Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12402

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
09-174100-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/174100-13

Kenmerk RK: 14/2591

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[Veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

wonende [adres],

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. M.E. Gilsing,

Zuid-Hollandlaan 7, 2596 AL Den Haag,

tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.

De rechtbank heeft dit bezwaar op 23 september 2014 in raadkamer behandeld.

Veroordeelde, bijgestaan door mr. M.E. Gilsing, is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaar.

Veroordeelde is bij uitspraak van 2 december 2013 door de enkelvoudige strafkamer jeugdstrafzaken van deze rechtbank ter zake van – kort gezegd – mishandeling, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.

Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 10 april 2014, op

2 juni 2014 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna ook: de Wet), celmateriaal afgenomen.

Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 13 juni 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.

Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.

Door de raadsvrouw is namens de bezwaarde aangevoerd dat het bepalen en het verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde in strijd is met de letter en de geest van de artikelen 3, 16 en 40 IVRK en artikel 8 EVRM. Veroordeelde is first-offender en was net 16 jaar ten tijde van de gepleegde mishandeling. Het incident moet geplaatst worden in het licht van de stelselmatige pesterijen door klasgenoten, mede vanwege zijn seksuele geaardheid, waardoor veroordeelde op enig moment disproportioneel heeft gereageerd. Bezwaarde acht de relatieve geringe ernst van het feit, de hoogte van de straf, zijn jonge leeftijd en het ontbreken van herhalingsgevaar redenen om zijn persoonlijk belang te laten prevaleren boven het algemeen maatschappelijk belang dat gediend is bij het opslaan/verwerken van de DNA-gegevens. Het bepalen en het verwerken van het DNA-profiel wordt disproportioneel geacht, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kent de uitzonderingsbepaling dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Over de reikwijdte van deze uitzonderingsgrond heeft de Hoge Raad op 13 mei 2008 twee arresten gewezen (LJN: BC 8231 en BC 8234) en bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee, beperkt uit te leggen, uitzonderingen die artikel 2, eerste lid, van de wet, behelst.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van één van de uitzonderingen waarop in artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt gedoeld.

In de aard van het delict, een geweldsdelict, ziet de rechtbank geen redenen op grond waarvan de opname van het DNA-profiel van bezwaarde in de DNA-databank niet zou mogen geschieden. Immers, DNA-materiaal is niet zelden van betekenis bij de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van geweldsdelicten.

De rechtbank ziet in de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd wel redenen het bezwaar gegrond te verklaren. Ofschoon de Wet geen ruimte biedt voor een generieke uitzondering voor minderjarigen, kan de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het plegen van het delict een rol spelen bij de beoordeling van deze omstandigheden. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Bezwaarde was net 16 jaar oud ten tijde van de door hem gepleegde mishandeling. Hij werd niet eerder veroordeeld en is sindsdien niet meer met justitie in aanraking gekomen. Blijkens een rapportage omtrent bezwaarde bevond hij zich ten tijde van het delict vanwege zijn nog niet bekendgemaakte seksuele geaardheid in een kwetsbare positie die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het plegen van het delict. Nu bezwaarde nadien jegens zijn omgeving en familie is uitgekomen voor zijn geaardheid, acht de rapporteur de kans op herhaling uitgesloten. Tot slot overweegt de rechtbank dat aan bezwaarde een werkstraf van 20 uur is opgelegd, een relatief milde straf. Bovendien is het de rechtbank ambtshalve bekend dat in jeugdstrafzaken deze strafhoogte én modaliteit als uitgangspunt wordt gehanteerd voor mishandeling zonder letsel. Daarentegen wordt in het volwassenenstrafrecht uitgegaan van een geldboete van € 500,=. Bij die strafmodaliteit zou geen sprake zijn geweest van een bevel tot afname van DNA-materiaal.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard. De officier van justitie dient op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet DNA bij veroordeelden ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van bezwaarde terstond wordt vernietigd.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. E.C.M. Bouman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. R. Moese, griffier, en uitgesproken ter zitting van 7 oktober 2014.