Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12375

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
C-09-472712 - FA RK 14-6871
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar België is toegewezen. Anders dan moeder stelt is het Verdrag van toepassing (ondanks geringe afstand). Geen toestemming, geen berusting, geen sprake van weigeringsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 14-6871

Zaaknummer: C/09/472712

Datum beschikking: 9 oktober 2014

Aantal fotokopieën per beschikking

4 bij 1 procureur

6 bij 2 procureurs

1 extra bij:

- last aan de Raad voor Rechtsbijstand tot toevoeging advocaat ex 817 Rv

- Ipr-zaak

- uitgebracht of uit te brengen rapport Raad voor de Kinderbescherming

- Gezagswijziging ten behoeve van het gezagregister

- Kostenveroordeling ex art. 243 rv

2 extra bij:

- Benoeming van elke deskundige

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 28 augustus 2014 ingekomen verzoek van:

[de man],

de vader,

wonende te[woonplaats], België,

advocaat: mr. J. Mulder te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de moeder,

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats],

advocaat: mr. G.L. Brokking-van Alphen te Valkenswaard.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen d.d. 15 september 2014 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 23 september 2014 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 24 september 2014 van de zijde van de moeder.

Op 11 september 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. L.J. Zietsman, kantoorgenoot van mr. Mulder voornoemd, alsmede de moeder bijgestaan door haar advocaat. Van de zijde van de moeder zijn nadere stukken overgelegd. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.M.A. Keulen. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 15 september 2014 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation heeft geresulteerd in een spiegelovereenkomst.

De na te melden minderjarigen zijn op 25 september 2014 in raadkamer gehoord.

Op 25 september 2014 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. L.J. Zietsman, kantoorgenoot van mr. Mulder voornoemd, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Door beide partijen zijn pleitnotities overgelegd. Van de zijde van de vader is een nader stuk overgelegd, inhoudende een aanvullend verzoek tot een veroordeling van de moeder in de proceskosten van de vader.

Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.

Daartoe is opgenomen de tekst ’zoals dat thans luidt’ of ’thans nog’.

Verzoek en verweer

De vader heeft thans nog verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, althans de terugkeer te bevelen voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar België, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen – een datum te bepalen waarop de moeder de minderjarigen met de benodigde reisdocumenten aan de vader dient af te geven, zodat hij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar België, zulks voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. De moeder verzoekt primair het verzoek van de vader af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder een termijn te stellen voor teruggeleiding totdat een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming heeft plaatsgevonden met betrekking tot de belangen van de kinderen over het hoofdverblijf, althans totdat de moeder haar verblijf in België heeft kunnen regelen.

Tevens heeft de moeder zelfstandig nog verzocht om de afspraken van de hierboven genoemde crossborder mediation neergelegd in een vaststellingsovereenkomst, door beide partijen getekend op 14 september 2014, aan de beschikking te hechten.

Feiten

  • -

    Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

  • -

    Uit de moeder zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] België, die door de vader is erkend

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats] België, die door de vader is erkend.

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

  • -

    De minderjarigen verblijven sinds begin juli 2014 met de moeder in Nederland en zijn op [d.d.]uitgeschreven bij de gemeente [woonplaats], België.

  • -

    De vader heeft de Belgische nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de minderjarigen hebben de Nederlandse en Belgische nationaliteit.

  • -

    De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA).

  • -

    Op 18 juli 2014 heeft de moeder bij rechtbank [rechtbank]een verzoekschrift ingediend, waarin zij – kort gezegd – verzoekt om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen, een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen vast te stellen en een kinderalimentatie te bepalen.

  • -

    Op 23 juli 2014 is de vader bij de rechtbank [rechtbank], afdeling [stad], een kortgeding procedure gestart, waarin hij – kort gezegd en voor zover hier van belang – verzoekt om het eenhoofdig gezag over de minderjarigen en te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben.

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en België zijn partij bij het Verdrag.

De moeder stelt dat het Verdrag niet van toepassing is nu zij met de minderjarigen slechts 60 kilometer bij de vader vandaan is gaan wonen en de grens tussen België en Nederland slechts een toevalligheid betreft.

De rechtbank zal deze stelling passeren en overweegt daartoe als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van het Verdrag is het Verdrag formeel en materieel op de onderhavige situatie van toepassing. Bovendien is de strekking van het Verdrag er juist op gericht om procedures vast te stellen die de onmiddellijke terugkeer van het kind waarborgen naar het land van herkomst, alsmede de bescherming van het omgangsrecht te verzekeren. De achterliggende gedacht van het Verdrag hierbij is dat in het land van herkomst het beste kan worden geoordeeld over de belangen van het kind. Dat de woningen van de moeder en de vader niet ver van elkaar verwijderd liggen doet hieraan niet af (zie tevens Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Rouiller t. Zwitserland, 22 juli 2014).

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

De moeder heeft gesteld dat toepassing van het Verdrag onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is. Hiertoe heeft de moeder aangevoerd dat de vader haar door zijn gedragingen geen andere keuze heeft gelaten dan te vertrekken naar Nederland alwaar haar sociale vangnet zich bevindt. De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt van de moeder nu zoals reeds is overwogen het Verdrag in de onderhavige zaak formeel en materieel van toepassing is. Hierbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat de inhoudelijke stellingen van de moeder in het hierna volgende nog zullen worden besproken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in België hadden en dat partijen naar Belgisch recht beiden zijn belast met het gezag over de minderjarigen. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. De relatie van partijen verliep al enige tijd moeizaam en op 4 juli 2014 heeft zich een escalatie van de situatie voorgedaan, die vervolgens is gesust. Hierna is de moeder met de minderjarigen, met instemming van de vader, naar Nederland vertrokken voor de voortzetting van de vakantie. Gedurende deze vakantie heeft de moeder aan de vader te kennen gegeven dat zij de relatie wilde beëindigen en is zij niet teruggekeerd naar België.

Partijen twisten over de vraag of de moeder toestemming had om met de minderjarigen in Nederland te blijven.

De rechtbank stelt voorop dat de ouder die zich hierop beroept, in dit geval de moeder, zal moeten stellen en zonodig bewijzen dat de andere ouder ermee heeft ingestemd dat zij zich met de minderjarigen permanent zou vestigen in Nederland..

De rechtbank overweegt dat de moeder onvoldoende heeft geconcretiseerd waaruit de (impliciete) instemming van de vader om met de minderjarigen in Nederland te blijven, zou blijken. De moeder heeft in dit verband schriftelijke verklaringen van de heer [naam]en mevrouw [naam] overgelegd. Echter, uit deze verklaringen kan worden afgeleid hoe de relatie van partijen in de eerste weken van juli 2014 is verlopen en geëindigd, maar niets omtrent eventuele instemming van de vader. De vader heeft betwist dat hij heeft ingestemd en daartoe gesteld dat direct nadat voor hem duidelijk was dat de moeder en de minderjarigen niet naar België zouden terugkeren, hij hiervan melding heeft gemaakt bij de politie. Aan het ter terechtzitting gedane bewijsaanbod van de moeder door middel van het horen van voornoemde personen, gaat de rechtbank voorbij nu de vrouw onvoldoende feiten heeft gesteld die zouden moeten leiden tot het oordeel dat de man wel toestemming heeft verleend.

De conclusie luidt dat niet de overbrenging, doch wel de vasthouding van de minderjarigen in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarigen in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a, en b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

De moeder heeft in dit kader dezelfde stellingen naar voren gebracht als die met betrekking tot de door haar gestelde toestemming. De man betwist dat hij heeft ingestemd dan wel berust in het niet doen terugkeren.

De rechtbank stelt voorop dat berusting niet snel kan worden aangenomen. Om te beoordelen of sprake is van berusting dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de vader heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van de minderjarigen voortaan in Nederland zou zijn. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin, en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder, mede in het licht van de betwisting door de vader, onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de vader heeft berust in dan wel toegestemd met de achterhouding van de minderjarigen in Nederland. Zij heeft in dit kader niet meer aangevoerd dan dat zij reeds heeft gedaan in het kader van de door haar gestelde toestemming van de vader voor verblijf in Nederland. Op dezelfde gronden als hiervoor is overwogen onder het kopje ‘Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdragpasseert de rechtbank het bewijsaanbod van de moeder hieromtrent.

Gezien het voorgaande faalt het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De rechtbank stelt voorop dat doel en strekking van het Verdrag met zich brengen dat als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van de minderjarigen is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden, wanneer terugkeer het ernstige risico met zich brengt dat het kind in lichamelijk of geestelijk gevaar wordt gebracht, geweigerd wordt. De belangenafweging bij de vraag, waar de minderjarigen hun uiteindelijke hoofdverblijf dienen te hebben, dient plaats te vinden in een bodemprocedure en past niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen.

De stelling van de moeder dat de vader door zijn beroep als [beroep] en lidmaatschap van de [instantie]onvoldoende tijd heeft en niet in staat is om de minderjarigen op juiste wijze op te vangen, wordt in dat licht gepasseerd. Hierbij heeft de rechtbank tevens de door partijen overeengekomen zorgregelingen in de spiegelovereenkomst in aanmerking genomen. De stelling dat de vader niet zal gaan handelen conform hetgeen partijen zijn overeengekomen, wordt eveneens gepasseerd nu de vader dat ter terechtzitting nadrukkelijk heeft weersproken en de vader geen bezwaar heeft tegen opname van deze overeenkomst in de beschikking.

De moeder stelt voorts dat uit de uitlatingen van de minderjarigen blijkt dat er sprake is geweest van geweld binnen het gezin en mogelijk grensoverschrijdend gedrag. Dit heeft aanleiding gegeven aan Jeugdzorg om het Advies Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) in te schakelen. Evenwel is thans door het AMK geen verdere actie ondernomen omdat de minderjarigen bij de moeder in een veilige situatie verblijven, aldus de moeder. Zij stelt dat de vader de problematiek van de minderjarigen niet onderkent, zodat er bij terugkeer van de minderjarigen naar België geen adequate hulpverlening zal komen. De moeder heeft ter onderbouwing van haar stellingen een aantal verklaringen overgelegd van school, een sociaal pedagogisch hulpverleenster en de hulpverlenende instantie LEV Groep.

De rechtbank overweegt dat in de door de moeder overgelegde verklaringen wordt weergegeven wat de moeder zelf aan de betrokkenen heeft verteld over de gebeurtenissen in België. Voorts blijkt hieruit dat de minderjarigen last hebben van de ruzies tussen partijen en de huidige situatie waarin veel onzekerheid bestaat over de definitieve verblijfplaats. Dit vormt naar het oordeel van de rechtbank echter geen objectief bewijs van de stellingen van moeder dat sprake is geweest van geweld.

Voorts is ter terechtzitting gebleken dat de vader de zorgen van moeder over de minderjarigen erkent en inziet dat hulpverlening – met name voor [minderjarige]– is aangewezen. Niet is gebleken dat voor de minderjarigen in België geen geschikte hulpverlening voorhanden is.

De moeder heeft tot slot nog gesteld dat terugkeer naar België voor haar heel moeilijk te verwezenlijken is, nu zij mogelijk geen recht heeft op een uitkering in België en daar geen groot sociaal netwerk heeft. Om haar terugkeer voor te bereiden heeft zij in ieder geval tijd nodig, in welke periode de minderjarigen bij de vader zullen verblijven. De vader geeft de minderjarigen echter geen ruimte in hun contact met de moeder. Hierdoor zullen de minderjarigen in een ondraaglijke toestand komen te verkeren, aldus de moeder.

De vader heeft dit betwist, stellende dat er in België ook mogelijkheden zijn voor het verkrijgen van een uitkering dan wel inkomen en dat de vrouw wel kennissen heeft in België. Bovendien heeft de moeder een opleiding tot schoonheidsspecialiste in België afgerond die in Nederland niet geldig is gebleken en heeft zij in België als schoonheidsspecialiste gewerkt, zodat de kans op een arbeidsinkomen in België aanzienlijk groter is.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling met betrekking tot haar situatie in België, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. Voor wat betreft de stelling van de moeder dat de vader de minderjarigen niet zal steunen in hun contact met de moeder, overweegt de rechtbank dat daaromtrent in de door partijen overgelegde spiegelovereenkomst duidelijke afspraken zijn gemaakt en dat niet gebleken is dat de vader zijn afspraken daaromtrent niet zal nakomen.

Gelet op het vorenstaande faalt het beroep van de moeder op voormelde weigeringsgrond.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank stelt voorop dat het gerechtvaardigd is om met de mening van kinderen rekening te houden indien zij oud en rijp genoeg zijn om de gevolgen van hun wensen op korte en lange termijn te overzien. In zijn algemeenheid acht de rechtbank kinderen van zes en zeven jaar hiertoe niet oud en rijp genoeg. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel tot het oordeel leiden dat een kind van deze leeftijd wel die mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden.

Nu in onderhavige zaak niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat de minderjarigen niet die leeftijd en mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank ziet bijgevolg ook geen aanleiding om de Raad voor de Kinderbescherming ter zake een onderzoek te laten verrichten. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a, lid 1 onder b en lid 2 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarigen een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 24 oktober 2014, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Hieruit volgt dat het verzoek van de moeder om de beslissing in deze procedure aan te houden in afwachting van de uitspraak in de kortgeding procedure in België zal worden afgewezen. Zoals reeds eerder overwogen wordt in deze procedure slechts een ordemaatregel getroffen waarin uitsluitend wordt geoordeeld over de vraag of de minderjarigen terug moeten keren naar België. Dat in een procedure in België eventueel kan worden beslist dat de moeder met de minderjarigen naar Nederland mag verhuizen, rechtvaardigt in deze procedure geen aanhouding.

Het verzoek van de moeder om te bepalen dat zij tijd krijgt om woonruimte en financiële middelen in België te organiseren alvorens zij samen met de minderjarigen terugkeert naar België, wijst de rechtbank eveneens af nu het karakter van de onderhavige procedure – die ziet op een snel herstel van de toestand voorafgaand aan de onrechtmatige overbrenging/achterhouding – zich daartegen verzet.

De rechtbank benadrukt – evenals zij reeds ter terechtzitting heeft gedaan – dat het de verantwoordelijkheid van beide partijen is te voorkomen dat de minderjarigen in een relatief korte periode meerdere malen van woonplaats en school zouden moeten wisselen.

Sterke arm

Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Opname vaststellingsovereenkomst

Partijen zijn in de door de moeder overgelegde vaststellingsovereenkomst d.d. 14 september 2014 twee contactregelingen overeengekomen, één voor het geval de teruggeleiding naar België zou worden gelast (3A) en één voor het geval dat het teruggeleidingsverzoek wordt afgewezen (3B). Zij zijn verder overeengekomen dat één van de twee genoemde regelingen, afhankelijk van de beslissing van de rechtbank Den Haag of het gerechtshof Den Haag in geval van hoger beroep, zal worden opgenomen in de te wijzen beschikking. De moeder heeft aanvullend verzocht de tussen partijen overeengekomen contactregeling vast te leggen in de beschikking. De vader heeft zich hiermee akkoord verklaard.

De rechtbank zal het verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen als na te melden.

KAls er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

osten

De vader heeft dit verzoek ter terechtzitting ingetrokken zodat dit verzoek geen bespreking meer behoeft.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], België,

  • -

    [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] België,

naar België uiterlijk op 24 oktober 2014, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar België en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar België, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 24 oktober 2014, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar België;

neemt op de door de vader en de moeder getroffen onderlinge regeling ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid aangaande genoemde minderjarigen, zoals neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst van 14 september 2014 en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Visser, M.P. Verloop en A.M. Brakel, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. C.J.M. Manders als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2014.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.