Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12297

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
22-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4170
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft een nieuwe aanvraag van betrokkene voor een WIA-uitkering ook ambtshalve aangemerkt als een herzieningsverzoek. In beginsel is het Uwv bevoegd dit te doen. Een negatieve uitkomst van een dergelijke ambtshalve beoordeling is echter geen besluit in de zin van de Awb. De rechtspositie van betrokkene wijzigt immers niet en dus is er geen rechtsgevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/4170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2014 in de zaak tussen

[X], te [A], eiser

(gemachtigde: [Z]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A.M. Snijders).

Procesverloop

Bij brief van 28 oktober 2013 heeft verweerder geweigerd aan eiser per 23 augustus 2011 een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen aan arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

Bij besluit van 17 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft verweerder geweigerd aan eiser per 29 augustus 2011 een WIA-uitkering toe te kennen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 juni 2012 ongegrond verklaard. Dit besluit staat in rechte vast.

2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de brief van 28 oktober 2013 handelt over een tijdvak waarover reeds een besluit op grond van de Wet WIA is gegeven dat in rechte vaststaat, deze brief moet worden gelezen als een weigering om terug te komen op de eerdere weigering om aan eiser per 29 augustus 2011 een WIA-uitkering toe te kennen. Naar de mening van verweerder zijn er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die daartoe aanleiding geven.

3.

De rechtbank overweegt dat terugkomen van een in rechte vaststaand besluit doorgaans gebeurt op grond van een verzoek, waarbij van degene die het bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek – overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.

Vaststaat dat in het onderhavige geval door eiser niet een dergelijk verzoek om terug te komen van een eerder besluit is gedaan, maar enkel een nieuwe aanvraag om een WIA-uitkering, gedateerd 14 augustus 2013. Verweerder heeft – om hem moverende redenen die niet uit de stukken zijn af te leiden – niet alleen een afwijzend besluit op deze aanvraag genomen, welk besluit onderwerp is van een afzonderlijke bestuursrechtelijke procedure, maar hierin ook aanleiding gevonden te bezien of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een terugkomen van het eerdere besluit van 20 juni 2012 rechtvaardigen. Gelet op het feit dat geen sprake is van een verzoek hiertoe, moet het ervoor gehouden worden dat verweerder dit laatste ambtshalve heeft gedaan. De rechtbank is met partijen van oordeel dat verweerder in beginsel bevoegd is dit te doen. De vraag die evenwel hieruit voortvloeit – en die de rechtbank ambtshalve moet beantwoorden – is of de negatieve uitkomst van een dergelijke ambtshalve beoordeling van verweerder een besluit is in de zin van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Nu de brief van 28 oktober 2013 slechts aangeeft dat verweerder geen aanleiding heeft gezien een andersluidend besluit te nemen dan het eerdere besluit van 20 juni 2012 en met die vaststelling geen verzoek van eiser is afgewezen, brengt de brief geen wijziging in de rechtspositie van eiser. Daarmee is de bedoelde brief niet gericht op een rechtsgevolg, zodat deze niet is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

5.

Gelet op het voorgaande had verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de brief van 28 oktober 2013 niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu verweerder evenwel het bezwaar ongegrond heeft verklaard dient het beroep van eiser gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Voorts ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het bezwaar gericht tegen de meergenoemde brief alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren.

6.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gericht tegen de brief van 28 oktober 2013 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen

aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2014.