Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12463

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1588
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 28a van de Wet op de Loonbelasting 1964.

X heeft een ‘Mededeling Loonheffingen Correctieverplichting’ van verweerder ontvangen. X heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is niet ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak heeft X een beroepschrift ingediend.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat tegen een dergelijke mededeling geen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter openstaat vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit is niet in strijd met enige verdragsrechtelijke bepaling. Het beroep is ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 14, geldigheid: 2014-11-10
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26, geldigheid: 2014-11-10
Wet op de loonbelasting 1964 28a, geldigheid: 2014-11-10
Algemene wet bestuursrecht 7:1, geldigheid: 2014-11-10
Grondwet 120, geldigheid: 2014-11-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-3013
V-N Vandaag 2014/2649
V-N 2015/8.20.9

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/1588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2014 in de zaak tussen

[X], gevestigd te[Z], eiseres

(gemachtigde:[A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor[P], verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft met dagtekening 9 januari 2014 een ‘Mededeling Loonheffingen Correctieverplichting’ (hierna te noemen: correctiemededeling) van verweerder ontvangen. Eiseres heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft bij beschikking van 13 februari 2014 eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2014.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [B] en [C].

Overwegingen

Feiten

1.

In de correctiemededeling is – voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“U moet een aantal aangiftes loonheffingen corrigeren.

Een aantal aangiftes bevat één of meer fouten. Uw correcties moeten uiterlijk op 28-02-2014 bij ons binnen zijn.

Wij hebben bij een boekenonderzoek geconstateerd dat een aantal aangiftes loonheffingen één of meer fouten bevat. Het gaat dan om de aangiftes over de volgende tijdvakken:

01-01-2009 tot en met 31-01-2009

(…)

Op de achterkant vindt u meer informatie over de geconstateerde fouten. U moet deze onjuistheden en/of onvolledigheden herstellen door correcties in te zenden. (…)

Aangifteverzuim.

Omdat de aangiftes over de hiervoor vermelde tijdvakken één of meer fouten bevatten, is er voor elk van deze tijdvakken sprake van een aangifteverzuim. Deze verzuimen leiden op dit moment nog niet tot een boete. (…)”

2.

Eiseres heeft bezwaar ingesteld tegen de correctiemededeling. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen de mededeling geen bezwaar en beroep zou zijn opengesteld.

Geschil

3.

In geschil is of verweerder eiseres terecht niet-ontvankelijk in haar bezwaar heeft verklaard. Voorts is in geschil of de correctiemededeling terecht is.

4.

Eiseres stelt dat de onmogelijkheid om in bezwaar en in beroep te gaan tegen de correctiemededeling in strijd is met de artikelen 6, eerste lid, en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), artikel 14 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR) en de algemene rechtsbeginselen. Gelet op deze artikelen dient de correctiemededeling, aldus eiseres, te worden gelijkgesteld met een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking betreffende de afdracht op aangifte dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

Beoordeling van het geschil

Relevante bepalingen

5.

Artikel 28a van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) luidt voor zover van belang:

“1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald van welke gegevens opgave wordt verlangd in geval van een onjuiste of onvolledige aangifte en kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop, de vorm waarin en de termijnen waarbinnen die gegevens worden verstrekt.

2.

De inhoudingsplichtige of gewezen inhoudingsplichtige is gehouden, al dan niet op verzoek van de inspecteur en al dan niet door middel van een correctiebericht, de juiste en volledige gegevens, bedoeld in het eerste lid, te verstrekken indien:
(…)
d. de inspecteur binnen vijf jaren na het einde van een verstreken kalenderjaar met betrekking tot een aangifte over een tijdvak in dat kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of onvolledig is en:

1° die aangifte niet is hersteld;

2° de aangiftetermijn van de laatste aangifte over dat kalenderjaar is verstreken;”

6.

Artikel 26 van de Awr luidt:

“1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

2.

De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet.”

Ontvankelijkheid van het bezwaar

7.

Verweerder heeft op grond van artikel 28a, tweede lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964 de onderhavige correctiemededeling aan eiseres verzonden. Dit artikel betreft een wettelijke bepaling inzake de heffing van een rijksbelasting (zie artikel 2, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 1 Awr). De wetgever heeft de correctiemededeling niet aangewezen als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, van de Awr. Gelet hierop kan de correctiemededeling niet hiermede worden gelijkgesteld en evenmin als zodanig worden behandeld. De correctiemededeling kan naar het oordeel van de rechtbank tevens niet worden aangemerkt als een voldoening of afdracht op aangifte dan wel een inhouding als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Tegen de mededeling staat volgens het nationaal geldende recht (zie artikel 26, eerste lid, Awr juncto artikel 7:1, eerste lid, Awb) dan ook geen bezwaar en beroep open bij de bestuursrechter.

8.

Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 26 van de Awr voorts niet in strijd met de in 4 vermelde artikelen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

8.1.

Het beroep van eiseres op artikel 6 EVRM kan haar niet baten, aangezien ‘tax disputes’ (geschillen over (de heffing van) belastingen) volgens vaste rechtspraak van het EHRM buiten het bereik vallen van artikel 6 van het EVRM (vgl. onder meer EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, r.o. 29, Ferrazzini tegen Italië, NJ 2004/435 en EHRM 6 maart 2008, nr. 26455/04, CASE OF PLAZONIĆ v. CROATIA, r.o. 65). Daarnaast is er (nog) geen sprake van een zogenoemde ‘criminal charge’ ten aanzien van eiseres. Dat aan eiseres een verzuimboete kan worden opgelegd indien zij niet voldoet aan de aan haar opgelegde correctieverplichting, maakt dit niet anders. Eiseres komt in het onderhavige geval in beroep tegen de aan haar opgelegde correctieverplichting. Een verzuimboete is niet aan de orde.

Ook indien moet worden aangenomen dat het hier (nog) niet om een ‘tax dispute’ gaat maar om het vaststellen van de burgerlijke verplichtingen van eiseres als bedoeld in artikel 6 EVRM dan is het niet in behandeling nemen van de klacht met betrekking tot de correctiemededeling door de bestuursrechter niet in strijd met dit artikel. Nu toegang tot de bestuursrechter is uitgesloten, heeft eiseres de mogelijkheid om de rechtmatigheid van de aan haar door verweerder opgelegde verplichting aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

8.2

Zoals in 8.1 hiervoor overwogen bestaat met betrekking tot de beoordeling van de rechtmatigheid van de correctieverplichting een rechtsmiddel voor een nationale rechter. Een schending van artikel 13 EVRM is derhalve niet aan de orde. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseres in principe de (uiteindelijk) aan orde zijnde belastingheffing en een eventueel opgelegde verzuimboete bij de bestuursrechter in rechte kan bestrijden. Als verweerder een naheffingsaanslag loonbelasting oplegt – al dan niet naar aanleiding van een correctiebericht – kan eiseres daar op grond van artikel 26 van de Awr immers bezwaar en vervolgens beroep tegen aantekenen. Indien eiseres een aanvullende betaling doet op de door verweerder voor onjuist gehouden aangiftes loonbelasting, kan zij voorts - eveneens op grond van datzelfde artikel 26 van de Awr - daartegen bezwaar en beroep aantekenen.

8.3.

Artikel 47 van het Handvest is niet van toepassing, aangezien er in het onderhavige geval geen sprake is van het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie (zie artikel 51, eerste lid, van het Handvest).

8.4.

Van een schending van artikel 14 van het IVBPR is gelet op hetgeen in 8.1 hiervoor is overwogen, eveneens geen sprake.

8.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is de onmogelijkheid om tegen de correctiemededeling in bezwaar en in beroep te gaan ten slotte mede niet in strijd met enig ander algemeen rechtsbeginsel.

9.

De rechtbank is ingevolge artikel 120 van de Grondwet voorts niet bevoegd de grondwettigheid van de Awr te beoordelen. De stelling van eiseres dat uit de parlementaire behandeling van de wijziging van de Wet LB 1964 niet blijkt dat de wetgever bewust heeft afgezien van rechtsbescherming, geeft de rechtbank geen aanleiding de correctiemededeling als een voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken.

10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder eiseres terecht niet-ontvankelijk in haar bezwaar verklaard en zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Aan een inhoudelijke behandeling wordt niet toegekomen.

Opmerking verdient nog dat in een geval als het onderhavige, waarin geen bezwaar openstaat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit en daartegen niettemin bezwaar wordt gemaakt, de belastingrechter bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen de uitspraak die de inspecteur op een zodanig bezwaar heeft gedaan. Bij zijn oordeel over de gegrondheid van een dergelijk beroep dient de belastingrechter te beoordelen of inderdaad sprake is van een ingevolge de belastingwet genomen besluit waartegen geen bezwaar openstaat (vgl. Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, r.o. 4.2.5).

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014.