Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12171

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5065
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schadevergoeding, GOL, causaal verband. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/5065

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres sub 1, geboren op [geboortedatum 1] 2009,

nationaliteit: Nederlandse

alsmede

[eiseres 2] , eiseres sub 2, geboren op [geboortedatum 2] 2011,

nationaliteit: Nederlandse

gezamenlijk: eiseressen

wettelijk vertegenwoordigd door:

[moeder eiseressen] , V-nummer: [vreemdelingennummer] , geboren op [geboortedatum 3] 1991

nationaliteit: Guinese

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. van Beers).

Procesverloop


Op 30 juli 2013 is door eiseressen verzocht om schadevergoeding. Dit verzoek is door verweerder bij beschikking van 18 september 2013 afgewezen. Op 25 oktober 2013 is hiertegen door eiseressen een bezwaarschrift ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2014 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 28 februari 2014 hebben eiseressen tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014. Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun wettelijk vertegenwoordiger [moeder eiseressen] (de moeder), die werd bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 14 oktober 2011 is, onder toepassing van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), aan de moeder de maatregel van beperking van de vrijheid van beweging opgelegd en bepaald dat zij met ingang van 21 oktober 2011 moet verblijven in de gemeente [gemeente] . Deze maatregel is tevens aan eiseres 1 opgelegd. Op 2 november 2011 zijn eiseres 1 en haar moeder geplaatst in de Gezins Opvang Locatie (GOL) te [vestigingsplaats] . Eiseres 2 is daar op [geboortedatum 2] 2011 geboren.

Op 27 maart 2013 heeft de moeder een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met as doel ‘verblijf conform artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden’ (EVRM). Bij besluit van 27 maart 2013 is deze aanvraag afgewezen. Op diezelfde dag is bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2013 (AWB 13/5839) is dit verzoek toegewezen.

De moeder en eiseressen hebben feitelijk tot 26 juli 2013 in de GOL verbleven.

2.

Eiseressen stellen zich op het standpunt dat zij in aanmerking komen voor schadevergoeding nu zij als Nederlanders onrechtmatig in hun vrijheid zijn beperkt door de maatregel tot 26 juli 2013. Volgens eiseressen is de plaatsing in het GOL in strijd met artikel 8 van het EVRM, temeer omdat de beperking van bewegingsvrijheid ruim twintig maanden heeft geduurd, namelijk van 2 november 2011 tot 26 juli 2013. De GOL is niet bedoeld voor Nederlandse kinderen. Zonder de maatregel waren eiseressen en hun moeder niet in de GOL terechtgekomen.

3.

Verweerder erkent dat de maatregel van 14 oktober 2011 onrechtmatig is jegens eiseressen. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiseressen niet in aanmerking komen voor een schadevergoeding nu niet is voldaan aan het causaliteitsvereiste. Weliswaar is de maatregel ten onrechte aan eiseressen opgelegd, maar zij hebben niet aangetoond dientengevolge schade te hebben geleden. Verweerder bestrijdt de stelling dat er sprake is van een ernstige schending van artikel 8 van het EVRM. Niet valt in te zien in hoeverre eiseressen beperkt zijn geweest in hun mogelijkheden zich te ontwikkelen en te ontplooien. Daarbij is gewezen op de mogelijkheid om binnen de gemeente [gemeente] gebruik te maken van de aldaar aanwezige voorzieningen. Voorts heeft verweerder gewezen op de zeer jonge leeftijd van eiseressen gedurende het verblijf op locatie. Niet is gebleken van een mogelijkheid om de kinderen elders op te vangen.

4.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie de bevoegdheid de vrijheid van beweging van de vreemdeling in een aantal omstandigheden te beperken.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming of –beperking beveelt, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid onder a,van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan door de rechter worden veroordeeld tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van – onder meer – een onrechtmatig besluit.

5.

Tussen partijen staat vast dat de maatregel van 14 oktober 2011 onrechtmatig is. Omdat de aan eiseres sub 1 opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van meet af aan onrechtmatig geweest en dit ook geldt voor de vrijheidsbeperking van de tijdens de duur van de beperking geboren eiseres sub 2, komen zij met toepassing van artikel 8:88, eerste lid onder a, van de Awb in aanmerking voor schadevergoeding.

Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met een onrechtmatig besluit dient, aangezien de Awb geen materiele criteria geeft voor de vergoeding van de schade, aansluiting te worden gezocht bij het burgerlijk recht en de jurisprudentie van de burgerlijke rechter over de gevolgen van door de bestuursrechter vernietigde overheidsbeslissingen. Daaruit komen onder meer de volgende criteria naar voren:

- er moet sprake zijn van een daad van de overheid;

- deze moet onrechtmatig zijn, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm;

- de daad moet aan de overheid zijn toe te rekenen;

- de geschonden norm moet ertoe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste);

- er moet schade zijn;

- en er moet voldoende causaal verband bestaan tussen het schade veroorzakende besluit en de geleden schade.

Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt dat niet is voldaan aan het causaliteitsvereiste laten varen.

Resteert de vraag of er schade is en zo ja, hoe groot deze is.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat in het geval van eiseressen niet blijkt van materiële schade welke rechtstreeks voortvloeit uit het verblijf in de GOL met hun moeder. Gesteld noch anderszins is gebleken dat eiseressen verstoken zijn geraakt van reeds toegekende uitkeringen of andere voorzieningen.

Anders dan verweerder acht de rechtbank het wel aannemelijk dat eiseressen immateriële schade hebben geleden. Eiseressen en hun moeder zijn door verweerder gelast te verblijven binnen het territorium van de gemeente [gemeente] . Daarbinnen hadden zij weliswaar de mogelijkheid om vrij te bewegen, onbeperkt contact met anderen te onderhouden en gebruik te maken van de aanwezige algemene voorzieningen alsmede van de in de GOL aanwezige specifieke voorzieningen, maar zij waren niet gerechtigd om (langere tijd) buiten [gemeente] te verblijven als gevolg van de meldplicht van de moeder. Door de opgelegde dagelijkse meldplicht, zeven dagen per week, midden op de dag, zijn eiseressen feitelijk ‘gevangen’ gehouden op het centrum. Bezoek aan anderen in Nederland, een dagje uit naar een speeltuin of een bezoek aan een kerk, museum, dierentuin of iets dergelijks (buiten [gemeente] ) is hierdoor onmogelijk gemaakt.

Verder is er in de GOL een gebrek aan voldoende privacy en nachtrust. In vergelijking tot een normale woon- of verblijfssituatie is er onrust in de GOL, ook gedurende de nacht. Zo gaat regelmatig het brandalarm af. Eiseressen hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van die onrust last hebben gehad van slecht slapen en nachtmerries. Mede gezien de leeftijd van eiseressen is voldoende aannemelijk dat zij hierdoor geschaad zijn in hun ontwikkeling.

6.

De rechtbank stelt nog vast dat verweerder zich niet heeft beroepen op de schadebeperkingsplicht aan de kant van eiseressen en de moeder. Aldus stelt de rechtbank vast dat niet in geding is dat de onrechtmatige vrijheidsbeperking niet eerder dan 26 juli 2013 had kunnen worden beëindigd.

7.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van causaal verband en schade. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

Met het oog op finale afdoening van dit geschil zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade. In dat verband wordt het volgende overwogen.

8.

De vraag rijst op welk bedrag die schade moet worden begroot. In een vergelijkbaar geval heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 6 juni 2013 een vergoeding van € 35,-- per persoon, per dag dat de maatregel heeft geduurd toegekend (ECLI:NL:RBDHA:2013:10770). In die zaak heeft de maatregel 10 dagen geduurd. In een eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 oktober 2011 is eveneens € 35,-- per dag toegekend (ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8737).

In het onderhavige geval heeft de maatregel voor eiseres 1 ruim 20 maanden geduurd en heeft de vrijheidsbeperking voor eiseres 2 bijna 19 maanden. Toepassing van genoemde vergoedingsmaatstaf zou leiden tot een schadevergoeding van ongeveer € 21.000,-- per eiseres, dus € 42.000,-- in totaal. De rechtbank acht een vergoeding van een dergelijke omvang evenwel niet in overeenstemming met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en overweegt daartoe het volgende.

Allereerst betrekt de rechtbank bij haar oordeelsvorming op dit punt de jonge leeftijd van eiseressen en de afhankelijkheid als gevolg daarvan ten opzichte van hun moeder. Vaststaat dat de maatregel jegens de moeder niet onrechtmatig was. De eenheid van het gezin brengt in deze situatie mee dat het in het belang van eiseressen was dat zij bij hun moeder verbleven ook al bracht dat een vrijheidsbeperking mee. De zeer jonge leeftijd van de eiseressen (toen peuter en baby) brengt mee dat zij de opgelegde beperking van de bewegingsvrijheid minder bewust hebben ervaren.

Ten tweede zoekt de rechtbank aansluiting bij de hoogte van in andere zaken toegekende smartengeldvergoedingen, meer in het bijzonder toekenning van smartengeld bij niet-letsel zoals in geval van arrestatie, onterechte hechtenis en vrijheidsberoving. De rechtbank verwijst naar de uitspraken als aangehaald op bladzijde 220 en volgende in de bundel “Smartengeld” van ANWB Verkeersrecht, 2014. Hoewel de daar genoemde zaken verschillen van de onderhavige acht de rechtbank, gezien de hoogte van die toekenningen, het in dit geval redelijk om de immateriële schadevergoeding van € 35,-- per dag in dit geval te maximeren op een bedrag van € 5.000,-- per eiseres, derhalve € 10.000,-- in totaal.

8.

Nu het beroep gegrond is dient verweerder het betaalde griffierecht aan eiseressen te vergoeden.

9.

Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 974,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten: voor het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het besluit van 7 februari 2014,

verklaart het bezwaar alsnog gegrond en herroept het besluit van 18 september 2013,

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van € 10.000,-- in totaal,

veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseressen gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 974,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S.J. van Kooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2014.

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 84 aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.