte 1] om met zijn advocaat te mogen spreken. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet gezegd worden dat [medeverdachte 1] vervolgens een verklaring is gaan afleggen die niet voortkomt uit eigen wetenschap, maar uitsluitend uit hetgeen hem door de verbalisanten tijdens het verhoor op 25 april 2013 is voorgehouden. Daartoe is het navolgende redengevend.

Daags na het verhoor van 25 april 2013 heeft [medeverdachte 1] te kennen gegeven dat hij opnieuw met de verbalisanten die hem op 25 april 2013 hadden verhoord wilde praten. Aan dit verzoek is gehoor gegeven en [medeverdachte 1] is op 29 april 2013 gehoord. Zijn advocaat heeft dit verhoor bijgewoond. Tijdens dit verhoor is [medeverdachte 1] na de vraag van de verbalisanten “wat wil je ons vertellen?” uitgebreid zijn verhaal gaan doen. Hierna, op 13 mei 2013, heeft [medeverdachte 1] ook nog weer een inhoudelijke verklaring afgelegd.

Tijdens laatstgenoemde verhoren heeft [medeverdachte 1] over het motief van verdachte informatie verstrekt die hij niet van de verbalisanten had vernomen. Zo heeft hij verklaard dat de vader van [slachtoffer 11] met de CIE zou hebben gesproken. Deze informatie stemt overigens overeen met hetgeen verdachte zelf ook heeft verklaard. Over de rol van verdachte heeft [medeverdachte 1] voorts onder andere verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] en hij de opdracht kregen [slachtoffer 5] te slaan of klappen te geven, terwijl de verbalisanten in het verhoor van 25 april 2013 suggereren dat verdachte de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 5] “een lesje te leren” of hem neer te steken.

Bij het voorgaande heeft de rechtbank ook nog meegewogen dat [medeverdachte 1] zelf op geen enkel moment te kennen heeft gegeven dat bedoeld verhoor op ongeoorloofde wijze had plaatsgevonden, dat hij onder druk was gezet en dat de inhoud van de processen-verbaal waarin de verhoren zijn weergegeven onjuist en/of onvolledig waren. Van de zijde van zijn advocaat zijn ook geen berichten met die strekking gekomen.

Van een vormverzuim is dus geen sprake.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat ook tijdens het verhoor van [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] van 14 mei 2013 (in de zaak “[zaaksnaam 1]”) door de verbalisanten al in een vroeg stadium motieven, gebeurtenissen en dergelijke zijn aangereikt door de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2]) en van getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en medeverdachte [slachtoffer 1] (vrijwel) integraal aan [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] voor te lezen. Aan [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] is ook medegedeeld dat verdachte op dat moment in voorlopige hechtenis zat vanwege een schietpartij bij zijn zusje. De verklaringen die [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] hierna heeft afgelegd zij volledig ingekleurd door de aangereikte informatie, hetgeen een beoordeling van zijn redenen van wetenschap en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen onmogelijk maakt, aldus de verdediging.

Juist is, zoals de verdediging heeft betoogd, dat aan [slachtoffer 10] [slachtoffer 1], nog voordat hij over de zaak enige inhoudelijke verklaring had afgelegd, de volledige verklaring van aangever [slachtoffer 2] is voorgelezen en vervolgens, kort hierna, delen uit de verklaring van [getuige 1] en [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke wijze van verhoren van een verdachte niet de schoonheidsprijs verdient; het risico van “kleuring” van de verklaring die de verdachte vervolgens aflegt, is zeer wel aanwezig. Wanneer de na voorlezing van genoemde verklaringen afgelegde verklaring van [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] echter nader wordt bezien, moet de conclusie zijn dat [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] niet door de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 1] en evenmin door andere informatie is beïnvloed.

Allereerst valt op dat de aanleiding die [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] noemt voor het treffen in de woning van [verdachte] een deels andere is dan de door aangever [slachtoffer 2], getuige [getuige 1] en medeverdachte [slachtoffer 1] genoemde aanleiding. De verklaringen van [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] over de precieze handelingen van verdachte wijken voorts ook af van hetgeen de andere hiervoor genoemde personen hierover verklaren. Hetzelfde geldt voor zijn verklaringen over de rol van [slachtoffer 1] . Van belang is ten slotte dat [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij iemand een “rotgooi” heeft gegeven en [slachtoffer 2] een “beuk”, terwijl [slachtoffer 2], [getuige 1] en [slachtoffer 1] aan [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] geen geweldshandelingen toedichten. Over de verklaring van [slachtoffer 1] heeft [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] bovendien gezegd dat deze tal van onjuistheden bevat.

Wat voor [medeverdachte 1] geldt, geldt overigens ook voor [slachtoffer 10] [slachtoffer 1]. Hij noch zijn advocaat hebben ooit gemeld dat de verklaringen van de [slachtoffer 1] niet juist waren.

Ook op dit punt is van een vormverzuim dus geen sprake.

Werd er al eerder op verdachte gerechercheerd dan het dossier wil doen geloven?

Door de verdediging is aangevoerd dat het dossier van de zaken die thans ter beoordeling aan de rechtbank voorliggen wil laten geloven dat verdachte pas na het steekincident dat op 29 januari 2013 plaatsvond in beeld is gekomen bij, wat later is gaan heten, het onderzoeksteam “[zaaksnaam 6]”, maar dat uit een aantal verklaringen van getuigen naar voren komt dat er al veel eerder op verdachte werd gerechercheerd. Het dossier is, wat dit betreft, niet transparant, aldus de verdediging.

Uit de passages uit de getuigenverklaringen die de verdediging heeft aangehaald valt heel wel af te leiden dat de naam van verdachte in contacten van de politie met anderen ook vóór 29 januari 2013 wel eens is gevallen. Die passages bieden echter, anders dan de verdediging meent, geen grond voor de aanname dat er toen al een onderzoek liep naar verdachte dat een zodanige vorm aannam dat dit relevant zou kunnen zijn voor de beoordeling van de zaken die thans aan de rechtbank voorliggen en dat hiervan om die reden in het dossier melding had moeten worden gemaakt. Van een vormverzuim is, ook op dit punt, dus geen sprake.

Het benaderen door één van de officieren van justitie van een door de verdediging aangedragen getuige

De verdediging heeft er voorts op gewezen dat één van de officieren van justitie [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), nog vóórdat hij, op verzoek van de verdediging, (in de zaak “[zaaksnaam 1]”) als getuige werd gehoord, heeft benaderd en gevoed met informatie.

In reactie op dit verweer hebben de officieren van justitie naar voren gebracht dat de door de verdediging over [getuige 2] verstrekte informatie zodanig summier was dat een zoektocht nodig was om te achterhalen op welke persoon de verdediging het oog had. In het kader van die zoektocht was het volgens de officieren van justitie noodzakelijk om enige informatie over de zaak “[zaaksnaam 1]” te verstrekken; alleen dan kon worden beoordeeld of de aangezochte persoon de juiste persoon was, aldus de officieren van justitie. Volgens de officieren van justitie is van beïnvloeding van getuige [getuige 2] dan ook geen sprake geweest.

De uitleg van de officieren van justitie acht de rechtbank plausibel. In dit kader weegt de rechtbank ook nog mee dat aan [getuige 2], volgens zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, niet méér informatie is verstrekt dan dat de naam “[slachtoffer 2]” is genoemd en dat is gezegd dat getuige [getuige 2] twee jaar geleden met hem zou hebben gesproken. Het gaat dus om beperkte informatie. Overigens is de verdediging, na de uitleg van de officieren van justitie, in dupliek op dit punt niet meer teruggekomen. Van enig vormverzuim is dus geen sprake.

Het “wegmaken” van bewijs in de zaak “[zaaksnaam 3]”

De verdediging heeft betoogd dat de politie in het onderzoek in de zaak “[zaaksnaam 3]” (cruciale) sporen heeft vernietigd door het op het perceel [adres 2] te [plaats] aangetroffen vuurwapen schoon te maken alvorens enig onderzoek aan dat wapen kon worden verricht.

Uit het dossier komt naar voren dat het op de plaats delict van de zaak “[zaaksnaam 3]” aangetroffen vuurwapen, kort na de vondst daarvan, inderdaad is schoongemaakt. Enig onderzoek aan dat wapen was als gevolg daarvan niet meer mogelijk. Over deze kwestie is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en dit proces-verbaal is in het dossier gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vormverzuim. Het zorgvuldig omgaan met aangetroffen bewijs (zodat bijvoorbeeld onderzoek en eventueel contra-onderzoek kan worden gedaan) heeft immers te gelden als een strafprocesrechtelijk ongeschreven vormvoorschrift. Het betreft ook een onherstelbaar vormverzuim.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of aan dit vormverzuim enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Volgens de verdediging zou dit ófwel niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie moeten zijn ófwel vermindering van de (eventueel op te leggen) straf.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van een vormverzuim waarmee een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van en behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor de uitzonderlijke sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie is dan ook geen plaats. Er is weliswaar sprake van een omissie, maar uit niets blijkt van een vooropgezet plan of bedoeling om eventuele sporen op het aangetroffen vuurwapen te wissen. Dat van enig nadeel sprake is, is ook overigens niet aannemelijk geworden. De verdediging heeft enig nadeel voor verdachte ook niet geduid. Zoals hierna zal blijken, speelt het aangetroffen vuurwapen in de zaak “[zaaksnaam 3]“ geen rol in enige bewijsvraag.

De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over mogelijk nadeel voor verdachte, ook geen aanleiding om met het geconstateerde vormverzuim bij het bepalen van de strafmaat (zo dit aan de orde is) rekening te houden.

Het verzuim kan dus zonder consequentie blijven.

Het proces-verbaal van uitluisteren OVC in de zaak “[zaaksnaam 5]”

In het proces-verbaal uitluisteren OVC ontmoeting Kurhaus wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“[slachtoffer 9] [[slachtoffer 9], toevoeging rechtbank] wordt aangesproken door een nn-vrouw die zegt dat zij het kenteken voor hem heeft genoteerd (…). Gesprek gaat vervolgens verder tussen [slachtoffer 9] en nn-vrouw over wat er zojuist is gebeurd.”

Door de verdediging is aangevoerd dat bij het uitluisteren van de opname is gebleken dat de in het proces-verbaal gepresenteerde “nn-vrouw”, getuige de dingen die zij zegt, in werkelijkheid een politieagente is (die lid lijkt te zijn van het onderzoeksteam “[zaaksnaam 6]”). Het optreden van die agente geeft volgens de verdediging bovendien te denken, nu zij niet, zoals van haar mocht worden verwacht, de rust terugbrengt bij aangever [slachtoffer 9] (die net een gesprek heeft gevoerd met verdachte en aangaf door hem te zijn bedreigd), maar eerder de angst bij hem aanwakkert.

De rechtbank is van oordeel dat het beter was geweest over de interventie van de “nn-vrouw” uitvoeriger te verbaliseren dan thans het geval is geweest. Van een vormverzuim kan echter niet worden gesproken. Het optreden van de politieagente is, ook als moet worden aangenomen dat zij lid was van het onderzoeksteam “[zaaksnaam 6]”, misschien opmerkelijk te noemen, maar ook dit levert geen vormverzuim op. Bij dit alles weegt de rechtbank ook mee dat het gedeelte van de geluidsopname dat door de verdediging aan de kaak is gesteld, na een verzoek van de verdediging daartoe, ter terechtzitting is beluisterd. De rechtbank heeft er dus kennis van kunnen nemen en zij kan dit bij de beoordeling van de tenlastelegging in zaakdossier ‘[zaaksnaam 5]’ betrekken. Van belang is voorts dat het niet-verbaliseren van het gesprekje van [slachtoffer 9] met de “nn-vrouw” het daaraan voorafgegane gesprek tussen [slachtoffer 5] en verdachte niet kleurt. Laatstbedoeld gesprek is letterlijk uitgewerkt in het proces-verbaal en van de zijde van de verdediging is niet aangevoerd dat die uitwerking onjuistheden bevat.

Van een vormverzuim is dus geen sprake.

Het verstrekken van het dossier in de zaak “[zaaksnaam 4]” aan de familie [slachtoffer 5]

De verdediging heeft aangevoerd dat het dossier van de zaak “[zaaksnaam 4]” aan de familie [slachtoffer 5] is verstrekt op een moment dat voor het Openbaar Ministerie volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat meerdere leden van die familie nog zouden worden opgeroepen om te worden gehoord als getuige in genoemde zaak. Hierdoor ontstond de situatie, aldus de verdediging, dat de leden van de familie [slachtoffer 5] op basis van onderzoeksbevindingen overleg met elkaar konden hebben en dit kan de zuiverheid van herinnering hebben beïnvloed alsmede de redenen van wetenschap. Voor de verstrekking bestond, mede gelet op hetgeen een aantal leden van de familie [slachtoffer 5] hebben verklaard, volgens de verdediging ook geen noodzaak. Een en ander is in strijd met het “fair trial-beginsel”. Bovendien hebben de officieren van justitie in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 177a Sv door de rechter-commissaris die leden van de familie [slachtoffer 5], op verzoek van de verdediging als getuigen ging horen, niet voor het afnemen van die verhoren van de verstrekking van het dossier op de hoogte te stellen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de familie [slachtoffer 5] in de zaak “[zaaksnaam 4]” als slachtoffers kunnen worden aangemerkt. Volgens het bepaalde in artikel 51a Sv heeft als slachtoffer immers te gelden degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Zolang nog geen definitieve beslissing is genomen over de vraag of een strafbaar feit heeft plaatsgevonden (en in dit geval was die beslissing er nog niet), wordt, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis betreffende artikel 51a Sv, als slachtoffer aangemerkt degene die op redelijke gronden stelt slachtoffer te zijn geworden van een strafbaar feit. Vast staat dat in de zaak “[zaaksnaam 4]” sprake is geweest van een persoonsverwisseling; [slachtoffer 4] (hierna ook: [slachtoffer 4]) is getroffen, maar dit had [slachtoffer 5] moeten zijn. Deze persoonsverwisseling is ook in de tenlastelegging in de zaak “[zaaksnaam 4]” tot uitdrukking gebracht. Bovendien heeft de familie [slachtoffer 5] als gevolg van de gebeurtenissen van 29 januari 2013 lange tijd in een “safe-house” verbleven. Een en ander maakt hen tot slachtoffer in de zin van genoemd wetsartikel.

De rechtbank stelt voorop dat zij er van uitgaat dat het dossier in de zaak “[zaaksnaam 4]” op verzoek van de familie [slachtoffer 5] aan hen is verstrekt. Dit volgt uit een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van de officier van justitie die het dossier heeft laten overhandigen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van dat proces-verbaal te twijfelen, temeer nu de betreffende officier van justitie in dat proces-verbaal refereert aan een, door haar teruggevonden en nogmaals gelezen, e-mailbericht, waarin vermeld zou staan dat, en waarom, [slachtoffer 12] om verstrekking van het dossier heeft gevraagd. De enkele omstandigheid dat [slachtoffer 11] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat er niet om het dossier is gevraagd, weegt hiertegen onvoldoende op.

De rechtbank gaat er voorts van uit dat het dossier in de zomer van 2013 aan de familie [slachtoffer 5] is verstrekt. Dit volgt niet alleen uit voornoemd proces-verbaal van de officier van justitie, maar ook uit de bij de rechter-commissaris door leden van de familie [slachtoffer 5] afgelegde verklaringen. Vast staat bovendien dat de verklaringen die de leden van de familie [slachtoffer 5] hebben afgelegd alle dateren van ná de zomer van 2013, dus van ná het moment waarop het dossier is verstrekt.

Ingevolge artikel 51b, eerste lid, Sv wordt op verzoek van het slachtoffer door de officier van justitie toestemming verleend om kennis te nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn. Dit recht van het slachtoffer is niet absoluut; de officier van justitie kan de kennisneming van stukken weigeren, voor zover hier van belang, indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid, Sv vermelde belangen (artikel 51b, derde lid, Sv). Weigering is mogelijk indien 1. een getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd, 2. een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad of 3. het belang van de staatsveiligheid wordt geschaad.

Door de officieren van justitie is naar voren gebracht dat de familie [slachtoffer 5] tot de zomer van 2013 van de politie en het Openbaar Ministerie nog nauwelijks informatie verstrekt had gekregen over het lopende onderzoek en, in het bijzonder, de reden waarom zij in een “safe-house” waren ondergebracht. Het belang van de familie om méér te weten woog op het moment van verstrekking van de stukken volgens de officieren van justitie op tegen het belang dat leden van de familie [slachtoffer 5] een getuigenverklaring zouden gaan afleggen voordat zij kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van die stukken. Van belang in dit verband is, aldus de officieren van justitie, ook geweest dat geen enkel lid van de familie [slachtoffer 5] getuige is geweest van het geweld dat op 29 januari 2013 op [slachtoffer 4] is toegepast.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie die het dossier van de zaak “[zaaksnaam 4]” in de zomer van 2013 aan de familie [slachtoffer 5] verstrekte daartoe, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet heeft kunnen overgaan. Naar het oordeel van de rechtbank verzette een zwaarwegend opsporingsbelang zich, op dat moment, tegen die verstrekking. In de zomer van 2013 was de kans groot dat de verdediging zou verzoeken om leden van de familie [slachtoffer 5] als getuige te horen, nu zij ook door de politie waren gehoord en belastende verklaringen over verdachte hadden afgelegd. Weliswaar is juist dat geen enkel lid van genoemde familie verklaarde getuige te zijn geweest van het hetgeen [slachtoffer 4] is overkomen, maar zij hebben wel uitvoerige verklaringen afgelegd over de banden die zij hadden met verdachte, zijn handelwijze voorafgaand aan de gebeurtenissen van 29 januari 2013 en zijn (mogelijke) motieven.

De rechtbank is van oordeel dat als getuigen de beschikking krijgen over het volledige strafdossier, het, aanmerkelijke, risico bestaat dat de verklaringen die zij daarna gaan afleggen niet meer als “onbevangen” kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van het, door de officieren justitie aangeduide belang aan de zijde van de familie [slachtoffer 5] overweegt de rechtbank dat voor de stelling dat zij méér informatie wensten over de zaak dan hen tot nu toe was verstrekt, geen steun kan worden gevonden in het dossier. Dit volgt evenmin uit de verklaringen van de leden van de familie [slachtoffer 5] en ook in het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van de officier van justitie die het dossier heeft verstrekt, wordt dit niet vermeld.

Aldus is sprake van een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan dit verzuim enig rechtsgevolg te verbinden, nu zij, zoals uit het hierna volgende zal blijken, geen enkele van de door de leden van de familie [slachtoffer 5] afgelegde verklaringen voor het bewijs zal bezigen.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Uit het dossier komt naar voren dat de rechter-commissaris pas tijdens het verhoor van [slachtoffer 11], dat plaatsvond op 20 november 2013, op de hoogte is geraakt van het feit dat het dossier van de zaak “[zaaksnaam 4]” aan de familie [slachtoffer 5] was verstrekt. Deze omstandigheid levert, anders dan de verdediging meent, echter geen schending op van het bepaalde in artikel 177a Sv. Dit artikel heeft betrekking op de informatieplicht van de officier van justitie wanneer deze een vordering richt tot de rechter-commissaris. In dit geval was geen sprake van enige vordering van de kant van de officieren van justitie in de zaak “[zaaksnaam 4]”.

Het bezoek van verbalisant [verbalisant 2] aan de woning van de familie [slachtoffer 5]

Door de verdediging is er op gewezen dat de familie [slachtoffer 5] pas zeer laat op de hoogte is gesteld van de omstandigheid dat de persoon die kort voor de gebeurtenissen van 29 januari 2013 bij hen aan de deur kwam, niet, zoals zij dachten, een kompaan van verdachte was, maar een verbalisant van politie. Het niet tijdig melden aan de familie [slachtoffer 5] van deze omstandigheid heeft de verklaringen die zijn afgelegd, volgens de verdediging gekleurd.

De rechtbank is van oordeel dat, wat er van deze omstandigheid ook zij, van een vormverzuim niet kan worden gesproken. Niet kan immers worden gezegd dat sprake is geweest van het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift.

Eindconclusie

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het verweer van de verdediging faalt.

3.4

Verzoek tot het horen van de leider onderzoek

Door de verdediging is ter terechtzitting van 1 juli 2014 verzocht de leider van het
“[zaaksnaam 6]- onderzoek” te (laten) horen over het moment waarop het onderzoek tegen verdachte daadwerkelijk is aangevangen.

De officieren van justitie hebben zich verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

De rechtbank overweegt als volgt. De datum van aanvang van het onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang voor enige te nemen beslissing in deze zaak. Van enige noodzaak tot het horen van de leider onderzoek is daarmee niet gebleken. Weliswaar heeft verdachte in zijn verdediging de nodige aandacht gevraagd voor de insteek van het onderzoek vanuit de politie en het feit dat de recherche Haaglanden op verdachte als persoon zou rechercheren, maar dat leidt niet zonder meer tot een belang dat in het kader van de door de rechtbank te beantwoorden vragen, het horen van genoemde persoon noodzakelijk maakt.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Ten aanzien van dagvaarding I (zaakdossier [zaaksnaam 7])

4.1.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aan verdachte (primair) ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Indien de rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, dient zij de vraag te beantwoorden of een bewezenverklaring kan volgen voor de/(het) aan verdachte (subsidiair) ten laste gelegde (medeplegen van) mishandeling.

4.1.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring kan volgen voor het aan verdachte primair ten laste gelegde. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt volgens de officieren van justitie ondersteund door het (getapte) telefoongesprek dat hij direct na de gebeurtenis met zijn broer heeft gevoerd en door het feit dat hij kort na dat telefoongesprek aangifte deed en toen geconstateerd werd dat hij letsel had aan zijn gezicht en bloed op zijn shirt.

4.1.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer 1] niet als geloofwaardig en waarheidsgetrouw kan worden geïnterpreteerd en dus niet als bewijs kan dienen.

4.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Ter beantwoording van de vraag of verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] dan wel hem tezamen en in vereniging met een ander heeft mishandeld, overweegt de rechtbank als volgt.

De verklaringen en bevindingen in het dossier

[slachtoffer 1] heeft als volgt verklaard. Vanwege een geldbedrag dat hij van verdachte zou krijgen, had hij (telefonisch) met hem afgesproken bij [bedrijf] aan de [adres 3] in Den Haag. Daar aangekomen belde hij met verdachte en zei dat hij er was. Verdachte vroeg hem vervolgens binnen te komen, maar [slachtoffer 1] wilde dat niet. Hij zag vervolgens dat [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3] ) naar buiten kwam en naar de bestuurderszijde van de auto van [slachtoffer 1] liep. Hij trok het portier open en pakte [slachtoffer 1] direct met kracht bij zijn keel en kneep hard in zijn nek. [slachtoffer 1] voelde dat hij een harde klap in zijn gezicht kreeg en zag dat [medeverdachte 3] hem op dat moment sloeg met zijn vuist. Vervolgens zag [slachtoffer 1] dat verdachte hem twee keer een stomp in zijn gezicht gaf. Hij zag kans het portier dicht te trekken en hij is vervolgens weggereden.

[slachtoffer 10] [slachtoffer 1], de broer van [slachtoffer 1], heeft als volgt verklaard. Hij werd om 21.25 uur gebeld door zijn broer. Hij hoorde dat zijn broer overstuur was. Zijn broer vertelde hem dat hij zojuist was geslagen door verdachte en [medeverdachte 3]. Hij hoorde dat zijn broer aangeslagen klonk.

Zowel verdachte als [medeverdachte 3] hebben ontkend [slachtoffer 1] te hebben mishandeld. Beiden hebben [slachtoffer 1] wel eens ontmoet in [bedrijf] aan de [adres 3], maar zij hebben toen niemand mishandeld, zo hebben zij verklaard.

Uit de telefoongegevens van [slachtoffer 1] van 22 december 2011 blijkt het volgende.

  • -

    Om 19.44.18 uur belt verdachte naar [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] vraagt of verdachte vanavond gaat betalen, waarop verdachte antwoordt dat dit het geval was.

  • -

    Om 20.31.46 uur belt verdachte naar [slachtoffer 1] en meldt dat hij op dat moment voor de deur van [betrokkene 10] staat.

  • -

    Om 21.22.29 uur belt [slachtoffer 1] naar verdachte en vertelt hem dat hij voor de deur staat. Verdachte vraagt hem binnen te komen, maar [slachtoffer 1] geeft aan dat niet te willen.

  • -

    Om 21.24.52 uur belt [slachtoffer 1] naar zijn broer [slachtoffer 10] en zegt het volgende: “Weet je wat hij doet [slachtoffer 10], komt hij met die kankerwout naar buiten. Ik zit in de auto, ik zit in de gordel”. “Vervolgens slaat hij me vol op mijn gezicht vanaf de zijkant”. “Samen met die andere jongen”. “Die [medeverdachte 3], die agent”. [slachtoffer 10] vraagt hierna of [medeverdachte 3] hem heeft geslagen, waarop [slachtoffer 1] antwoordt: “Ja, ook ja”. En vervolgens: “Hij sloeg me vol op mijn neus, ik heb een bloedneusje. [slachtoffer 10] vraagt vervolgens of verdachte hem heeft geslagen op zijn neus, waarop [slachtoffer 1] antwoordt: “Ja, twee keer”.

Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende de verkeersgegevens van de telefoons van verdachte, [medeverdachte 3] en [slachtoffer 1] op 22 december 2011 komt het volgende naar voren.

  • -

    Om 20.31.46, 21.22.33, 21.23.22 en 21.23.48 uur is er contact geweest tussen het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer en het telefoonnummer dat bij [slachtoffer 1] in gebruik is. Om 21.22.33 en 21.23.48 uur maakt de telefoon van verdachte gebruik van de zendmast op de [adres 4] te Den Haag. Deze zendmast is hemelsbreed ongeveer 483 meter vanaf de [adres 3], alwaar [bedrijf] gevestigd is, gelegen.

  • -

    Om 20.24.10, 20.32.15, 20.34.54 en 20.35.12 uur is er contact geweest tussen het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer en het bij [medeverdachte 3] in gebruik zijnde telefoonnummer.

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen verklaringen bevat van getuigen die hebben gezien dat [slachtoffer 1] door verdachte of door [medeverdachte 3] bij zijn keel is vastgepakt en is geslagen en geschopt. Het dossier bevat voorts geen verklaring van een getuige die heeft gezien dat verdachte zich tussen 21.22 uur en 21.24 uur bij [bedrijf] aan de [adres 3] bevond. Aan de hand van de zendmastgegevens kan de exacte locatie van verdachte in dat korte tijdsbestek niet worden vastgesteld. Er kan slechts worden gesteld dat verdachte zich op voornoemde tijdstippen in de buurt van de [adres 3] heeft bevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier slechts één bewijsmiddel ten aanzien van de kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, namelijk het door hem, samen met een ander, plegen van geweld richting [slachtoffer 1], en dat is de verklaring (zijnde de aangifte) van [slachtoffer 1]. Weliswaar wordt de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteund door het getapte telefoongesprek dat [slachtoffer 1] om 21.24.52 uur met zijn broer voert, maar hetgeen in dat gesprek wordt gezegd over wat er is gebeurd komt uitsluitend van aangever en vormt om die reden geen steunbewijs voor de aangifte.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], dan wel hem samen met een ander heeft mishandeld. De verklaring van [slachtoffer 1], tezamen met de tap van het telefoongesprek dat [slachtoffer 1] met zijn broer heeft gevoerd, vormt onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het aan hem primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

4.2

Ten aanzien van dagvaarding II (zaakdossier [zaaksnaam 1])

4.2.1

Inleiding1

In deze zaak kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] in de woning van verdachte aan de [adres 5] in Den Haag is geweest.2 In die woning waren toen ook [slachtoffer 1] , [slachtoffer 10] [slachtoffer 1], [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en nog een tweetal andere (onbekend gebleven) personen aanwezig. In deze woning heeft verdachte [slachtoffer 2] met een vuurwapen bedreigd.3 Hij heeft het vuurwapen in de mond van [slachtoffer 2] gestopt4 en hem met de vlakke hand geslagen.5

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank zal allereerst nagaan en vaststellen wat er feitelijk heeft plaatsgevonden. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met anderen [slachtoffer 2] heeft bedreigd, mishandeld en van zijn vrijheid heeft beroofd. In dat verband zal de rechtbank ook de vraag beantwoorden of verdachte een verwijtbaar aandeel heeft gehad in de vermeende afpersing van [slachtoffer 2] en of, zoals door de verdediging is bepleit, sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 1 en feit 4.

4.2.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle vier ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het onder feit 2 ten laste gelegde uittrekken van haren. De officieren van justitie achten wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten heeft gehandeld. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.

[slachtoffer 2] was op uitnodiging van verdachte naar zijn woning gekomen. Daarnaast had verdachte gezorgd voor de aanwezigheid van meerdere personen in de woning, die allen aanwezig waren vóórdat [slachtoffer 2] aankwam en die zich hadden verschanst in de slaapkamer. Verdachte had dan ook, kort gesteld, het opzet op de bedreiging, de mishandeling, de wederrechtelijke vrijheidsberoving en op de daarop gerichte samenwerking met zijn medeverdachten, alsook het opzet op de afpersing in vereniging van het bedrag van € 1.500,-.

In reactie op de door de verdediging gevoerde verweren hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat de dreiging in de woning doorwerkte in de daarop volgende autorit. Hoewel verdachte tijdens deze autorit niet aanwezig was, heeft hij, met de bedoeling dat [slachtoffer 2] geld zou afstaan, de verschillende personen vanuit zijn woning laten vertrekken. Van eendaadse samenloop van feit 1 en feit 4 is volgens de officieren van justitie geen sprake.

4.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over feit 3, zij het niet voor wat betreft de laatste twee gedachtestreepjes, omdat verdachte volgens de verdediging geen aandeel heeft gehad in de bij die gedachtestreepjes ten laste gelegde handelingen. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat, als het gaat om de ten laste gelegde bedreiging met openlijke geweldpleging, niet is voldaan aan de vereisten die gelden voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “openlijk”. Wat betreft feit 2 heeft volgens de verdediging te gelden dat er bij verdachte geen vooropgezet plan bestond om [slachtoffer 2] te slaan. Ten aanzien van feit 4 is door de verdediging aangevoerd dat de sprake is van een eendaadse samenloop met feit 1. Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 10] [slachtoffer 1] onbetrouwbaar is. Bij het verhoor van [slachtoffer 10] is een verhoortechniek toegepast waarbij aan hem diverse motieven en gebeurtenissen zijn aangereikt, aldus de verdediging.

4.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging

4.2.4.1 Wat is er feitelijk gebeurd?

Ter beantwoording van de vraag wat er feitelijk heeft plaatsgevonden, neemt de rechtbank het navolgende in aanmerking.

De verklaringen van [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat hij op 23 juli 20126 werd gebeld door verdachte met de mededeling dat hij het geld dat verdachte hem schuldig was, rond 23.30 uur7 kon komen ophalen in de woning van verdachte. Deze som geld bedroeg € 12.000,- en hield verband met een eerdere lening en een kilo cocaïne. [slachtoffer 2] is diezelfde avond door zijn vriend, getuige [getuige 1], bij de woning van verdachte afgezet. Na binnenkomst vroeg verdachte aan [slachtoffer 2]: “Je krijgt toch nog € 12.000,- van mij?”. [slachtoffer 2] kreeg kort hierna een klap van verdachte op zijn oor.8 Later bleek dat de binnenzijde van zijn oor gescheurd was. Vervolgens zei verdachte tegen een in de woning aanwezige man: “Laat ze maar binnenkomen”, waarna in totaal vijf personen uit de slaapkamer kwamen.9 herkende in die personen [slachtoffer 1], [slachtoffer 10] en [betrokkene].10 Door verdachte werd een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer 2] gezet en later werd ook de loop van dit pistool in zijn mond gestopt. [slachtoffer 2] hoorde [slachtoffer 10] zeggen dat hij zou worden afgeschoten. Ook hoorde hij zeggen: “Maak hem af”11 dan wel, door [slachtoffer 10]: “We maken hem af, we maken hem af”.12 Tevens hoorde hij [slachtoffer 10] zeggen dat ze hem in zijn kont gingen neuken of dat hij verkracht zou worden. [slachtoffer 1] heeft hij niets horen zeggen. [slachtoffer 2] werd door [slachtoffer 10] minimaal drie keer met zijn rechterelleboog op zijn borst geslagen. Deze klappen waren erg hard en met veel kracht, aldus [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] heeft hem één keer geslagen op zijn rechteroog, waardoor zijn oog ging bloeden.13 [slachtoffer 10] sloeg volgens [slachtoffer 2] het meest.14

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij de enige in de woning was die bedreigd werd15 en dat hij zo’n twee uur gevangen is gehouden. Hij wilde graag weg, maar dat kon niet.16 [slachtoffer 2] heeft verder verklaard dat hij de blote voeten van verdachte moest kussen. Ook zijn er haren (of één haar) uit zijn hoofd getrokken. Volgens [slachtoffer 2] heeft [slachtoffer 10] desgevraagd aan verdachte medegedeeld dat hij nog € 5.000,- van [slachtoffer 2] kreeg. [slachtoffer 1] zei hierop dat [slachtoffer 2] twee auto’s en een Breitling-horloge zou bezitten. Verdachte vroeg vervolgens aan [slachtoffer 2]: “Wat wil je me geven” en “Jij gaat hier rustig over nadenken en we gaan hier morgen op terugkomen”.

Verdachte zei tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 10] en [betrokkene], zo heeft [slachtoffer 2] voorts verklaard, dat zij met [slachtoffer 2] mee moesten rijden en het geld uit de winkel van [slachtoffer 2] moesten halen. [slachtoffer 2] is hierna met vijf man in de auto van [slachtoffer 1] gaan zitten. [slachtoffer 1] bestuurde de auto en [slachtoffer 10] zat naast [slachtoffer 1] voorin. Rond half twee, kwart voor twee ’s nachts kwamen zij aan bij de winkel van [slachtoffer 2] aan de [adres 10]. [slachtoffer 2] werd verteld dat hij binnen twee minuten weer terug moest zijn. [slachtoffer 2] heeft vervolgens € 1.500,- aan [slachtoffer 10] gegeven. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 10] ook geld aan [slachtoffer 1] gaf. Het geld werd onderling verdeeld, waarbij alleen [betrokkene] geen geld aannam. Daarna mocht [slachtoffer 2] gaan.

De verklaringen van getuige [getuige 1]

heeft bevestigd dat [slachtoffer 2] een sms-bericht of telefoontje kreeg van ‘[verdachte]’ (de rechtbank begrijpt: verdachte17) en dat hij [slachtoffer 2] naar de woning van verdachte heeft gebracht. Nadat hij zo’n twintig minuten beneden had staan wachten kwam een persoon, die hij herkende als [slachtoffer 10], naar beneden en deze vroeg hem mee naar boven te gaan. Daarbij vermeldde [slachtoffer 10]: “Ik bescherm je tegen alles”. Boven moest [getuige 1] zijn telefoon inleveren. In de woning zag hij vijf, zes of zeven man staan. Hij herkende [slachtoffer 1], een broer van [slachtoffer 10]. [getuige 1] voelde een spanning. Er werd met flinke stemverheffing gesproken en zelfs geschreeuwd tegen [slachtoffer 2].18 [slachtoffer 2] zou zich niet aan afspraken hebben gehouden en zou geld moeten gaan halen. Ook [slachtoffer 1] en [slachtoffer 10] deden mee aan het bekvechten.19 zag verder dat [slachtoffer 2] in nood was en een strakke en angstige blik in zijn ogen had.20

De verklaring van medeverdachte [betrokkene]

heeft verklaard dat hij door [slachtoffer 10] was gevraagd om mee te gaan naar een gesprek. [slachtoffer 10] dacht dat het uit de hand zou kunnen lopen en [betrokkene] ging mee als een soort voorzorgsmaatregel, een back-up.21 gaf aan dat ze in een slaapkamer terechtkwamen en zouden worden geroepen als [slachtoffer 2] er was. Hij was daar met twee onbekenden en met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 10].22

[betrokkene] heeft voorts verklaard dat [slachtoffer 2] werd geslagen door [slachtoffer 1], [slachtoffer 10] en een derde onbekende man en dat er elleboogstoten werden gegeven.23 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 10] hebben niet echt harde klappen gegeven; zij sloegen meer om hem (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan te moedigen. Ook werd er door verdachte een vuurwapen op de mond van [slachtoffer 2] gericht en moest [slachtoffer 2] daarna zijn mond open doen.24 [betrokkene] gaf verder aan dat het over geld ging. [slachtoffer 2] moest geld betalen omdat hij wat schuldig was. Dit werd door [slachtoffer 10] en verdachte tegen hem gezegd. [slachtoffer 2] moest ook de voeten van verdachte kussen en was volgens [betrokkene] bang.25

De verklaringen van [slachtoffer 10] [slachtoffer 1]

[slachtoffer 10] heeft verklaard dat hij voor [slachtoffer 2] een afspraak had gemaakt met verdachte. [slachtoffer 10] is samen met [slachtoffer 1] en [betrokkene] naar het huis van verdachte gegaan, alwaar verdachte aanwezig was. Daarna kwamen er nog twee andere, onbekende personen. [slachtoffer 2] arriveerde als laatste.26 [slachtoffer 10] stond met [slachtoffer 1], [betrokkene] en een andere jongen in de slaapkamer toen de deurbel ging.27 Verdachte richtte een vuurwapen op [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en alle anderen. Verdachte had het pistool volgens [slachtoffer 10] op het hoofd van [slachtoffer 2] gericht en heeft het vol in het gezicht van [slachtoffer 2] gedrukt.28 Verdachte zei op enig moment: “Jullie gaan pas weg, als ik bepaal dat jullie weg gaan”.29 [slachtoffer 10] heeft aangegeven dat hij [slachtoffer 2] een beuk heeft gegeven; een waarschuwingsbeuk. Die beuk kwam volgens [slachtoffer 10] op zijn borst of schouder terecht.30 [slachtoffer 2] heeft ook klappen gekregen van één van de andere mannen.31 Het geheel duurde zo’n veertig minuten, aldus [slachtoffer 10].32

De verklaringen van [slachtoffer 1]

heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 10] en [betrokkene] naar de woning van verdachte aan de [adres 5] in Den Haag33 is gegaan om een zakelijk geschil over een sportschool uit te praten. Bij binnenkomst trof hij [slachtoffer 2] op zijn knieën op de grond aan, met zijn handen achter zijn hoofd. [slachtoffer 1] werd toen van achteren overmeesterd en op de grond geduwd. Verdachte richtte het pistool op [slachtoffer 2] en zei: “Jij wilt mij doodmaken, jij hebt aangifte tegen mij gedaan”. Hij richtte het pistool op zijn mond en zei: “open doen”. [slachtoffer 2] werd heftig bedreigd door verdachte.34 Ook [slachtoffer 10] heeft bedreigingen geuit.35

Het videobestand op de telefoon van verdachte

In het dossier bevinden zich processen-verbaal van bevindingen inzake het onderzoek naar en het afluisteren van een videobestand (gedateerd op 23 juli 2013 om 21:16 uur, maar in werkelijkheid twee uur later gemaakt) dat op de telefoon van verdachte is aangetroffen. Hieruit volgt dat verdachte kort voor het betreden van [slachtoffer 2] van een woning tegen een derde persoon zegt: “Ik heb een probleem met hem, er wachten daar vijf personen, met wapen, hiernaast, ze gaan/ik ga (fonetisch) hem neuken weet je.” Na binnenkomst van [slachtoffer 2] in de woning ontstaat een gesprek tussen [slachtoffer 2] en verdachte over de vraag hoeveel [slachtoffer 2] nog krijgt voor “die kilo”, en of dat “11” of “12” is.36

De verklaring van verdachte ter terechtzitting

Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn woning één vriend bij zich had en die had weer een vriend meegenomen. Deze persoon kende verdachte echter niet. Hij wilde [slachtoffer 2] dusdanig laten schrikken dat deze zou weten dat er ernstige consequenties aan zitten als hij verdachte’s vrouw en baby in drugszaken betrekt. Een vriend van verdachte had het vuurwapen meegenomen. Hij heeft hem gevraagd of hij de kogels eruit wilde halen en het wapen in de slaapkamer neer wilde leggen.37 Hij had die vriend niet gevraagd het wapen mee te nemen. Verdachte werd boos op het moment dat gezegd werd dat hij op één arm een kilo cocaïne zou hebben vastgehouden en op zijn andere arm een baby. Hij heeft toen zijn vriend gevraagd waar het wapen precies lag en hem gezegd dat hij het wapen moest ontladen. Dat ontladen is in de slaapkamer gebeurd. Toen heeft hij [slachtoffer 2] bedreigd met een vuurwapen. Dat wapen heeft hij ook in de mond van [slachtoffer 2] gestopt; hij wilde hem duidelijk maken dat als [slachtoffer 2] nog één keer zijn kind in zijn mond neemt, hij dat dan maar moet associëren met een wapen in zijn mond.

[slachtoffer 2] heeft ook klappen gehad, maar verdachte heeft hem alleen met de vlakke hand een tik gegeven, niet eens hard. [slachtoffer 2] heeft klappen gehad van de broers [slachtoffer 1].38 Het geheel heeft een half uur tot drie kwartier geduurd, van het begin tot het eind. Ineens kwam het pillenverhaal van de broers [slachtoffer 1] naar voren en werd er geld geëist door de broers [slachtoffer 1]. Verdachte heeft toen gezegd dat zij dit onderling moesten regelen. Hij heeft de vriend van zijn vriend niet meegestuurd naar de winkel van [slachtoffer 2] omdat hij zoveel om [slachtoffer 2] geeft, maar omdat hij geen problemen wilde als zij vanuit zijn huis zouden weggaan.

De conclusie van de rechtbank ten aanzien van de feitelijke gebeurtenissen

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] in de late avond van 23 juli 2012 op uitnodiging van verdachte naar de woning van verdachte aan de [adres 5] in Den Haag is gegaan en daar is opgewacht door verdachte, [slachtoffer 1], [slachtoffer 10], [betrokkene] en twee anderen. Met uitzondering van verdachte bevonden voornoemde personen zich in de slaapkamer van verdachte, waaruit zij - op afroep - tevoorschijn kwamen.

De rechtbank stelt voorts vast dat [slachtoffer 2] in de woning meermalen is geslagen of gestompt en dat hij door verdachte is bedreigd met een vuurwapen. De verklaringen van [slachtoffer 2] vinden, naast de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juni 2014, tevens steun in zowel de verklaring van [betrokkene], die als - betrekkelijke - buitenstaander bij het incident in de woning aanwezig was, als in de verklaring van [slachtoffer 10].

Dat [slachtoffer 2] een aanmerkelijke tijd, minstens een half uur, is gedwongen in de woning te blijven volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 1] en van [slachtoffer 10]. [slachtoffer 2] is vervolgens gedwongen plaats te nemen in de auto van [slachtoffer 1], waarna hij € 1.500,- heeft moeten afstaan.

4.2.4.2 Kan een bewezenverklaring volgen voor de ten laste gelegde feiten?

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 10] [slachtoffer 1]

Voor wat betreft het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer betreffende de verklaringen van [slachtoffer 10], verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover onder punt 3.3.3 in dit vonnis heeft overwogen. Er is niet gebleken dat de wijze waarop [slachtoffer 10] is verhoord een omstandigheid oplevert die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Uit de verschillende verklaringen maakt de rechtbank op dat de sfeer in de woning gespannen, dreigend en voor [slachtoffer 2] beangstigend was. In het verlengde hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 2] op enig moment de woorden “Maak hem af” zijn toegevoegd. Dat deze woorden wellicht niet door verdachte zijn geuit, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg, nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, waarover de rechtbank in het hiernavolgende nog nader zal overwegen.

Het verweer van de verdediging inhoudende dat niet is voldaan aan de vereisten voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “openlijk” zal de rechtbank passeren, nu bedreiging met openlijke geweldpleging niet ten laste is gelegd, maar bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2

Met de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er bij [slachtoffer 2] haren uit het hoofd zijn getrokken, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ook de onder 2 ten laste gelegde voorbedachte raad acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Immers, niet kan worden vastgesteld dat er bij verdachte een vooropgesteld plan bestond om [slachtoffer 2] te mishandelen, zodat de rechtbank verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.4.1 is vastgesteld, voor het overige wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Ook het onder 3 ten laste gelegde acht de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van hetgeen is vermeld achter de laatste twee gedachtestreepjes. De rechtbank overweegt dat hoewel kan worden vastgesteld dat in de woning is gesproken over het feit dat [slachtoffer 2] nog geld verschuldigd zou zijn aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 10] en verdachte daarover heeft gezegd dat ze dit onderling moesten oplossen, het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat verdachte het opzet heeft gehad op de afpersing die heeft plaatsgevonden nadat [slachtoffer 2] met de andere aanwezigen de woning van verdachte had verlaten. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde feit.

Is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking?

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd (feit 1), mishandeld (feit 2) en wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden (feit 3).

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of tussen verdachte en de medeverdachten een nauwe en bewuste samenwerking bestond, gericht op - kort gezegd - de bedreiging, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2]. De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt, heeft verdachte [slachtoffer 2] uitgenodigd om op 23 juli 2012 tegen middernacht bij hem te komen om het geld te halen dat verdachte aan [slachtoffer 2] verschuldigd zou zijn. Verdachte had op dat moment al het plan [slachtoffer 2] met het een en ander te confronteren. Op het moment dat [slachtoffer 2] in de woning aankwam waren daar nog vijf anderen - te weten de medeverdachten - aanwezig. Nadat deze medeverdachten de woonkamer betraden, is voor [slachtoffer 2] een dreigende situatie ontstaan. Gedurende die dreigende situatie heeft verdachte de bewezenverklaarde feiten gepleegd. Dat verdachte niet vooraf de bedoeling had daarbij een vuurwapen te gebruiken, neemt niet weg dat hij wel een vuurwapen - dat hij daartoe eerst uit een slaapkamer had gehaald - heeft gehanteerd, waardoor de dreigende sfeer in zeer aanmerkelijke mate werd verhoogd, zodanig dat ook medeverdachten zich bedreigd voelden en niet weg durfden te gaan. Nu uit de verklaringen kan worden afgeleid dat ten minste een aantal van de medeverdachten ook geweld heeft gebruikt jegens [slachtoffer 2] en dat verdachte zijn bedreigingen heeft geuit in aanwezigheid van alle medeverdachten, is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Als het gaat om de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten kan dus ook het medeplegen bewezen worden verklaard.

4.3

Ten aanzien van dagvaarding II (zaakdossier [zaaksnaam 2])

4.3.1

Inleiding39

Op 18 november 2012, in de late avond, hebben [slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3]) en verdachte elkaar buiten, op de [adres 6] in ‘s-Gravenhage, in de nabijheid van de woning van verdachte aan de [adres 5], getroffen. Zowel [slachtoffer 3] als verdachte waren tijdens dat treffen in het gezelschap van andere mannen. Op een gegeven moment is er geschoten met een vuurwapen.40 Het linker bovenbeen van [slachtoffer 3] is geraakt door een kogel. De verwonding die [slachtoffer 3] als gevolg hiervan heeft opgelopen, betrof een in- en uitschotwond.41

Op de [adres 6] heeft de politie diezelfde (late) avond een patroon en een huls aangetroffen. Zowel het patroon als de huls hadden het bodemstempel “GFL 9mm Luger”.42

De aangetroffen patroon en huls zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) aan een onderzoek onderworpen. In de rapportage die van dit onderzoek is opgemaakt wordt vermeld:
1) dat zich in de patroon zeer geringe sporen bevinden die er op duiden dat de patroon is doorgeladen in een vuurwapen;
2) dat zich in de huls sporen bevinden die veroorzaakt zijn tijdens het verschieten uit een vuurwapen.43

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden, is of, zoals (in meerdere varianten) is ten laste gelegd, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het schot heeft gelost waardoor [slachtoffer 3] gewond is geraakt. Verdachte ontkent dat hij de schutter is geweest. Indien het antwoord op die eerste vraag bevestigend luidt, dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden hoe dit handelen moet worden gekwalificeerd.

4.3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

Volgens de officieren van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte degene is geweest die met het vuurwapen heeft geschoten en dat [slachtoffer 3] als gevolg hiervan gewond is geraakt. De officieren van justitie hebben in dit verband gewezen op de aangifte van [slachtoffer 3], de bevindingen van de politie op de plaats waar het schietincident heeft plaatsgevonden, de bevindingen uit het onderzoek dat daarop volgde en voorts op de door [slachtoffer 11], [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte]) en [medeverdachte 4] (hierna ook: [medeverdachte 4]) afgelegde verklaringen. Het handelen van verdachte kan volgens de officieren van justitie, gelet op het feit dat er sprake was van een gevechtssituatie, zijnde een dynamische situatie waarin onverwachte bewegingen kunnen worden gemaakt, worden gekwalificeerd als een poging doodslag; verdachte heeft volgens de officieren van justitie bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 3] dodelijk zou worden geraakt. Dat verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld en in vereniging, kan volgens de officieren van justitie niet worden bewezen.

4.3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat ten tijde van het schietincident meerdere mannen om [slachtoffer 3] heen stonden en dat hij heeft verklaard niet te hebben gezien wie er heeft geschoten; [slachtoffer 3] denkt dit alleen maar en redeneert naar verdachte, die ontkent te hebben geschoten, toe. Ook een sms-bericht dat [slachtoffer 3] na het incident aan verdachte heeft verzonden en het gesprek dat [slachtoffer 3], voordat hij aangifte deed, met [slachtoffer 2] heeft gevoerd, duiden hierop. Dat verdachte niet de schutter was, kan volgens de verdediging dus niet worden uitgesloten. De verklaring van [medeverdachte 4] kan, gelet op de inhoud daarvan, niet serieus worden genomen en [medeverdachte] heeft zijn bij de politie afgelegde verklaring teruggenomen bij de rechter-commissaris. Bovendien zijn er ook personen gehoord die hebben verklaard dat verdachte niet heeft geschoten en hebben anderen verklaard dat [slachtoffer 3] niet heeft verteld wie er heeft geschoten. Hetgeen [slachtoffer 3] over het wapen heeft verklaard, kan voorts niet kloppen. De aangetroffen patroon en huls zijn voorts niet zo zeldzaam als de officieren van justitie suggereren en de onderzochte patroon lijkt een ander patroon dan de patroon die het NFI heeft onderzocht.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat, nu de kans op overlijden als gevolg van een schot in het bovenbeen klein is, van een poging tot moord of doodslag niet kan worden gesproken en dat evenmin sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Bewijs voor voorbedachte raad en medeplegen ontbreekt verder eveneens, aldus de verdediging.

4.3.4

Het oordeel van de rechtbank

4.3.4.1 Heeft verdachte het schot gelost?

Ter beantwoording van de vraag of kan worden bewezen dat verdachte het schot heeft gelost, overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer 3] heeft over de gebeurtenissen in de late avond van 18 november 2012, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, gedetailleerde verklaringen afgelegd. [slachtoffer 3] gaat ervan uit, zo volgt uit die verklaringen, dat verdachte op hem heeft geschoten. Hij heeft dit, zo heeft hij verklaard, niet gezien, maar hij heeft uitvoerig, en naar het oordeel van de rechtbank helder, uiteengezet waarom hij meent dat het verdachte is geweest die op hem schoot. [slachtoffer 3] heeft daarbij allereerst betrokken dat het verdachte was die een pistool bij zich had. Verder heeft hij bij zijn inschatting zijn eigen positie, de positie van verdachte, de positie van de andere aanwezigen (onder wie een man met een Uzi) en zijn eigen positie ten opzichte van die anderen in ogenschouw genomen. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte, met het pistool, en de man met de Uzi op hem af kwamen lopen. Vervolgens laadde verdachte het pistool door. Hierna richtte verdachte het pistool op [slachtoffer 3] en laadde nogmaals door. [slachtoffer 3] hoorde hierna een patroon op de grond vallen. [slachtoffer 3] werd vervolgens door de man met de Uzi, met die Uzi, geslagen en raakte met deze man in gevecht. Hij stond toen met de zijkant van zijn lichaam naar verdachte toe, in de schootslijn van verdachte, die even daarvoor het pistool nog op hem richtte. De afstand tussen verdachte en hem bedroeg toen vier à vijf meter. Direct hierna werd hij door de kogel geraakt, aldus [slachtoffer 3].44

De verklaring van [slachtoffer 3] wordt bevestigd door hetgeen de politie op de plaats van het schietincident heeft aangetroffen. Er is op die plaats allereerst een patroon gevonden en dit past bij de verklaring van [slachtoffer 3] dat verdachte het wapen twee keer heeft doorgeladen, waarna een patroon op de grond viel. Op de plaats delict is verder een huls aangetroffen en dit gegeven ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 3] dat verdachte één keer heeft geschoten en dat de verwonding die hij heeft opgelopen een in- en uitschotwond betrof.

Uit onderzoek naar de aangetroffen munitie is verder naar voren gekomen dat het kaliber en het bodemstempel van de patroon gelijk is aan dat van de huls. Dit duidt er op dat de patroon en de huls uit hetzelfde wapen afkomstig waren. Uit datzelfde onderzoek blijkt voorts dat op de huls sporen van verschieten aanwezig waren en dat de patroon doorlaadsporen, zij het zeer geringe, bevatte. Dit alles biedt ook steun aan de verklaring van [slachtoffer 3].

Dat [slachtoffer 3], zoals volgt uit een aantal getuigenverklaringen, zijn gedachten over de identiteit van de schutter niet aan die (bevriende) getuigen heeft prijsgegeven, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3]. Hetzelfde geldt voor het door [slachtoffer 3] daags na het incident aan verdachte verzonden sms-bericht met de tekst “mannen hahaha slaan met een Uzi sukkels”. Dit bericht duidt er naar het oordeel van de rechtbank niet op, anders dan de verdediging meent, dat [slachtoffer 3] dus niet door verdachte beschoten is. Overigens heeft [slachtoffer 3] enkele minuten na het versturen van dit sms-bericht, nog een sms-bericht naar verdachte verzonden met de tekst: “er is 1 laf met tien man en zelf 3 keer laden hahaha” ([zaaksnaam 2]/AH/40). Uit het door de verdediging aangehaalde telefoongesprek tussen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] leidt de rechtbank voorts niet af dat verdachte door [slachtoffer 2] aan [slachtoffer 3] is “aangereikt” als de schutter.

Hetgeen [slachtoffer 3] heeft verklaard over het wapen dat verdachte heeft gehanteerd (het ging volgens [slachtoffer 3] om een groot model, zilverkleurig vuurwapen), doet ook geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Het NFI heeft gerapporteerd dat de huls vermoedelijk is verschoten met een semiautomatisch pistool 9mm Parabellum, merk Cverna Zastava, model 99 (forensische dossier onderzoek “[zaaksnaam 3], p. 139) en de officieren van justitie hebben onderbouwd dat een dergelijk wapen een lengte heeft van 19 centimeter en ook beschikbaar is in de kleur zilver (requisitoir, p. 37, met bijlage). Dat 19 centimeter, zoals de verdediging heeft betoogd, niet “groot” valt te noemen, volgt de rechtbank niet.

Dat de patroon die is aangetroffen op de plaats delict een ander patroon lijkt te zijn dan de patroon die door het NFI is onderzocht, berust op een misvatting van de verdediging. Hetgeen de verdediging duidt als de bovenzijde van het patroon, betreft de onderzijde daarvan. Het onderzochte patroon is volgens het NFI voorzien van een zwarte gelakte loden kogel (forensisch dossier onderzoek “[zaaksnaam 3]”, p. 139) en dit is ook te zien op de foto’s van het patroon dat in het dossier aanwezig is (forensisch dossier onderzoek “[zaaksnaam 3]”, p. 16).

Naast de bevindingen uit het forensisch technisch onderzoek op de plaats delict vindt de verklaring van [slachtoffer 3] ook nog steun in andere bewijsmiddelen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft (op 26 augustus 2013) bij de politie verklaard dat verdachte hem na het schietincident heeft verteld dat hij, verdachte, had geschoten.45 Dat [medeverdachte] deze verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris heeft teruggenomen, zoals de verdediging heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte] immers het volgende verklaard (proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 18 december 2013, punt 18 en 19):

“U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik later van [verdachte] [verdachte, toevoeging rechtbank] gehoord heb dat hij op die gasten heeft geschoten. Ik heb hem niet over de zaak gesproken over de telefoon.

Later heb ik in de [horeca] gesproken met [verdachte] over het incident. (…) Ik weet niet meer wat hij toen heeft gezegd over het incident. (…)”

Voorts heeft ook medeverdachte [medeverdachte 4] bij de politie verklaard na het schietincident van verdachte te hebben gehoord dat hij, verdachte, had geschoten.46 [medeverdachte 4] heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris herhaald.47 Dat [medeverdachte 4] ook heeft verklaard dat verdachte lacherig deed toen hij dit vertelde, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan zijn verklaring dat verdachte hem heeft verteld te hebben geschoten. [medeverdachte 4] heeft immers niet verklaard dat hij meende dat verdachte niet de waarheid sprak.48

Ten slotte hecht de rechtbank nog waarde aan de uitlatingen die [slachtoffer 11] op 11 april 2013 ten overstaan van de politie heeft gedaan. Zij heeft toen verklaard dat verdachte haar heeft verteld dat hij halverwege november/december 2012 op de [adres 6] de eigenaar van een kledingzaak in Scheveningen in de schouder had geschoten.49 Weliswaar was [slachtoffer 3] op het moment van het schietincident niet de eigenaar van een kledingzaak en is hij niet in zijn schouder geraakt, maar dit maakt de verklaring van [slachtoffer 11] naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig minder sprekend dat hij niet voor het bewijs kan worden gebezigd. Hierbij heeft de rechtbank ook betrokken dat [slachtoffer 11] heeft verklaard dat ene “[bijnaam]” bij het schietincident betrokken was, dat deze persoon met de naam “Mocro/dief” in de contactenlijst van de telefoon van verdachte staat en dat er ook een zogenaamde “taser” in het spel was. Deze aspecten van haar verklaring worden ondersteund door in het dossier opgenomen onderzoeksbevindingen. Overigens heeft [slachtoffer 11] haar verklaring later, bij de rechter-commissaris, in grote lijnen, herhaald.50

De bij de rechter-commissaris door medeverdachte [medeverdachte 6] afgelegde verklaring dat hij van verdachte en drie andere personen (van wie hij de namen overigens niet noemt) heeft gehoord dat het níet verdachte was die heeft geschoten (proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 6] bij de rechter-commissaris d.d. 15 januari 2014), legt tegenover de hiervoor aangeduide bewijsmiddelen onvoldoende gewicht in de schaal.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de kogel die [slachtoffer 3] in het linker bovenbeen heeft geraakt afkomstig was uit een vuurwapen dat door verdachte is gehanteerd.

4.3.4.2 Hoe dient het handelen van verdachte te worden gekwalificeerd?

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is hoe dit handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.

Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag. Daartoe is het navolgende redengevend.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 3] kan niet worden afgeleid dat verdachte, toen hij met het vuurwapen schoot, in beweging was. Uit die verklaringen kan voorts ook niet worden opgemaakt dat op het moment dat verdachte met het vuurwapen een kogel op [slachtoffer 3] afvuurde, er sprake was van een situatie waarbij [slachtoffer 3] en de man met de Uzi met wie [slachtoffer 3], volgens zijn verklaring, in gevecht was, onverhoedse en niet te voorspellen bewegingen maakten. De verklaring van [slachtoffer 3] bevat onvoldoende informatie over de wijze waarop dat gevecht verliep. Het dossier bevat ook overigens geen informatie op dit punt. Gelet hierop kan de rechtbank niet aannemen dat verdachte, toen hij schoot, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 3] dodelijk zou kunnen raken. Van de ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag zal verdachte om die reden worden vrijgesproken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat evenmin kan worden gezegd dat [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat verdachte zich dus schuldig heeft gemaakt aan het toebrengen van dergelijk letsel aan [slachtoffer 3]. Weliswaar had [slachtoffer 3], zo volgt uit zijn verklaringen, een in- en uitschotwond, maar uit zijn verklaringen volgt dat hij direct na het schietincident geen medische hulp heeft ingeroepen, maar hij pas kort voordat hij (op 2 mei 2103) aangifte deed, dus ongeveer een half jaar ná het schietincident, zijn huisarts heeft geconsulteerd. Deze huisarts heeft volgens [slachtoffer 3], gezegd dat de wond was dichtgegroeid, maar dat de genezing nog enige tijd op zich zou laten wachten, ook omdat er spieren zijn geraakt. Hieruit kan de rechtbank niet opmaken dat er geen uitzicht op volkomen genezing bestaat dan wel dat [slachtoffer 3] voortdurend ongeschikt zal zijn tot het uitoefenen van zijn (beroeps)bezigheden.

Wel kan, gelet op het voorgaande, bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft door, van een korte afstand, op het linker bovenbeen van [slachtoffer 3] te schieten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 3] als gevolg van dat handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Immers, aan het schieten met een vuurwapen op een persoon is het gevaar verbonden dat deze daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Dat het uiteindelijk teweeggebrachte letsel, zoals in casu, (kennelijk) beperkt is gebleven, doet daaraan niet af; het gaat er immers om dat de verrichte gedraging het aanmerkelijke risico op dat gevolg in zich borg.

Ten aanzien van de vraag of bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft, zo moet worden aangenomen, zijn woning verlaten met een vuurwapen. Met dat vuurwapen is hij vervolgens naar de nabijgelegen [adres 6] gelopen. Hij heeft zich buiten omringd met meerdere mannen; hij ging er, kennelijk, van uit dat het treffen met [slachtoffer 3] op een confrontatie zou kunnen gaan uitlopen. Toen verdachte [slachtoffer 3] aantrof, heeft hij het vuurwapen dat hij bij zich droeg twee keer doorgeladen en vervolgens heeft hij, zo moet op grond van de hierboven geschetste omstandigheden ook worden aangenomen, bewust aangelegd, gericht en gevuurd op het linker bovenbeen van [slachtoffer 3], waardoor [slachtoffer 3] in dat deel van zijn lichaam werd geraakt.

Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten raad heeft gehandeld. Er zijn meerdere momenten geweest waarin verdachte over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad kon nadenken en zich daarvan rekenschap kon geven. Met name het doorladen van het vuurwapen door verdachte is naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders te begrijpen dan als de materialisatie van het besluit van verdachte om te gaan schieten. Indien verdachte zijn wapen alleen had willen gebruiken om [slachtoffer 3] te bedreigen of hem tot iets te dwingen was het immers niet nodig geweest om het wapen ook door te laden.

De rechtbank overweegt tot slot dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om bewezen te kunnen verklaren dat verdachte de poging tot het toebrengen, met voorbedachten raad, van zwaar lichamelijk letsel samen met een ander of anderen heeft gepleegd. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

4.4

Ten aanzien van dagvaarding III (zaakdossier [zaaksnaam 4])

4.4.1

Inleiding51

Op 29 januari 2013 omstreeks 23.00 uur vond er een steekincident plaats nabij de woning aan de [adres 7] te Den Haag, waarbij [slachtoffer 4] een vriend van [slachtoffer 5], letsel heeft opgelopen.52 In haar vonnissen van 14 februari 2014 is door de rechtbank Den Haag vastgesteld dat dit letsel is toegebracht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Verdachte is op 29 januari 2013 tussen omstreeks 18.00 en 19.00 uur en tussen 00.46 en 00.54 uur in Rotterdam53 in de [horeca] geweest en heeft aldaar contact gehad met [medeverdachte 2].54 Verdachte heeft aan in ieder geval [medeverdachte 2] verteld op welke tijd [slachtoffer 5], de vader van [slachtoffer 11], zijn hond zou uitlaten,55 en hij heeft hem een foto van [slachtoffer 5] laten zien.56

Met betrekking tot het letsel van [slachtoffer 4] geldt dat aan de rechterzijde van zijn gezicht meerdere scheurwonden aanwezig waren waarvan de wonddiepte in sommige gevallen reikte tot op de kaakspier. Bij lichamelijk onderzoek, dat negen dagen na het incident werd verricht, werden meerdere streepvormige rode littekens gezien, zowel over de rechterwang (met lengtes van circa 9 en 10 centimeter) als in de hals (met lengtes van circa 5,5, 6 en 7 centimeter). Deze huidklievingen zijn alle opgeleverd door een scherprandig voorwerp. Er zijn minimaal vijf snij-/steekbewegingen gemaakt. Een uitgevoerde CT-scan wees onder meer uit dat waarschijnlijk enkele kleine zijtakjes van de buitenste halsslagader waren gekliefd.57 Over de gevaarzetting is gerapporteerd dat de snij-/steekbewegingen een groot risico op ernstig letsel dan wel fataal verloop hadden, met name gelet op de geconstateerde snij-/steekletsels op en nabij plaatsen in de hals. [slachtoffer 4] heeft een vier en een half uur durende operatie ondergaan.58 Hij had vijf maanden na het incident last van slecht zicht door een strakgetrokken huid, slecht gehoor in het rechteroor en een continue ruis, een regelmatig ontstoken oog, pijn in de nekspier, bijna chronische hoofdpijn en geen gevoel meer in de rechterzijde van het gezicht.59

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank ziet zich voor de (feitelijke) vraag gesteld wat verdachte in de [horeca] met - in ieder geval - [medeverdachte 2] heeft besproken alvorens [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] afreisden naar de [adres 7] in Den Haag. Indien kan worden vastgesteld dat de boodschap van verdachte aan [medeverdachte 2] bestond uit een opdracht tot het gebruiken van geweld jegens [slachtoffer 5], dient de rechtbank, als het gaat om feit 1, de vraag te beantwoorden welke juridische kwalificatie hieraan moet worden verbonden. Vervolgens zal de rechtbank de vraag moeten beantwoorden of de onder 2 ten laste gelegde poging tot uitlokking van een geweldsmisdrijf wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten slotte zal de rechtbank beslissen op de door de verdediging ingebrachte voorwaardelijke verzoeken.

4.4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben een bewezenverklaring gevorderd van de onder 1 meest subsidiair ten laste gelegde uitlokking van zware mishandeling met voorbedachte rade in vereniging, en vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

De officieren van justitie hebben met name gewezen op hetgeen door [medeverdachte 1] is verklaard
- welke verklaringen zij betrouwbaar achten -, namelijk dat de opdracht van verdachte was dat ‘het slachtoffer kapot moest’. Hiermee kan volgens de officieren van justitie het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel worden bewezen. De rol van verdachte bestond uit het aanzetten van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tot het plegen van het delict, waarbij verdachte hen geld heeft beloofd en hen informatie over het beoogde slachtoffer heeft verstrekt, zodat sprake is van uitlokking. Dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] uiteindelijk de verkeerde persoon - namelijk [slachtoffer 4] in plaats van [slachtoffer 5] - hebben aangevallen, doet hieraan niet af, nu verdachte met de manier waarop hij zijn opdracht heeft gegeven bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het verkeerde slachtoffer zou worden aangevallen. De voorbedachte raad volgt uit het feit dat is gehandeld vanuit een vooropgezet plan.

Dat sprake is geweest van een mislukte uitlokking om [slachtoffer 5] iets aan te doen (feit 2) kan volgens de officieren van justitie eveneens wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

In reactie op het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek om verbalisant [getuige 3] als getuige te horen, hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat zij niet inzien hoe getuige [getuige 3] de beschikking zou kunnen hebben over de identiteit van de informanten van de CIE.

4.4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en daartoe aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor het geven van enige opdracht
- met een geldelijke beloning - tot het mishandelen van [slachtoffer 4] dan wel [slachtoffer 5]. Evenmin bevat het dossiers redengevend bewijs voor het ten laste gelegde medeplegen. Voor zover sprake zou zijn van een opdracht tot het gebruiken van geweld, bestaat er volgens de verdediging geen (voorwaardelijk) opzet op steken of snijden.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) niet betrouwbaar zijn, nu zij motieven hebben om belastend te verklaren. Bovendien lijkt [medeverdachte 1], gelet op de toegepaste verhoortechniek, te zijn ‘gevoed’ door de verhorende verbalisanten. Als het gaat om de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] is ook de Vidgen-jurisprudentie van toepassing; verdachte is in zijn verdedigingsrechten geschaad, zodat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] van het bewijs dienen te worden uitgesloten. In ieder geval moet deze deze normschending volgens de verdediging in de strafmaat worden verdisconteerd.

De verdediging heeft voorts voorwaardelijk verzocht verbalisant [getuige 3] als getuige te laten horen, nu hij degene is geweest die verdachte heeft geïnformeerd over de CIE-contacten van [slachtoffer 11]. Subsidiair is door de verdediging voorwaardelijk verzocht de behandeling van de zaak aan te houden opdat het onderzoek naar de drie getuigen die hebben verklaard dat zij [medeverdachte 1] hebben horen zeggen dat hij degene is geweest die de steekverwondingen aan [slachtoffer 4] heeft toegebracht, kan worden afgewacht, dan wel de verdediging deze getuigen kan laten horen.

4.4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

4.4.4.1 Feit 1: wat is er in de [horeca] besproken tussen verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]?

Verklaringen van de betrokkenen

[medeverdachte 1] heeft als volgt verklaard. [medeverdachte 2] had hem gevraagd naar Den Haag te komen om iemand te slaan. Hij zou daar € 500,00 voor krijgen.60 Hij heeft hier veel over nagedacht en hij heeft besloten om het te doen.61 In de [horeca] in Rotterdam heeft hij verdachte ontmoet.62 Aan een tafel zaten naast [medeverdachte 1] ook [medeverdachte 2], verdachte en een blonde jongen. Verdachte vertelde dat hij een relatie had met ene [slachtoffer 11] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 11]) en dat de vader van [slachtoffer 11] dit niet wilde hebben. De vader zou ook met de CIE hebben gesproken omdat verdachte een relatie met zijn dochter had. Verdachte vertelde dat die vader klappen verdiende omdat hij met de CIE had gesproken.63 Op zijn Android-toestel liet verdachte hen een foto van de vader zien.64 Verdachte vertelde dat die man tussen 22.00 en 23.00 uur zijn hond uitlaat.65 Verdachte zei: ‘Deze man moeten jullie vandaag klappen geven’.66 Er werd niets gezegd over wapens of steken. Die man moest kapot. Met kapot bedoelde hij een blauw oog, tand eruit. In de [horeca] had verdachte ook nog gezegd dat [medeverdachte 2] alleen maar ‘OK’ moest sms-en naar hem als het gelukt was. In Den Haag heeft [medeverdachte 2] vanuit zijn woning een sporttas met schone kleren meegenomen. Bij de [adres 7] hebben zij enige tijd bij een kerk gewacht.67 Daarna is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] naar de [adres 7] gelopen en heeft [medeverdachte 2] de man gestoken met een scheermes.68 [medeverdachte 1] heeft de man geslagen in zijn gezicht.69 Daarna zijn zij direct weer naar de [horeca] in Rotterdam gegaan, waar zij verdachte en de blonde jongen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5]) opnieuw ontmoetten.70 Verdachte is de organisator van het hele probleem, aldus [medeverdachte 1].71

[medeverdachte 5] heeft als volgt verklaard. Hij was de avond na het incident waarbij [slachtoffer 4] slachtoffer is geworden in Rotterdam, rond 23.00 of 00.00 uur in de [horeca]. Er kwamen twee jongens binnenlopen; een wat dikke blanke jongen (de begrijpt: [medeverdachte 2]) en een neger met een normaal postuur (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]). Hij zag dat verdachte geld gaf aan de dikke jongen.72 Het was een aardig stapeltje bankbiljetten, briefjes van vijftig. Verdachte heeft hem nadien gezegd dat de jongens een beetje waren doorgedraafd.73

Getuige [slachtoffer 9], die meermalen contact met verdachte heeft gehad, heeft verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij twee jongens naar het huis van [slachtoffer 5] en [vriendin verdachte] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 5]) had gestuurd om ze een waarschuwing te geven.74 Ook ontving hij op 14 februari 2013 een bericht van verdachte waarin stond dat [slachtoffer 11] zich niet moest laten gebruiken en manipuleren door de CIE en de politie.75

Verdachte heeft als volgt verklaard. Hij was met [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 5] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5]) in Rotterdam. Hij heeft [medeverdachte 2] verteld over het CIE-verhaal en over [slachtoffer 11]. [medeverdachte 2] vertelde hem dat hij ooit met het zusje van [slachtoffer 11] was gegaan en hij gaf verdachte de indruk dat hij de familie kende. Verdachte heeft toen aan [medeverdachte 2] gevraagd om, als hij toch in de buurt was in verband met een andere opdracht
- namelijk het achterhalen van het adres van [slachtoffer 3] - aan de vader van [slachtoffer 11] door te geven dat zijn dochter gebruikt werd door de CIE.76 Hij wilde eigenlijk zelf met de vader praten, maar hij had een paar uur daarvoor met verbalisant [verbalisant 2] afgesproken dat hij uit de buurt zou blijven, dus hij kon er niet zelf naartoe. Hij was die avond met [medeverdachte 5] een film aan het kijken en kreeg van zijn vriendin [vriendin verdachte] een sms’je dat er allemaal politie in de straat reed. Hij is toen gelijk met [medeverdachte 5] naar een tapasbar in Rotterdam gereden. Verdachte heeft ontkend de opdracht te hebben gegeven om geweld te gebruiken. Ook heeft hij [medeverdachte 2] geen geld gegeven, zo heeft verdachte verklaard.

Bruikbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5]

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 5] tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De zogenoemde Vidgen-jurisprudentie (zie met name EHRM 10 juli 2012, ECLI:NL:XX:2012:BX3071; HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539), die nadere regels omvat over het gebruik van een belastende verklaring van een getuige die ter terechtzitting heeft geweigerd antwoord te geven op hem gestelde vragen, is in casu niet van toepassing. Weliswaar hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] zich ter terechtzitting van 30 juni en 1 juli 2014 op hun verschoningsrecht beroepen en heeft de verdediging in zoverre geen gelegenheid tot ondervraging gehad, maar het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate steunbewijs.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dat steunbewijs dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] aangaande de ontmoetingen in Rotterdam elkaar bevestigen en daarnaast worden bevestigd door de verklaringen van verdachte (ter terechtzitting van 30 juni 2014 afgelegd en tijdens het verhoor als verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punten 13 en 14) en door de zendmastgegevens van de telefoons van diverse betrokkenen. Uit deze zendmastgegevens volgt dat de telefoons van verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] omstreeks 18.30 uur alle aanstralen op een zendmast aan de [adres 8] te Rotterdam, in de buurt van de desbetreffende [horeca] aan de [adres 9] te Rotterdam ([zaaksnaam 4]/AH/143-150, 160-162). Verder volgt daaruit dat de telefoon van verdachte op 30 januari 2013 om 0.46 uur aanstraalde op diezelfde zendmast in Rotterdam ([zaaksnaam 4]/AH/146, 174).

Voorts vindt de verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte de opdracht heeft gegeven om de vader van [slachtoffer 11] klappen te geven omdat hij met de CIE praatte, op diverse onderdelen bevestiging in het dossier. Het is niet in de laatste plaats de verklaring van verdachte zelf die steun biedt aan deze verklaring van [medeverdachte 1], aangezien verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] heeft gezegd naar de [adres 7] in Den Haag te gaan om daar met de vader van [slachtoffer 11] te praten over de vermeende CIE-contacten van zijn dochter. Weliswaar verschillen de verklaringen van [medeverdachte 1] en verdachte betreffende de inhoud van die opdracht, maar dát er een opdracht is gegeven, wordt door verdachte bevestigd. Ten slotte geeft ook de verklaring van getuige [slachtoffer 9] steun aan de verklaring van [medeverdachte 1] dat de opdracht van verdachte afkomstig was, nu [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij van verdachte heeft vernomen dat deze twee jongens naar het huis van [slachtoffer 5] en [vriendin verdachte] had gestuurd om hun een waarschuwing te geven ([zaaksnaam 4]/G/21). Dat de aanleiding was gelegen in de relatie tussen [slachtoffer 11] en verdachte en het vermeende praten met de CIE, wordt onder meer bevestigd door verdachte zelf (verhoor als verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 13) en door [slachtoffer 9] ([zaaksnaam 4]/G/5).

Gezien het voorgaande zal de rechtbank niet overgaan tot de door de verdediging bepleite bewijsuitsluiting of strafvermindering.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 5]

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet op alle punten gelijkluidend zijn. Zo heeft [medeverdachte 1] niet eenduidig verklaard over wat hij op de bewuste dag heeft gedaan; hij heeft aanvankelijk niet verklaard dat hij in Rotterdam is geweest, later heeft hij verklaard dat hij in de [horeca] in Rotterdam is geweest maar voor zijn gevoel ‘voor niets’, en uiteindelijk heeft hij verklaard dat hij in de [horeca] in Rotterdam verdachte heeft ontmoet. Deze discrepanties maken de verklaringen van [medeverdachte 1] echter niet zonder meer onbetrouwbaar. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verklaringen in essentie gelijk zijn gebleven en dat de verschillen kunnen worden verklaard door het feit dat [medeverdachte 1] in latere verklaringen openhartiger is geweest, met name over de medeverdachten en hun rol. Voorts overweegt de rechtbank dat de verklaringen van [medeverdachte 1] steun vinden in het dossier en zij verwijst naar hetgeen zij daaromtrent onder het kopje “Bruikbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5]” heeft overwogen.

Over de wijze van verhoren van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank zich hiervoor onder 3.3.3 al uitgelaten. Er is niet gebleken dat de wijze waarop [medeverdachte 1] is verhoord een omstandigheid oplevert die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.

[medeverdachte 5] heeft eenmaal een voor verdachte belastende verklaring afgelegd, maar heeft daarna niet meer willen verklaren. Het is de rechtbank opgevallen dat [medeverdachte 5] zich in stevige bewoordingen uitlaat over verdachte; [medeverdachte 5] heeft verklaard “dat hij agressief wordt als hij over verdachte praat”, dat hij hem een “viezerik” vindt en dat hij “als iemand zijn kind bij hem weghoudt, hem vermoordt”. Naar het oordeel van de rechtbank noopt dit tot voorzichtigheid bij het gebruiken van de verklaring van [medeverdachte 5], maar maakt dit zijn verklaring niet zonder meer onbetrouwbaar. De rechtbank overweegt dat de verklaring van [medeverdachte 5] steun vindt in het dossier en verwijst daartoe naar hetgeen daaromtrent bij de bespreking van de bruikbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 5] is overwogen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 5] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Conclusie van de rechtbank ten aanzien van de feitelijke toedracht

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de opdracht heeft gegeven de vader van [slachtoffer 11], namelijk [slachtoffer 5], klappen te geven. De rechtbank stelt vast dat daar een geldelijke beloning tegenover stond. Verdachte heeft voorts informatie gegeven over de tijdstippen waarop [slachtoffer 5] zijn hond uitlaat en hij heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een foto van hem laten zien. Dat verdachte contact wilde leggen met de vader van [slachtoffer 11] in verband met mogelijke CIE-contacten, acht de rechtbank niet onaannemelijk.

De verklaring van verdachte dat hij [medeverdachte 2] slechts heeft gevraagd met [slachtoffer 5] te gaan praten over de vermeende CIE-contacten van zijn dochter acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geenszins logisch is om twee jongens, die het beoogde slachtoffer niet of nauwelijks kennen, in het donker op een laat tijdstip naar diens huis te sturen om te spreken over een situatie die zij niet kennen en die hen ook niet aangaat. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat [medeverdachte 2] een sporttas met schone kleren meenam, hetgeen zich niet laat rijmen met de bedoeling een gesprek te voeren.

4.4.4.2 Feit 1: welke juridische kwalificatie levert dit op?

Waar was het opzet van verdachte op gericht?

Uit het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer 4] dan wel van [slachtoffer 5]. De opdracht bestond immers uit het geven van klappen en niet blijkt dat verdachte vooraf wist dat [medeverdachte 2] een mes bij zich had en dit zou gaan gebruiken. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat de opdracht (ook) was dat het slachtoffer kapot moest, leidt de rechtbank, anders dan de officieren van justitie, niet af dat het opzet van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De opdracht iemand kapot te maken kan immers op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. [medeverdachte 1] interpreteerde deze opdracht blijkens zijn verklaring als “een blauw oog, tand eruit”. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank concludeert dat de opdracht van verdachte bestond uit het mishandelen van [slachtoffer 5]; zijn opzet was daarop gericht. Dat een persoonsverwisseling heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan niet [slachtoffer 5] maar [slachtoffer 4] slachtoffer van het steekincident is geworden, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Immers, op het moment dat verdachte twee jongens, die [slachtoffer 5] niet of nauwelijks kenden, met minieme informatie op pad stuurde om deze [slachtoffer 5] in het donker te ontmoeten, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat iemand anders dan [slachtoffer 5] het slachtoffer zou worden. Dat [slachtoffer 4] uiteindelijk met een mes is gestoken/gesneden en er een groot risico bestond op ernstig letsel dan wel een fatale afloop leidt tot de conclusie dat het opzet van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van een andere aard en inhoud is dan het opzet van verdachte. De rechtbank zal, op voet van artikel 47 lid 2 Sr, verdachte slechts aansprakelijk houden voor datgene waar zijn opzet op was gericht, namelijk de mishandeling.

Dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld - een onderwerp waarop de rechtbank in het hiernavolgende nog nader zal ingaan - volgt uit het gegeven dat verdachte met een vooropgezet plan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op pad heeft gestuurd en hen de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 5] te mishandelen.

Het in de inleiding beschreven letsel van [slachtoffer 4]; blijvend letsel waarbij - zoals is gebleken uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaring - een langdurige operatie heeft plaatsgevonden, kwalificeert de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 301 lid 2 juncto artikel 82 Sr.

Voorbedachte raad?

Uit hetgeen onder 4.4.4.1 is weergegeven volgt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], na in Rotterdam een opdracht van verdachte te hebben gekregen, met een vooropgezet plan naar de [adres 7] in Den Haag zijn gegaan. Dat plan bestond uit het geven van klappen aan [slachtoffer 5]. Dit plan is ook ten uitvoer gebracht, met dien verstande dat er niet alleen is geslagen, maar door [medeverdachte 2] ook met een mes is gesneden en dat niet [slachtoffer 5] maar een vriend van hem het slachtoffer is geworden. Deze omstandigheden doen echter niet af aan het feit dat zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. Beiden hebben zich een aantal uren kunnen bezinnen op de uitvoering van het plan dat in Rotterdam was gemaakt, en ook nog tijdens het wachten in de buurt van de woning. [slachtoffer 4] is meermalen in zijn gezicht en hals gestoken, hetgeen wijst op een doelbewuste handeling tot het toebrengen van schade aan deze delen van het lichaam. Het feit dat de verkeerde persoon het slachtoffer is geworden, staat aan de bewezenverklaring van de voorbedachte raad niet in de weg. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het feit dat [medeverdachte 1] door de rechtbank bij vonnis van 14 februari 2014 is vrijgesproken van de voorbedachte raad ten aanzien van de bewezenverklaarde poging tot doodslag, er niet aan in de weg staat dat het opzet op die voorbedachte raad bij verdachte ten aanzien van het mindere, namelijk de mishandeling, wel wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Uitlokking of medeplegen?

Verdachte heeft aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de opdracht verstrekt om [slachtoffer 5] te mishandelen. In dit kader heeft hij inlichtingen gegeven over het beoogde slachtoffer en, als tegenprestatie, een geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld. Aldus heeft verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bewogen tot het begaan van een strafbaar feit. Nu verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft aangezet tot het plegen van een strafbaar feit, dit strafbare feit ook is gevolgd - zij het in een ernstigere vorm dan waartoe de opdracht van verdachte strekte -, verdachte niet bij de uitvoering hiervan was betrokken en verdachte zich heeft bediend van de in artikel 47 lid 1 sub 2 Sr bedoelde uitlokkingsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van (opzettelijke) uitlokking en niet van medeplegen.

De conclusie van de rechtbank ten aanzien van feit 1

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

De onder 1 nog meer subsidiair ten laste gelegde uitlokking van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel met voorbedachte raad en in vereniging acht de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen echter wel wettig en overtuigend bewezen.

Als het gaat om de ten laste gelegde bestanddelen, inhoudende dat verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] langs de woning van die [slachtoffer 5] heeft laten rijden en dat hij de opdracht/instructie heeft gegeven dat zij geen telefoon aanwezig mochten hebben, bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank zal verdachte daarom van die onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

4.4.4.3 Feit 2

Uit de bewijsmiddelen die de rechtbank in de inleiding en onder 4.4.4.1 heeft besproken en waarnaar de rechtbank verwijst, volgt dat de bedoeling van verdachte met de opdracht die hij aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gaf, was dat [slachtoffer 5] zou worden mishandeld en niet [slachtoffer 4]. Nu [slachtoffer 4] het slachtoffer is geworden van het door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gebruikte geweld, is sprake van een mislukte uitlokking en derhalve van een poging tot uitlokking.

In lijn met hetgeen de rechtbank onder 4.4.4.2 heeft overwogen, acht zij de impliciet primair ten laste gelegde poging tot uitlokking van doodslag dan wel zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken. De impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot uitlokking van mishandeling acht de rechtbank wel bewezen.

Voor wat betreft de ten laste gelegde bestanddelen, inhoudende dat verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] langs de woning van die [slachtoffer 5] heeft laten rijden en dat hij de opdracht/instructie heeft gegeven dat zij geen telefoon aanwezig mochten hebben, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De rechtbank zal verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

4.4.4.4 Voorwaardelijke verzoeken

Het horen van getuige [getuige 3]

De verdediging heeft verzocht de heer [getuige 3] als getuige te laten horen als de rechtbank het niet aannemelijk acht dat verdachte van [getuige 3] informatie had gekregen waaruit bleek dat [slachtoffer 11] contact had met de afdeling CIE van de politie. Verdachte heeft verklaard dat hij van meerdere bronnen had vernomen dat [slachtoffer 11] met de politie/CIE praatte en dat hij wilde weten wat zij had verklaard en over wie. Hij wilde bereiken dat de vader van [slachtoffer 11] niet met de CIE zou spreken, aldus de verdediging.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft de rechtbank het niet onaannemelijk geacht dat verdachte contact wilde leggen met [slachtoffer 5]. Of en op welke wijze verdachte informatie had gekregen over enig contact tussen de afdeling CIE van de politie en (leden van) de familie [slachtoffer 5] is in dat kader niet (meer) relevant. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het horen van getuige [getuige 3] noodzakelijk zou zijn voor de beantwoording van een van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. De rechtbank wijst het verzoek tot het laten horen van [getuige 3] als getuige daarom af.

Het horen van de getuigen [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6]

Nu de rechtbank verdachte niet zal vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde uitlokking van mishandeling en de onder 2 ten laste gelegde poging daartoe heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of zij het onderzoek ter terechtzitting zal moeten heropenen, gelet op het feit dat er drie getuigen zijn gehoord, te weten [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6]. Over deze personen heeft [medeverdachte 2] gezegd dat zij in de penitentiaire inrichting van [medeverdachte 1] hebben gehoord dat niet [medeverdachte 2], maar [medeverdachte 1] degene is geweest die [slachtoffer 4] heeft gestoken. Daartoe bestaat naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanleiding. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat op het moment dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar Den Haag zijn gereden met de bedoeling [slachtoffer 5] aan te spreken en klappen te geven, zij dat hebben gedaan in opdracht van verdachte. Vervolgens is het onder 1 ten laste gelegde feit daadwerkelijk gepleegd en daardoor is ook de uitlokking voltooid, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen. De beantwoording van de vraag wie van de medeverdachten heeft gestoken is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of de uitlokking door verdachte bewezen kan worden verklaard. Het nader horen van de getuigen in dat kader is dus niet noodzakelijk gebleken voor enige te nemen beslissing ten aanzien van verdachte. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen dan ook af.

4.5

Ten aanzien van dagvaarding IV (zaakdossier [zaaksnaam 3])

4.5.1

Inleiding77

In dit zaakdossier kan worden vastgesteld dat op 28 maart 2013 aan de [adres 2] te Den Haag tijdens een burenruzie tweemaal in de lucht is geschoten met een vuurwapen.78 [slachtoffer 6] (hierna ook: [slachtoffer 6]), [slachtoffer 7] (hierna ook: [slachtoffer 7]) en verdachte waren hierbij aanwezig (feit 1). [slachtoffer 6] is tijdens deze ruzie op zijn neus geslagen.79 Verdachte heeft [slachtoffer 7] tegen zijn mond geslagen, als gevolg waarvan er bij [slachtoffer 7] twee tanden zijn gebroken (feit 2).80 Bij de doorzoeking van de woning van verdachte zijn zogenaamde versnijdingsmiddelen (fenacetine en lidocaïne) aangetroffen (feit 3),81 alsmede 111 patronen (110 stuks 9 mm en 1 stuks hollow point) (feit 4).82

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de schutter is geweest (feit 1) en of hij openlijk geweld heeft gepleegd (feit 2). Ook dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.5.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vier ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 is door de officieren van justitie opgemerkt dat kan worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten, gelet op het door de getuigen opgegeven signalement, in combinatie met de kleding die verdachte tijdens zijn aanhouding droeg, de verklaring van getuige [getuige 10] over de looproute van de schutter, de plaats waar verdachte is aangehouden en ten slotte de verklaringen van verdachte waarin hij zijn eigen rol lijkt te verraden.

4.5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de bedreiging (feit 1) omdat niet kan worden vastgesteld wie heeft geschoten. Ten aanzien van de verweten voorbereidingshandelingen met versnijdingsmiddelen (feit 3) heeft de verdediging betoogd dat het voorhanden hebben van fenacetine en lidocaïne niet met zich brengt dat dan voorbereidingshandelingen voor een feit uit de Opiumwet worden gepleegd. Ten aanzien van het voorhanden hebben van munitie (feit 4) heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.5.4

De beoordeling van de tenlastelegging

4.5.4.1 De feiten 1 en 2

De verklaringen in het dossier

In het dossier bevindt zich een groot aantal verklaringen van getuigen die iets verklaard hebben over de schoten die zijn gelost en over de vechtpartij die heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal die verklaringen hierna in het kort bespreken. De aan te halen verklaringen hebben alle betrekking op de gebeurtenissen aan de [adres 2] te Den Haag op 28 maart 2013.

[getuige 7] heeft als volgt verklaard. Er was ruzie tussen haar nicht [betrokkene 3] en de buren. Zij zag dat een man met kort zwart grijs haar schuin rechts van haar stond. Zij zag dat die man was gekleed in een spijkerbroek met vale lichte plekken er op, dat hij sportieve schoenen droeg en een grijs vestje of een trui onder een blauw/turquoise bodywarmer.83 Zij zag dat de man ongeveer 1.70 meter à 1.75 meter lang was en ongeveer 35 à 40 jaar oud. Zij zag dat hij een licht baardje had wat net als zijn haar donker was, met grijze haren er tussendoor. Plotseling zag zij dat deze man werd vastgepakt door haar neefje en haar oom. Zij zag dat de man met de blauwe/turquoise bodywarmer een pistool in zijn hand had. Zij zag, toen haar neefje en oom hem vast hadden, dat de man met de blauwe bodywarmer twee keer de trekker van het pistool overhaalde.84 Zij hoorde hierop twee harde knallen.85

[getuige 8] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 6] tegenkwam die zei dat hij door [betrokkene 3] was gebeld omdat er ruzie was met de buurvrouw. In de woning aan de [adres 2] was ook [slachtoffer 7] aanwezig. De bel ging en er stonden twee mannen voor de deur, die schreeuwden en vloekten in hun richting. [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] vroegen aan de mannen of ze hen in hun huis in elkaar willen slaan. Man 1 was de echtgenoot van de buurvrouw (de rechtbank begrijpt: [getuige 9]). Man 2 was ongeveer 1.75 meter lang, ongeveer 40 jaar oud, hij had grijs/wit kort haar en hij droeg een witte nylonachtige jas, een soort trainingsjas, voorzien van groene strepen ter hoogte van de schouders en de mouwen.86 Man 1 vocht met [slachtoffer 7] en man 2 vocht met [slachtoffer 6].87 [getuige 8] zag dat man 2 een aantal stappen achteruit deed en dat hij uit zijn broeksband een vuurwapen te voorschijn haalde.88 Hij zwaaide met het vuurwapen en schreeuwde al vloekend. Gelijk hierop hield hij het vuurwapen in de lucht en schoot twee keer achter elkaar in de lucht.89

[betrokkene 4] heeft verklaard dat toen zij aankwam, iedereen buiten stond en iedereen aan het vechten was. Het waren ongeveer zeven mensen. De man die in de lucht schoot was een Turkse man van ongeveer 1.70 tot 1.80 meter lang, met een slank postuur, een lichte stoppelbaard en zwart haar met grijs erin.90 Hij droeg een blauwe jas, maar zijn mouwen waren een andere kleur.91 Zij weet zeker dat de romp van de jas blauw van kleur was.

[betrokkene 3] [slachtoffer 6] heeft als volgt verklaard. [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] kwamen rond 21.00 uur bij haar aan. Op dat moment kwam de man van [vrouw] naar buiten, samen met een onbekende man. Deze onbekende man was ongeveer 35 à 40 jaar oud, Turks, hij had zwart grijs haar van ongeveer 2 centimeter lang, was ongeveer 1.60 à 1.70 meter lang, had een ongeschoren gezicht en droeg een blauwe jas en een spijkerbroek.92 Zij zag dat ze op de vuist gingen. Zij hoorde toen twee schoten.93 Zij zag dat [slachtoffer 7] bloed aan zijn mond had en dat er twee tanden uit zijn mond waren.94

[getuige 9] (hierna: [getuige 9]) heeft als volgt verklaard. Toen hij nog in de deuropening stond en nog niet helemaal binnen was, hoorde hij ‘pauw, pauw’. De broer van zijn vrouw (de rechtbank begrijpt: verdachte) was er ook. Hij zag een arm in de lucht en hoorde op dat moment ‘pang pang’. Hij weet niet zeker wie er heeft geschoten, maar hij denkt [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte). Het geluid van de schoten kwam uit de richting waar [verdachte] stond.95

[getuige 10] heeft verklaard dat zij die avond over de galerij van haar flat liep en geschreeuw hoorde dat klonk als ruzie. Er stonden zeker tien mensen, licht getinte mensen, mannen vrouwen, die ruzie hadden. Plotseling zag zij dat een man zijn arm omhoog deed. Ze zag dat de mouw van de man blauw was.96 Zij hoorde kort daarna twee knallen en zag twee flitsen boven zijn hand.97 Ze kon het niet geloven, maar besefte dat de man vermoedelijk geschoten had. Ze zag dat de man die vermoedelijk geschoten had, wegrende. Hij viel op door zijn blauw/witte jas. Ze schat dat de man 25 à 30 jaar oud is en ongeveer 1.85 meter lang. Hij droeg een lichtgekleurde broek en het leek of hij kort haar had.98

[betrokkene 5] heeft verklaard dat zij midden in het gevecht is aangekomen. Zij heeft één keer horen schieten. Zij stond vier à vijf meter van de man met het pistool en zij zag hem van de achterkant. Zij zag vervolgens dat er twee mannen waren. Eén van de mannen had een blauwe jas,99 de andere vermoedelijk een gele.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat op het moment dat de vermoedelijke man van de buren van [betrokkene 3] [getuige 7] wilde aanvallen, hij hem bij de schouder heeft gepakt. Hij wilde problemen voorkomen. Als reactie kreeg hij een kopstoot op zijn neus.100 Op dat moment zag hij dat die andere man, dus niet degene die hem een kopstoot gaf, een pistool uit zijn broeksband tevoorschijn haalde.101 Hij zag dat hij het pistool doorlaadde en vervolgens twee keer in de lucht schoot.102 Hij hoorde dat de man zei dat zij achteruit moesten gaan en hij schoot vervolgens twee maal in de lucht. Hij heeft niet gezien dat [slachtoffer 7] werd geslagen, maar wel dat hij zijn voortanden miste. De man met het pistool had grijze haren, hij was 1.75 à 1.80 meter lang, slank, en ongeveer 40 jaar oud. Hij droeg een blauwe jas.103

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij zag dat de buurman en de broer van de buurvrouw voor de deur stonden, met nog twee à drie vrouwen. Hij zag dat de buurman en zijn vrouw [getuige 7] aanvielen. Hij zag dat [slachtoffer 6] naar buiten kwam en tussen hen wilde komen. Hij zag dat de buurman vervolgens een kopstoot gaf op de neus van [slachtoffer 6]. Toen zag hij plotseling dat de broer van zijn buurvrouw een pistool tevoorschijn haalde en op hen richtte.104 Hij greep de arm/hand waarin hij het pistool vasthield en duwde zijn arm omhoog. [slachtoffer 7] wilde daarop vluchten. De broer van zijn buurvrouw heeft hem toen met kracht een vuistslag op zijn mond gegeven. Hij voelde hevige pijn en later bleek dat er twee voortanden waren gebroken. Hij heeft twee schoten gezien en gehoord.105 Hij zag dat de broer van de buurvrouw in de lucht schoot. Op het moment dat hij wegdraaide zag en hoorde hij een schot vallen. Het tweede schot hoorde hij voordat hij de vuistslag kreeg van de buurman.

Verdachte heeft als volgt verklaard. Hij werd rond 20.00 of 20.15 uur door zijn zwager gebeld met de vraag of hij kon komen omdat er een noodsituatie was ontstaan.106 Hij was toen bij de kapper op de [adres 11] in Den Haag. Buiten kwam hij [betrokkene 6] tegen, die hem naar de [adres 2] bracht. Op de hoek van de straat werd hij opgevangen door zijn zwager. Hij rende met zijn zwager naar het huis. Zijn zus was aan het huilen en schreeuwen. De voordeur van de buren ging open en hij zag drie mannen en twee vrouwen. Eén van de vrouwen stond hysterisch te schreeuwen. Zijn zus kwam ook naar buiten en stond ook te schreeuwen. Hij zag plotseling dat zijn zwager door twee mannen werd geslagen en aangevallen. Hij zag dat iemand naar buiten kwam met een keukenmes. Toen was er ineens een wapen en werd er in de lucht geschoten. Hij denkt dat er drie à vier keer in de lucht is geschoten. Daarna was iedereen rustig. Hij stond er bij. Verdachte droeg een nogal opvallende bodywarmer van het merk Armani, turquoise/blauw van kleur en aan alle kant lichtgevend.107 Toen hij zag dat er een man voor hem bleef staan, heeft hij hem een tik in zijn gezicht gegeven. Het kan zijn dat hij daardoor zijn tanden uit zijn mond heeft geslagen.

De conclusie van de rechtbank

Uit bovenstaande verklaringen leidt de rechtbank af dat aan de ruzie twee partijen deelnamen, namelijk die van de zijde van [vrouw] en die van de zijde van haar buurvrouw [betrokkene 3]. De partij aan de zijde van [vrouw] bestond uit een tweetal mannen en een of meer vrouwen. Die twee mannen waren verdachte en zijn zwager [getuige 9]. Op grond van de verklaringen kan worden vastgesteld dat de schoten zijn gelost door een van de mannen uit de partij aan de zijde van [vrouw], dus óf verdachte, óf zijn zwager. Vrijwel alle getuigen verklaren dat de schoten zijn gelost door een persoon die gekleed was in een bodywarmer/jas met een opvallende blauwe/turquoise kleur. Verdachte droeg op die avond een opvallende blauw/turquoise bodywarmer. Een aantal getuigen heeft een signalement van verdachte gegeven en weer anderen hebben het over de broer van de buurvrouw. Op basis van genoemde verklaringen trekt de rechtbank de conclusie dat het verdachte was die in de lucht heeft geschoten. De rechtbank geeft zich rekenschap van het feit dat de meeste verklaringen zijn afgelegd door getuigen die bij de ruzie zijn betrokken waardoor hun herinnering mogelijk gekleurd was. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de verklaring van getuige [getuige 7] diezelfde avond, kort na het gebeuren, is opgenomen, zodat er weinig gelegenheid was voor mogelijke beïnvloeding van die getuige. Zij geeft een gedetailleerde beschrijving van de schutter. Van doorslaggevende betekenis acht de rechtbank de verklaring van getuige [getuige 10]. Zij had niets met de ruzie te maken en kan gelden als een objectieve buitenstaander. Ook zij heeft verklaard dat het een man met een blauwe mouw was die schoot. Hoewel verdachte die avond een blauwe bodywarmer aan had met daaronder een grijs vest, acht de rechtbank het zeer wel mogelijk dat zij de opvallende blauwe bodywarmer van verdachte heeft gezien en onthouden - de schutter viel haar op door de blauwe/witte jas -, maar heeft ingevuld dat ook de mouw blauw was.

De verdediging heeft aandacht gevraagd voor het schotrestenonderzoek en aangegeven dat de uitkomst van dit onderzoek meer in de richting van [getuige 9] als de schutter wijst dan in de richting van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat aan de uitkomst van dit schotrestenonderzoek geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de beantwoording van de vraag wie heeft geschoten, omdat uit dat onderzoek slechts kan blijken dat bij zowel [getuige 9] als verdachte een vrijwel zekere relatie kan worden aangetoond met een schietproces. Uit de plaats op de handen waar de deeltjes zijn aangetroffen kan de rechtbank niet afleiden wie er heeft geschoten, ook omdat niet bekend is wie na het schieten het wapen nog in handen heeft gehad.

De rechtbank gaat er, gelet op de hiervoor besproken feiten en omstandigheden, van uit dat [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en andere aanwezige personen zich bedreigd hebben gevoeld door verdachte doordat hij de schoten met het pistool afvuurde.

4.5.4.2 De feiten 3 en 4

De munitie en de fenacetine en/of lidocaïne

Na de aanhouding van verdachte werd een doorzoeking verricht in de woning gelegen aan [adres 5] te Den Haag, waar verdachte volgens diens eigen verklaring sinds oktober 2011 woont.108 Bij die doorzoeking bleek dat bewoonster [vriendin verdachte] (de vriendin van verdachte) niet in het bezit was van een sleutel van de kelderbox. De deur was afgesloten. Achter de deur stond een oranjekleurige tas, waarin een witte plastic tas zat met daarin een toilettas. In die toilettas zaten meerdere patronen en in de witte plastic tas lagen ook twee losse patronen. Van de situatie zijn foto’s gemaakt. Op een van die foto’s is een toilettas te zien met daarnaast 108 patronen en één afzonderlijke patroon die een hollow point patroon lijkt te zijn.

De aangetroffen munitie is onderzocht door een materiedeskundige wapens munitie en explosieven bij het Team Forensische opsporing. De aangetroffen munitie bestaat uit twee patronen 9 mm GFL, 108 patronen 9 mm FN en één patroon (hollow point) IMI. 380 auto. De aangetroffen patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet wapens en munitie.109

In het midden van de kelderbox lag op een aantal dozen een tas met een campingbedje. Onder die tas lag een goudkleurig tasje met daarin een met papier omwikkelde harde witte substantie. Een stuk daarvan was verbrokkeld.

De aangetroffen witte substantie had een netto gewicht van 895,6 gram110 en bleek na onderzoek door het NFI geen verdovende middelen te bevatten, maar fenacetine en lidocaïne. Fenacetine en lidocaïne zijn in relatie tot drugs versnijdingsmiddelen voor cocaïne.111

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat het witte pakketje geen cocaïne is. Hij heeft het voor iemand in bewaring genomen, die zei dat het efedrine was. Hij heeft de witte substantie door iemand laten testen, maar die zei dat het troep was. Verdachte denkt dat er hooguit 5% cocaïne in zit. Als hij geweten had dat het echt cocaïne was, was het allang weg geweest en had hij het bij wijze van spreken al verkocht. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij betrokken is bij de handel in cocaïne.112

Over de aangetroffen munitie heeft verdachte verklaard dat hij de sleutel van de kelderbox heeft en zijn vriendin [vriendin verdachte] niet. Hij heeft de kelderbox voor een vriend opengemaakt die daar ongeveer een maand geleden een plastic tasje heeft neergezet en zo’n chique tasje met twee van die touwtjes er aan. Hij heeft na die tijd niemand meer in zijn kelderbox toegelaten, dus het moet wel van die vriend zijn geweest, aldus verdachte. Voor die tijd had hij de patronen niet zien liggen. Hij kwam wel regelmatig in zijn kelderbox, dus hij wist wel wat er allemaal stond.

De conclusie van de rechtbank

De samenhang van het bezit van fenacetine en lidocaïne bevattend materiaal - een versnijdingsmiddel van cocaïne - de betrokkenheid van verdachte bij de handel in cocaïne en het feit dat verdachte wist dat het een drugsgerelateerde stof betrof met mogelijk een deel cocaïne, levert naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs op voor het onder 3 ten laste gelegde strafbare feit.

Uit voornoemde bewijsmiddelen en uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank voorts af dat verdachte wist dat de aangetroffen munitie in zijn kelderbox stond. Dit maakt dat hij de munitie voorhanden had. Dat de munitie mogelijk van een ander was, doet daar niet aan af. Het onder 4 ten laste gelegde feit kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden.

4.6

Ten aanzien van dagvaarding V (zaakdossier [betrokkene 9])

4.6.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aan verdachte ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 8] (hierna ook: [slachtoffer 8]) wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.6.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen kan worden. De aangifte van [slachtoffer 8] wordt volgens hen ondersteund door het sms-verkeer tussen [slachtoffer 8] en verdachte en door de verklaring van [getuige 11] bij de politie. Ook de verklaring van [getuige 12] bevestigt naar de mening van de officieren van justitie de aangifte van [slachtoffer 8], evenals het

sms-verkeer tussen [getuige 12] en verdachte.

4.6.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging omdat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Over de verklaring van [getuige 11] heeft de verdediging gezegd dat deze niet voor het bewijs kan worden gebruikt omdat deze is neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen dat drie maanden na het gerelateerde gesprek is opgemaakt en de verdediging [getuige 11] hierover, ondanks een aantal verzoeken daartoe, niet heeft kunnen horen.

4.6.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De verklaringen en bevindingen in het dossier

[slachtoffer 8] heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris als volgt verklaard. Hij deed klusjes voor [getuige 12] en heeft op die manier zo’n € 4.500,- gespaard. Hij had van dat geld aan verdachte € 3.000,- geleend en daar bovenop nog eens € 900,-; bij elkaar dus € 3.900,-. Nadat [slachtoffer 8] twee keer in een kroeg op de [adres 3] tevergeefs om zijn geld had gevraagd, was hij er klaar mee. Hij werd aan het lijntje gehouden. Op een avond heeft hij zijn stem verheven tegen verdachte. Hij zag dat verdachte zijn tanden op elkaar hield. Verdachte zei dat ze samen naar zijn huis zouden rijden en dat [slachtoffer 8] daar zijn geld zou krijgen. Het geld zou in de kelderbox liggen. [slachtoffer 8] geloofde het niet en dacht: “Nu gaat er iets gebeuren, laat het maar komen. Hij gaat me vast niet neerknallen in zijn portiek, maar als hij het doet is het aan hem te relateren”. Verdachte en [slachtoffer 8] zijn naar de kelderbox op de [adres 5] gelopen. Verdachte moest een sleutel halen en toen hij terugkwam zag [slachtoffer 8] dat verdachte zijn rechterhand in zijn jaszak had. Verdachte pakte een pistool uit zijn jaszak en richtte op [slachtoffer 8]. Verdachte hield zijn arm gestrekt en zei: “Tegen mij hoor je niet tekeer te gaan, je hoort respect voor me te hebben”. [slachtoffer 8] reageerde niet. Hij zag dat verdachte doorlaadde. [slachtoffer 8] reageerde nog niet. Daarna ontlaadde verdachte en viel de patroon op de grond. [slachtoffer 8] heeft die opgeraapt en aan verdachte gegeven. Hij dacht: “Dit was het”. Na afloop zijn [slachtoffer 8] en verdachte naar de Colligny gegaan, het café van [getuige 11]. [getuige 11] vertelde [slachtoffer 8] dat verdachte hem had verteld dat hij [slachtoffer 8] had bedreigd met een vuurwapen.

In het dossier is sms-verkeer tussen [getuige 12] en verdachte weergegeven:

  • -

    28-05-2012 om 16:11:50 uur van [getuige 12]: “Ik heb van [betrokkene 7] volledige verklaring evenals van [getuige 11] die min of meer de verklaring van [betrokkene 7] kan bevestigen door hetgeen jij [getuige 11] heeft verteld. Ben eventueel bereid om met alle partijen aan tafel te gaan zitten om t uit te praten maar niet voordat [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 9] zijn afgerekend. te weten 3000€ lening, 900€ lening voor tv en rekeningen [betrokkene 8]&[betrokkene 9]”;

  • -

    29-05-2012 van [getuige 12]: “Wat je financieel met [betrokkene 7] hebt moet je idd maar met hem uitzoeken… Kan je helaas mn zaken niet meer binnen laten”.

[getuige 12] heeft als volgt verklaard. [slachtoffer 8] spaarde bij hem, zo’n € 4.000,-. Op een gegeven moment had [slachtoffer 8] het geld ineens nodig, voor een tweedehands auto voor zijn moeder. Een paar weken later vertelde [slachtoffer 8] dat het geld niet voor een auto was, maar dat hij € 3.000,- aan verdachte had geleend en dat hij ook voor € 900,- een plasma-TV moest voorschieten. Er is toen iets voorgevallen dat [slachtoffer 8] volgens [getuige 12] zelf maar moet vertellen. Hij geloofde [slachtoffer 8] wel en verdachte niet en heeft hem de toegang tot zijn zaken ontzegd.

[getuige 11] heeft tegenover verbalisant Zwart verklaard dat zowel [slachtoffer 8] als verdachte hem hadden verteld dat [slachtoffer 8] door verdachte was bedreigd met een vuurwapen en dat het was gebeurd in de kelder van de woning van verdachte. Verbalisant Zwart heeft deze verklaring gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen verklaringen bevat van getuigen die hebben gezien dat [slachtoffer 8] door verdachte met een vuurwapen is bedreigd.

Naast de verklaring van [slachtoffer 8] zelf is er naar het oordeel van de rechtbank één ander bewijsmiddel aan te wijzen die de aangifte direct zou kunnen ondersteunen en dat is de door een verbalisant bij proces-verbaal van bevindingen gerelateerde verklaring van [getuige 11]. Die verklaring is door [getuige 11] echter niet ondertekend en [getuige 11] heeft geen gehoor gegeven aan oproepen om voor de rechter-commissaris te verschijnen om over zijn belastende verklaring door de verdediging te worden gehoord.

De verklaring van [getuige 11] is een belastende verklaring van een getuige die, in dit geval, het “sole or decisive” bewijsmiddel is waarop de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit kan worden gebaseerd. De verdediging heeft, gelet op de Vidgen-jurisprudentie, het recht om die verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen. Indien dat niet mogelijk is, zal de desbetreffende verklaring niet bruikbaar zijn voor het bewijs, tenzij een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige. Nu een dergelijke compensatie niet is geboden, staat vast dat de verdediging het haar toekomende ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank kan de verklaring van [getuige 11] derhalve niet gebruiken voor het bewijs.

De wetenschap van [getuige 12] omtrent het gebeuren en de sms-berichten zijn óf van [slachtoffer 8] óf van [getuige 11] afkomstig. Zoals hiervoor overwogen is de wetenschap afkomstig van [getuige 11] niet bruikbaar, zodat slechts de verklaring van [slachtoffer 8] resteert.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Het wettig en overtuigend bewijs daartoe ontbreekt. Verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

4.7

Ten aanzien van dagvaarding V (zaakdossier [zaaksnaam 5])

4.7.1

Inleiding113

Vastgesteld kan worden dat verdachte [slachtoffer 9] op 5 maart 2013 in Den Haag heeft ontmoet.114 Verdachte, die boos was op [slachtoffer 9],115 heeft hem aldaar geconfronteerd met een brand die in zijn woning had plaatsgevonden en waarbij brandversnellende middelen waren aangetroffen. [slachtoffer 9] droeg tijdens deze ontmoeting met verdachte een microfoon waarmee het gesprek werd opgenomen.

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank ziet zich vooreerst voor de vraag gesteld of, zoals door de verdediging is gesteld, sprake is van een vormverzuim als het gaat om het opnemen van het gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 9]. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.7.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, voor zover het betreft hetgeen is vermeld onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje. Van het stelselmatig inwinnen van informatie is volgens de officieren van justitie geen sprake, nu de politie niet méér heeft gedaan dan ‘meeliften’ op het gesprek dat [slachtoffer 9] toch al met verdachte wilde voeren en de sturing met name zag op de manier van presenteren en niet op hetgeen [slachtoffer 9] zou gaan vragen.

4.7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu er een burger is ingezet voor de opsporing en de opname van het gesprek tussen verdachte van [slachtoffer 9] slechts is gedekt door een bevel ex artikel 126l Sv. Het verkregen bewijsmateriaal dient, gelet hierop, te worden uitgesloten voor het bewijs. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de elementen van dreiging niet te horen zijn in de opname. Voor het overige ontkent verdachte het ten laste gelegde feit.

4.7.4

De beoordeling van de tenlastelegging

4.7.4.1 Is er sprake van een vormverzuim?

De rechtbank overweegt dat in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, de officier van justitie in het belang van het onderzoek kan bevelen dat een opsporingsambtenaar vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.

De rechtbank overweegt dat in dit geval sprake was van een verdenking van betrokkenheid van verdachte bij het steekincident op 29 januari 2013. Tevens was sprake van een ernstige inbreuk op de rechtsorde vanwege het toegepaste geweld. Verdachte had contact met [slachtoffer 9], die hij inmiddels meerdere keren had ontmoet. Uit de aanvraag116 van het bevel ex artikel 126l Sv kan worden afgeleid dat de politie het voornemen had op enig moment een gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 9] op te nemen. Ten tijde van de aanvraag was nog niet duidelijk of, en zo ja, wanneer en waar dat zou kunnen plaatsvinden. De aanvraag betrof een ad-hoc inzet. De rechter-commissaris heeft op 27 februari 2013 een machtiging verstrekt voor de inzet van het technisch hulpmiddel tussen 27 februari 2013 en 27 maart 2013. Op dezelfde dag heeft de officier van justitie het bevel gegeven als bedoeld in artikel 126l Sv.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer 9] naar aanleiding van zijn ontmoetingen met verdachte op 2 en 4 maart 2013 contact heeft gehad met de politie. Toen het op 5 maart 2013 wederom kwam tot een ontmoeting tussen verdachte en [slachtoffer 9], heeft de politie [slachtoffer 9] uitgerust met het technisch hulpmiddel. Nu de inzet van dit technisch hulpmiddel gericht is geweest op het opnemen van het gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 9], met de bedoeling informatie te verkrijgen over de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij het steekincident, kan niet gezegd worden dat sprake is geweest van het stelselmatig inwinnen van informatie als bedoeld in artikel 126v Sv. Het verweer wordt verworpen.

4.7.4.2 Is sprake geweest van een bedreiging?

De aangifte van [slachtoffer 9]

heeft het volgende verklaard. Toen hij samen met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) buiten stond, heeft hij gelijk gezegd: “Okay, [verdachte] bedankt, laten we het hierbij laten, laat mijn familie met rust en het is klaar”. Hij hoorde dat verdachte tegen hem zei dat hij toch nog wat tegen hem moest zeggen. Verdachte liep met hem mee naar zijn auto. Bij zijn auto aangekomen wilde [slachtoffer 9] het portier openen door de deurklink te pakken. Hij zag dat verdachte voor zijn portier kwam staan. Hierdoor was het voor [slachtoffer 9] niet meer mogelijk om zijn deur te openen.117 Hij voelde zich op dat moment bedreigd.118 Hij zag dat verdachte kwaad werd. Dat zag hij aan zijn ogen en aan zijn houding. Hij hoorde dat verdachte zei: “Jij hebt een brandbom bij mij naar binnen gegooid.” Of hij zou het georganiseerd hebben. [slachtoffer 9] zei dat hij dat niet had gedaan. Toen begon verdachte hem vast te pakken bij zijn shirt en bij zijn sjaal.119 Verdachte trok hem naar zich toe. [slachtoffer 9] hoorde hem zeggen: “Je bent nog niet klaar met mij, je gaat eraan, je bent nog niet van mij af, je hebt geen leven meer.” Terwijl verdachte hem begon te bedreigen heeft [slachtoffer 9] geprobeerd om aan hem te ontkomen door een paar stappen naar achteren te doen. Hij voelde zich echt bedreigd, want hij heeft een moment gedacht: “Nou [slachtoffer 9], dit is het dan.” Verdachte stond heel dicht op hem. Hij hoorde hem alleen maar zeggen: “Je bent nog niet klaar, jij hebt mijn kind in gevaar gebracht, mensen die aan zijn kind komen die hebben echt problemen.” [slachtoffer 9] heeft geen idee wat er zich bij het huis van verdachte heeft afgespeeld. Er zou een brandbom naar binnen zijn gegooid en daar verdenkt verdachte hem nu van. Hij heeft daar echter niets mee te maken.

Het proces-verbaal van uitwerking van het opgenomen gesprek 120

[verdachte].. Wat heb ik gedaan?

[verdachte]: Zaterdag, is er bij mijn gezin thuis...

[slachtoffer 9]: he, [verdachte]!

[verdachte]: een brandbom naar binnen gegooid.

[slachtoffer 9]: Ik heb niks gedaan [verdachte]! Ik zweer het je, ik zweer het je, ik heb niks gedaan.

[verdachte] onverstaanbaar... Nu met mij praten anders heb je een probleem...

[slachtoffer 9]: Ik heb niks gedaan [verdachte]!

[verdachte]: Kom hier, luister, er is zaterdag op mijn verjaardag

[slachtoffer 9]: Ik heb niks gedaan, ik zweer het je op mijn ogen.

[verdachte]: bij mijn kind van 18 maanden.

[slachtoffer 9]: ik heb niks, heb niks gedaan...

[verdachte]: is er een brand bom

[slachtoffer 9]: [verdachte], [verdachte], ik heb, hey jongens, ik heb niks gedaan!

[verdachte]: Ik praat gewoon met jou.

[slachtoffer 9]: Ahjoh!

[verdachte]: Niet schreeuwen gek! Niet schreeuwen. Kom we gaan in de auto zitten. Bemoei je onverstaanbaar... gewoon rustig blijven. Heb jij er wat mee te maken?

[slachtoffer 9]: [verdachte], ik zweer het je, niets. Op de ogen van mijn kinderen, niets mee te maken. Net zo als jij op de ogen van je kinderen hebt gezworen.

[verdachte]: Het gaat om mijn kind van 18 maanden, he.

[slachtoffer 9]: Ik heb niks gedaan [verdachte].

[verdachte]: Als wij... er is een brandbom bij mij naar binnen gegooid.

[slachtoffer 9]: [verdachte] jongen, zie je mij daar nou voor aan?

[verdachte]: Snap jij dat of niet?

[slachtoffer 9]: Zie jij mij daar voor aan?

[verdachte]: Waarvoor ga jij je telefoon uit gooien meteen daarna en jouw hele familie is ondergedoken

ineens. Vind je dat toeval of niet? Denk je dat wij dom zijn.

[slachtoffer 9]: Ik heb er niets mee te maken [verdachte].

[verdachte]: Je hebt er iets mee te maken.

[slachtoffer 9]: Ik zweer het je.

[verdachte]: Het komt van jou af.

[slachtoffer 9]: Ik zweer het je.

[verdachte]: Het moet van jou afkomen.

[slachtoffer 9]: Ik zweer het je [verdachte], ik heb er niks mee te maken. Ik zweer het je op de ogen van de kinderen...

[verdachte]: Waarom zijn die mensen ondergedoken ineens een dag voor dat die aanslag gebeurd.

[slachtoffer 9]: Dat heeft te maken met [slachtoffer 11], die heeft zich gemeld bij dr ouders. Ik zweer het je.

[verdachte]: Weet je dat zeker?

[slachtoffer 9]: Ik zweer het je.

[verdachte]: Want luister, we weten waar jij zit, alles, ik vernietig onverstaanbaar (door een doffe klap en geritsel)

[slachtoffer 9]: Au, godverdomme man, hou op!

[verdachte]: Luister, jij hebt ook kinderen, hebt ook kinderen. Wat is er man, ga weg, loop door, bemoei je er niet mee! Bemoei je er niet mee, ik ben met hem in gesprek, wegwezen! (Op de achtergrond is een nn-man hoorbaar ...onverstaanbaar...) Luister jij hebt ook kinderen he, hij is 18 maanden oud he mijn zoontje, luister!

[slachtoffer 9]: [verdachte], ik zweer het je, op mijn ogen, nog één keertje, mag ik het dan eerlijk zeggen tegen je.

[verdachte]: Ja.

[slachtoffer 9]: Ik heb er niets mee te maken, geloof je me of niet.

[verdachte]: Nou, ik geloof je nog niet.

[slachtoffer 9]: Dat is dan heel raar.

[verdachte]: Waarom doe je zo zenuwachtig, als je gewoon mee was gegaan had ik je... onverstaanbaar...

[slachtoffer 9]: Vind je het gek dat ik zenuwachtig, zit ik hier op te wachten dan. Ik zit hier toch niet op te wachten [verdachte]! Ik zit hier toch niet op te wachten [verdachte]!

[verdachte]: We zijn bezig met het onderzoek. Je houdt je telefoon gewoon beschikbaar voor mij op dit punt.

.— Want dit gaat om leven en dood, snap je, als jij niets te verbergen hebt... onverstaanbaar...

[slachtoffer 9]: Ik heb niks te verbergen.

[verdachte]: Duidelijk of niet, duidelijk?

[slachtoffer 9]: God, sjonge sjonge, zie je wat...

[verdachte]: Op mijn verjaardag is een brandbom, daarom belt de Telegraaf, ja, dit is, dit verhaal hier gaan heel veel mensen door dood. Degene die hiervoor verantwoordelijk is heeft een probleem.

[slachtoffer 9]: Ik heb daar niets mee te maken.

[verdachte]: Want dan roei ik je hele familie uit. (nn-man op de achtergrond hoorbaar ... onverstaanbaar)

Moeten hun weten, fuck die kankermensen wat willen ze nou dan?

[slachtoffer 9]: Ik heb niks te maken [verdachte] hiermee, niets en nogmaals, als je me niet wil geloven

onverstaanbaar...

[verdachte]: [slachtoffer 9], luister, als jij niets te verbergen hebt hou je je telefoon aan.

[slachtoffer 9]: Ik hou mijn telefoon aan.

[verdachte]: Oké, afgesproken of niet.

[slachtoffer 9]: Afgesproken. Jezus, jongens, jongens, [verdachte], anders zou ik toch nooit hier naar toe zijn gekomen.

[verdachte]: Hey, wat zeg je nou?

[slachtoffer 9]: Anders was ik toch nooit hiernaartoe gekomen [verdachte], als ik er iets mee te maken heb.

[verdachte]: Waarom ben je dan zo zenuwachtig, [slachtoffer 9], waarom doe je zo bang voor die kanker 1500 euro om mee te gaan.

[slachtoffer 9]: Ik heb helemaal niks...

[verdachte]: waarom durf je dat niet dan, he?

De verklaring van verdachte ter terechtzitting

Verdachte heeft verklaard dat er een onderzoek is geweest naar de brand in zijn woning en dat er is vastgesteld dat het een aanslag is geweest en er brandversnellende middelen aanwezig waren. Hij wilde de reactie van [slachtoffer 9] en daarom confronteerde hij hem ermee.121 Hij was boos op [slachtoffer 5]. Verdachte heeft verklaard dat het wel zou kunnen dat de confrontatie bedreigend is over gekomen. Hij heeft ook verklaard dat hij [slachtoffer 5] niet heeft bedreigd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 9] heeft belet om in zijn auto te stappen en dat hij hem bij zijn shirt en sjaal heeft vastgepakt. De rechtbank vindt steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 9] in de uitgewerkte opname. Uit die uitwerking blijkt niet alleen dat verdachte [slachtoffer 9] de woorden “Want dit gaat om leven en dood, snap je” en “Want dan roei ik je hele familie uit” heeft toegevoegd, maar ook dat het verloop van het gesprek overeenkomt met de wijze waarop het gesprek volgens de aangifte is verlopen. Zo is daaruit af te leiden dat passanten reageren op het gedrag van verdachte en dat verdachte deze passanten sommeert weg te gaan.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van hetgeen bij het derde gedachtestreepje is vermeld, nu alleen [slachtoffer 9] deze woorden heeft genoemd in zijn aangifte, terwijl die woorden niet naar voren komen in de uitwerking van de opname.

4.8

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van dagvaarding II (zaakdossiers [zaaksnaam 1] en [zaaksnaam 2])

1.

hij op 23 juli 2012 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen tegen het hoofd en in de mond van die [slachtoffer 2] gehouden en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "maak hem af";

2.

hij op 23 juli 2012 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 2], opzettelijk meermalen op/tegen de borst en het gezicht en het oor heeft geslagen en gestompt ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij in de periode van 23 juli 2012 tot en met 24 juli 2012 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders met dat opzet:

- die [slachtoffer 2] naar de woning van verdachte gelokt en/of

- vervolgens die [slachtoffer 2] gedurende enige tijd gedwongen in die woning te blijven en

- die [slachtoffer 2] meermalen geslagen/gestompt en bedreigd met een vuurwapen en met de dreigende woorden “maak hem af”;

5. meer subsidiair

hij op 18 november 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool op die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van dagvaarding III (zaakdossier [zaaksnaam 4]):

1. nog meer subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 29 januari 2013 te 's-Gravenhage, een persoon (te weten [slachtoffer 4]), opzettelijk en met voorbedachten rade, hebben mishandeld, door deze [slachtoffer 4] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, meermalen, in het gezicht en de hals te snijden/steken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel (te weten littekens van sneeën in het gezicht en verlamming/(gedeeltelijk) ontbreken van gevoel in het gezicht), heeft opgelopen,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte op 29 januari 2013 te Rotterdam door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft hij, verdachte:

- die [medeverdachte 2] beloofd dat hij geld zou ontvangen na het verrichten van een opdracht/verzoek om een persoon genaamd [slachtoffer 5] 'klappen te geven' en

- een foto laten zien van die [slachtoffer 5] en

- de informatie gegeven dat die [slachtoffer 5] tussen 22.00 - 23.00 uur de hond zou uitlaten;

2.

hij op 29 januari 2013 te Rotterdam heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door in artikel 47, eerste lid, onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een belofte en het verschaffen van inlichtingen, te bewegen om [slachtoffer 5] enig letsel toe te brengen danwel pijn te doen, bestaande die belofte en het verschaffen van inlichtingen uit:

- de belofte aan die [medeverdachte 2] dat hij geld zou ontvangen na het verrichten van een opdracht/verzoek om een persoon genaamd [slachtoffer 5] 'klappen te geven' en

- het tonen van een foto van die [slachtoffer 5] en

- het geven van de informatie dat die [slachtoffer 5] tussen 22.00 - 23.00 uur de hond zou uitlaten,

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid (omdat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in plaats van die [slachtoffer 5] een ander hebben aangevallen en vervolgens zijn gevlucht);

Ten aanzien van dagvaarding IV (zaakdossier [zaaksnaam 3])

1.

hij op 28 maart 2013 te 's-Gravenhage [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tweemaal (in de lucht) geschoten met een vuurwapen, in de nabijheid van die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7];

2.

hij op 28 maart 2013 te 's-Gravenhage een ander, op of aan de openbare weg, [adres 2], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6], welk geweld bestond uit slaan/stompen het geven van een kopstoot tegen het lichaam van die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 6];

3.

hij op 29 maart 2013 te 's-Gravenhage, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen een hoeveelheid versnijdingsmiddelen fenacetine en lidocaïne (van totaal ongeveer 895,6 gram), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

4.

hij te 's-Gravenhage, op 29 maart 2013, munitie van categorie III, te weten 110 patronen (kaliber 9 mm) en een patroon (kaliber .380 auto), voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van dagvaarding V (zaakdossier [zaaksnaam 5])

2.

hij op 5 maart 2013 te Den Haag [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is/heeft verdachte opzettelijk dreigend:

- voor de autodeur van de auto van die [slachtoffer 5] gaan staan (zodat die [slachtoffer 5] niet in zijn auto kon stappen) en

- die [slachtoffer 5] bij zijn shirt en sjaal vastgepakt en

- die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Dit gaat om leven en dood, snap je" en "dan roei ik je hele familie uit".

5 De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van dagvaarding IV (zaakdossier [zaaksnaam 3])

5.1

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging moet verdachte, als het gaat om de bij dagvaarding IV ten laste gelegde openlijke geweldpleging, worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij een gerechtvaardigd beroep op noodweer kan doen. Verdachte mocht zichzelf en zijn zwager verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, zo heeft de verdediging betoogd.

5.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie omdat verdachte zich samen met zijn zwager naar de woning van de buren heeft begeven en daarmee willens en wetens de spanning heeft opgezocht en het risico op escalatie van het geweld heeft aanvaard. Bovendien was het schieten volgens de officieren van justitie niet proportioneel ten opzichte van het geweld dat plaatsvond.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij zich, nadat hij door zijn zwager werd gebeld, naar de [adres 2] heeft begeven omdat er ruzie was. Zijn zwager was redelijk in paniek aan de telefoon. Toen hij bij zijn zwager stond, belde zijn zus die in paniek was en zei dat ‘ze’ de deur in stonden te trappen. Verdachte wist dus dat hij in een situatie van geweld terecht zou komen en dat hij daar wellicht ook een aandeel in zou krijgen. De lezingen over hoe de vechtpartij is ontstaan, lopen uiteen, maar hoe het ook zij, nu verdachte zich naar de plaats begaf waar het geweld - in zijn lezing - al aan de orde was, kan niet meer worden gezegd dat het geweld dat hij daarna aanwendde, aangewend moet worden ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de op te leggen straf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een elftal strafbare feiten, uiteenlopend van het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen en munitie, van bedreiging - al dan niet met een vuurwapen - openlijke geweldpleging, het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en het medeplegen van mishandeling, een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachte raad, een poging tot uitlokking van mishandeling en het uitlokken van het medeplegen van mishandeling met voorbedachte raad, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft.

Bij de personen die het slachtoffer zijn geworden van de geweldsfeiten zijn gevoelens van grote angst en onveiligheid veroorzaakt, waarvan ook de verschillende slachtofferverklaringen blijk geven. Met name de geweldsuitbarstingen in de zaakdossiers [zaaksnaam 1], [zaaksnaam 2] en [zaaksnaam 4] zijn zeer schokkend. Het slachtoffer [slachtoffer 2] is in een woning vastgehouden, waar hij werd geslagen, ernstig bedreigd en vernederd. Het slachtoffer [slachtoffer 3] is door verdachte dwars door zijn bovenbeen geschoten, als gevolg waarvan [slachtoffer 3] veel pijn heeft (gehad) en gedurende enige tijd is belemmerd in zijn dagelijkse bezigheden. Het is vooralsnog onduidelijk of het letsel van tijdelijke of blijvende aard is. Het slachtoffer [slachtoffer 4] is voor het leven getekend door de ontsierende littekens in zijn gezicht en het ontbreken van gevoel in de rechterzijde van zijn gezicht. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad op dit zeer ernstige letsel, is dat wel het gevolg geweest van de mishandeling waarop verdachte wel het opzet had. Zulks neemt niet weg dat het gebeuren ingrijpende gevolgen heeft gehad voor de psychische gesteldheid van [slachtoffer 4] en de manier waarop hij in het leven staat. Zulke vormen van excessief geweld wakkeren daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving aan, zeker nu de bewezenverklaarde feiten in de zaakdossiers [zaaksnaam 2] en [zaaksnaam 4] op of aan de openbare weg hebben plaatsgevonden. Dat moet in het bijzonder gelden voor de vriend van het slachtoffer [slachtoffer 4], te weten [slachtoffer 5], bij wie hij [slachtoffer 4] op bezoek was en die het eigenlijke doelwit was.

Ten aanzien van de slachtoffers [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] heeft te gelden dat door verdachte inbreuk is gemaakt op hun lichamelijke integriteit en bij hen de vrees is ontstaan dat verdachte hen (dodelijk) zou verwonden.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft in het nadeel van verdachte acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 3 mei 2013. Daaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld, onder meer ter zake van bedreiging, wederrechtelijke vrijheidsberoving, geweldsdelicten en feiten betreffende de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan een psychologisch en psychiatrisch onderzoek, zodat de rechtbank geen antwoord heeft gekregen op de vraag of ten aanzien van verdachte eventueel sprake is van psychopathologie.

De straf

Op het plegen van dergelijke ernstige strafbare feiten als de bovengenoemde, en de recidive van verdachte in aanmerking nemend, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen van minder feiten dan het aantal feiten dat volgens de officieren van justitie bewezen kan worden en zij in bepaalde zaakdossiers ook is gekomen tot andere kwalificaties dan de officieren van justitie, zal zij aan verdachte en lagere straf opleggen dan is geëist.

Het strafmaximum gesteld op de bewezenverklaarde feiten loopt per feit uiteen van negen maanden voor de overtreding van de Wet wapens en munitie tot ten hoogste acht jaren voor de vrijheidsberoving (zaakdossier [zaaksnaam 1]) en de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (zaakdossier [zaaksnaam 2]). Gelet op de samenloop van feiten waarop gevangenisstraffen zijn gesteld, kan verdachte een gevangenisstraf worden opgelegd tot een derde boven het hoogste maximum, derhalve maximaal tien jaren en acht maanden. Oplegging van dit absolute maximum acht de rechtbank in deze niet passend. Hoewel er bij drie van de bewezenverklaarde feiten sprake is van het gebruik van een vuurwapen, zou geen van de bewezenverklaarde feiten op zichzelf tot de oplegging van de voor dat feit geldende maximale gevangenisstraf aanleiding hebben gegeven. De rechtbank maakt zich echter wel grote zorgen over het gemak waarmee verdachte vuurwapens heeft gehanteerd. Daarom ziet de rechtbank wel aanleiding om bij het bepalen van de straf aan te sluiten bij het hoogste maximum dat is gesteld op de afzonderlijke bewezenverklaarde feiten. Het is om voornoemde redenen dat de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren zal opleggen.

8 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

8.1

Zaakdossier [zaaksnaam 7]

[slachtoffer 1], bijgestaan door mr. R.A. Kaarls, advocaat te Den Haag, heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 750,00. Deze vordering valt uiteen in een vergoeding voor materiële schade en een vergoeding voor immateriële schade.

8.1.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 200,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, een en ander met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

8.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8.2

Zaakdossier [zaaksnaam 1]

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.100,00. De vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade bestaande uit fysiek letsel en psychische schade.

8.2.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.500,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, een en ander met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze strekt tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.500,00, tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu door verdachte de omvang van dat onderdeel van de vordering niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bij dagvaarding II bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 23 juli 2012 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat verdachte, indien en voor zover een mededader de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bij dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2].

8.3

Zaakdossier [zaaksnaam 2]

[slachtoffer 3], bijgestaan door mr. M.A. Westendorp, advocaat te Den Haag, heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot
€ 3.514,84. Deze vordering strekt tot vergoeding van zowel materiële als immateriële schade.

8.3.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

8.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering

De vordering is door verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering derhalve geheel, dus voor een bedrag van € 3.514,84, toewijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 18 november 2012 is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.514,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3].

8.4

Zaakdossier [zaaksnaam 4]

8.4.1

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4]

, bijgestaan door mr. M.T. de Vaal, advocaat te Den Haag, heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot
€ 37.767,81. Deze vordering strekt tot vergoeding van zowel materiële als immateriële schade en valt uiteen in de posten “beschadigde goederen”, “medische kosten”, “inkomstenderving”, “reiskosten”, “overig” en “smartengeld”.

8.4.1.1 De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 35.831,75, een en ander met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Een bedrag van € 1.936,06 (de posten Coaching en Advies “Vreugt in je leven” ad € 1.028,50 en Inzet “de Vreugt in je leven” ad € 907,56) is volgens de officieren van justitie niet toewijsbaar.

8.4.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat sprake is van vergoeding van de kosten door de verzekeraar, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering betreffende de gemaakte medische kosten. Voor zover sprake is van coaching of therapie dient volgens de verdediging uit de stukken te blijken, hetgeen niet het geval is, dat deze kosten niet door een verzekering worden vergoed.

8.4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank overweegt dat zij ten aanzien van verdachte bewezen heeft verklaard dat verdachte de opdracht heeft gegeven tot mishandeling, terwijl dit feit voor de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had. Dit gevolg kan, in civilibus, echter niet zonder meer aan verdachte worden toegerekend.

De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8.4.2

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5]

, bijgestaan door mr. M.T. de Vaal, advocaat te Den Haag, heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot

€ 14.140,09, welke betrekking heeft op zowel materiële als immateriële schade

8.4.2.1 De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

8.4.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair is volgens de verdediging een verwijzing naar de burgerlijke rechter noodzakelijk, nu het vraagstuk rondom de gevorderde immateriële schade vanwege het verblijf in een safe-house, welke schade niet nader is gemotiveerd en onderbouwd, te complex is om in een strafproces te worden beoordeeld.

8.4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank overweegt, met name met betrekking tot het gevorderde smartengeld, dat niet zonder meer kan worden gezegd dat het verblijf in het safe-house een rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding III bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8.5

Zaakdossier [zaaksnaam 3]

8.5.1

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 7]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 2.891,76, welke betrekking heeft op zowel materiële als immateriële schade.

8.5.1.1 De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.5.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel deze af te wijzen, nu het vraagstuk omtrent de medeschuld ingewikkeld is en het voorts onduidelijk is waarom de in Turkije gemaakte tandartskosten vergoed zouden moeten worden.

8.5.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank overweegt daartoe dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij aan de burenruzie heeft deelgenomen, zodat van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij (in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek) sprake kan zijn.

De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8.5.2

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6]

, bijgestaan door mr. H. von Hegedus-Faouzi, advocaat te Zoetermeer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot

€ 1.268,00, welke betrekking heeft op materiële schade en kosten voor rechtsbijstand
(€ 143,00).

8.5.2.1 De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250,00 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige, een en ander met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.5.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel deze af te wijzen, nu het vraagstuk omtrent de medeschuld ingewikkeld is en het verdachte niet kan worden verweten dat [slachtoffer 6] vier dagen in de cel heeft moeten doorbrengen.

8.5.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij, ten aanzien van de post “vier dagen niet gewerkt” niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de gevorderde schade, voor zover deze het verblijf in een politiecel betreft, niet is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Dat de benadeelde partij vier dagen niet heeft kunnen werken omdat hij gedurende die dagen in voorarrest zat, staat naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband van het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van de post “gekneusde neus” zal de rechtbank de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank overweegt daartoe dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij aan de burenruzie heeft deelgenomen, zodat van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij (in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek) sprake kan zijn.

De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

9 De inbeslaggenomen goederen

9.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht), behorend bij de zaak met parketnummer 09/827019-13, genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen behorend bij de zaak met parketnummer 09/767122-13 genoemde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte na onherroepelijk vonnis.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de inbeslaggenomen voorwerpen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst behorend bij de zaak met parketnummer 09/827019-13 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bij dagvaarding IV bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst behorend bij de zaak met parketnummer 09/767122-13 genoemde voorwerpen.

10 De vordering tenuitvoerlegging

10.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf welke is opgelegd bij vonnis van deze rechtbank d.d. 12 juli 2010, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officieren van justitie van 18 juni 2013 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank d.d. 12 juli 2010, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Hij heeft zich immers voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom schuldig gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 g, , 36b, 36c, 36f, 45, 46a, 47, 57, 141, 282, 285, 300, 301 en 303 van het
Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

- 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I, bij dagvaarding II onder 4 en 5 primair en subsidiair, bij dagvaarding III onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair en bij dagvaarding V onder 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3 en 5 meer subsidiair, bij dagvaarding III onder 1 nog meer subsidiair en 2, bij dagvaarding IV onder 1, 2, 3 en 4 en bij dagvaarding V onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding II onder 1:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van dagvaarding II onder 2:

medeplegen van mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding II onder 3:

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houd

ten aanzien van dagvaarding II onder 5 meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;

ten aanzien van dagvaarding III onder 1 nog meer subsidiair:

opzettelijke uitlokking van medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

ten aanzien van dagvaarding III onder 2:

poging tot opzettelijke uitlokking van mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 1 en dagvaarding V onder 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 3:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van dagvaarding IV onder 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6], niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige deel
niet-ontvankelijk in zijn vordering;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3], een bedrag van € 3.514,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat

  • -

    van een bedrag groot: € 1.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

  • -

    van een bedrag groot € 3.514,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig), respectievelijk 45 (vijfenveertig) dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of - voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] - zijn mededaders aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of - voor wat betreft de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] - zijn mededaders aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst behorend bij de zaak met parketnummer 09/827019-13 genoemde voorwerpen, te weten:

  • -

    Pistool, Beretta 9 mm met patroonhouder;

  • -

    Patronen 9 mm (10 stuks);

  • -

    971,6 gram witte substantie, bevattende Fenacetine en Lidocaïne;

  • -

    111 stuks munitie (2 patronen 9mm Luger, 108 patronen 9mm FN, 1 patroon IMI 380 Auto);

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst behorend bij de zaak met parketnummer 09/767122-13 genoemde voorwerpen, te weten:

  • -

    Simkaart Vodafone;

  • -

    USB geheugenstick (Atlantis The Palm, Dubai);

  • -

    USB geheugenstick (Atlantis The Palm, Dubai);

  • -

    Mobiele telefoon (Nokia 6303);

  • -

    Mobiele telefoon (Samsung GT-E1150i)

  • -

    Smartphone (iPhone 4);

  • -

    Mobiele telefoon (Nokia 1208);

  • -

    Mini cassetteband (analoog);

  • -

    Doos van mobiele telefoon (Nokia 101);

  • -

    Laptop (Apple);

  • -

    Simkaart T-mobile;

  • -

    USB geheugenstick(TDK);

  • -

    Mini laptop (Samsung);

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van deze rechtbank d.d. 12 juli 2010, gewezen onder parketnummer 09/757767-10, te weten een

gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) MAANDEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Steenhuis, voorzitter,

mrs. Bierling en Van Seventer, rechters

in tegenwoordigheid van mr. Van Zwet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2013-021120 (onderzoek 15 BRR 13110 ‘[zaaksnaam 6]’), zakendossier [zaaksnaam 1] en verdachtedossier V/[verdachte], van de Politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen. Het betreft steeds een verwijzing naar (onderdelen van) wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt dat de aangehaalde processen-verbaal, zijnde schriftelijke bescheiden, steeds zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

2 [zaaksnaam 1]/A/4; verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 5.

3 Verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 5.

4 [zaaksnaam 1]/A/4; verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 5.

5 [zaaksnaam 1]/A/4; verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 5.

6 [zaaksnaam 1]/A/4.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, nr. 28.

8 [zaaksnaam 1]/A/4.

9 [zaaksnaam 1]/A/7.

10 [zaaksnaam 1]/A/4.

11 [zaaksnaam 1]/A/4.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, nr. 33.

13 [zaaksnaam 1]/A/8.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, nr. 37.

15 [zaaksnaam 1]/A/9; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, nr. 37.

16 [zaaksnaam 1]/A/4.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 22 november 2013, nr. 6.

18 [zaaksnaam 1]/G/15.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 22 november 2013, nr. 6.

20 [zaaksnaam 1]/G/14.

21 [zaaksnaam 1]/V/46.

22 [zaaksnaam 1]/V/47.

23 [zaaksnaam 1]/V/48.

24 [zaaksnaam 1]/V/48.

25 [zaaksnaam 1]/V/49.

26 [zaaksnaam 1]/V/22-23.

27 [zaaksnaam 1]/V/35.

28 [zaaksnaam 1]/V/23.

29 [zaaksnaam 1]/V/39.

30 [zaaksnaam 1]/V/38.

31 [zaaksnaam 1]/V/24.

32 [zaaksnaam 1]/V/24.

33 [zaaksnaam 1]/V/4.

34 [zaaksnaam 1]/V/12.

35 [zaaksnaam 1]/V/12.

36 [zaaksnaam 1]/AH/06-09; [zaaksnaam 1]/AH/10-11 en [zaaksnaam 1]/AH/1155.

37 Verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 5.

38 Verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 5.

39 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2013-021120 (onderzoek 15 BRR 13110 ‘[zaaksnaam 6]’), zakendossier [zaaksnaam 2] en verdachtedossier V/[verdachte], van de Politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen. Het betreft steeds een verwijzing naar (onderdelen van) wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt dat de aangehaalde processen-verbaal, zijnde schriftelijke bescheiden, steeds zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

40 [zaaksnaam 2]/A/2-4; verklaring van verdachte ter terechtzitting zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014.

41 [zaaksnaam 2]/A/4, [zaaksnaam 2]/A/15 en [zaaksnaam 2]/G/6.

42 [zaaksnaam 2]/AH/43-52.

43 Geschrift, zijnde het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 juni 2013 betreffende een munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Den Haag op 18 november 2012, met bijlage, forensisch dossier onderzoek “[zaaksnaam 3]”, p. 136 t/m 147.

44 [zaaksnaam 2]/A/1-4; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris d.d. 29 januari 2014, punt 35, 51 en 62.

45 [zaaksnaam 2]/V/73.

46 [zaaksnaam 2]/V/89.

47 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris d.d. 18 december 2013, punt 16.

48 [zaaksnaam 2]/V/96; proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris d.d. 18 december 2013, punt 16 en 17.

49 [zaaksnaam 2]/AH/3.

50 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 11] bij de rechter-commissaris d.d. 20 november 2013, punt 60 t/m 65.

51 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2013-021120 (onderzoek 15 BRR 13110 ‘[zaaksnaam 6]’), zakendossier [zaaksnaam 4] en verdachtedossier V/[verdachte], van de Politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen. Het betreft steeds een verwijzing naar (onderdelen van) wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt dat de aangehaalde processen-verbaal, zijnde schriftelijke bescheiden, steeds zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

52 [zaaksnaam 4]/A/1-3; [zaaksnaam 4]/AH/7.

53 [zaaksnaam 4]/AH/143, 144, 146.

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 13 en 14.

55 Verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 10.

56 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 13.

57 [zaaksnaam 4]/GD/1-8.

58 Een geschrift, te weten de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 4] d.d. 24 januari 2014, p. 2.

59 [zaaksnaam 4]/AH/187.

60 [zaaksnaam 4]/V/25.

61 [zaaksnaam 4]/V/3.

62 [zaaksnaam 4]/V/31.

63 [zaaksnaam 4]/V/32.

64 [zaaksnaam 4]/V/32.

65 [zaaksnaam 4]/V/32.

66 [zaaksnaam 4]/V/32.

67 [zaaksnaam 4]/V/35.

68 [zaaksnaam 4]/V/35.

69 [zaaksnaam 4]/V/7.

70 [zaaksnaam 4]/V/36.

71 [zaaksnaam 4]/V/31.

72 [zaaksnaam 4]/V/68.

73 [zaaksnaam 4]/V/69.

74 [zaaksnaam 4]/G/21.

75 [zaaksnaam 4]/G/5.

76 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 13.

77 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2013-062574 (onderzoek 15 BRR 13110 ‘[zaaksnaam 6]’), zakendossier [zaaksnaam 3] en verdachtedossier V/[verdachte], van de Politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen. Het betreft steeds een verwijzing naar (onderdelen van) wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt dat de aangehaalde processen-verbaal, zijnde schriftelijke bescheiden, steeds zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

78 [zaaksnaam 3]/G/37-38.

79 [zaaksnaam 3]/V/38; [zaaksnaam 3]/V/50.

80 [zaaksnaam 3]/V/50; verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 14.

81 [zaaksnaam 3]/AH/47; [zaaksnaam 3]/AH/17.

82 [zaaksnaam 3]/AH/3-5.

83 [zaaksnaam 3]/G/15.

84 [zaaksnaam 3]/G/15.

85 [zaaksnaam 3]/G/15.

86 [zaaksnaam 3]/G/18.

87 [zaaksnaam 3]/G/18.

88 [zaaksnaam 3]/G/18.

89 [zaaksnaam 3]/G/19.

90 [zaaksnaam 3]/G/33.

91 [zaaksnaam 3]/G/33.

92 [zaaksnaam 3]/G/36.

93 [zaaksnaam 3]/G/36.

94 [zaaksnaam 3]/G/36.

95 [zaaksnaam 3]/V/33.

96 [zaaksnaam 3]/G/38.

97 [zaaksnaam 3]/G/38.

98 [zaaksnaam 3]/G/38.

99 [zaaksnaam 3]/G/43.

100 [zaaksnaam 3]/V/38.

101 [zaaksnaam 3]/V/38.

102 [zaaksnaam 3]/V/38.

103 [zaaksnaam 3]/V/38.

104 [zaaksnaam 3]/V/50.

105 [zaaksnaam 3]/V/50.

106 [zaaksnaam 3]/V/12.

107 [zaaksnaam 3]/V/7.

108 [zaaksnaam 3]/V/2

109 [zaaksnaam 3]/AH/3

110 [zaaksnaam 3]/AH/14

111 [zaaksnaam 3]/AH/17

112 Verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 6.

113 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2013-021120 (onderzoek 15 BRR 13110 ‘[zaaksnaam 6]’), zakendossier [zaaksnaam 5] en verdachtedossier V/[verdachte], van de Politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen. Het betreft steeds een verwijzing naar (onderdelen van) wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt dat de aangehaalde processen-verbaal, zijnde schriftelijke bescheiden, steeds zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

114 [zaaksnaam 5]/A/1.

115 Verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 12.

116 V/[verdachte]/MPV/779.

117 [zaaksnaam 5]/A/2.

118 [zaaksnaam 5]/A/2.

119 [zaaksnaam 5]/A/3.

120 [zaaksnaam 5]/AH/9 en 10.

121 Verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2014 en 1 juli 2014, p. 12.