Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
VK-14_10930
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië. Afwijzing asielaanvraag. Toerekenbaar ontbreken documenten, asielrelaas ongeloofwaardig. Discrepantie beleid WBV 2014/ 6 en het algemeen ambtsbericht van december 2013; ten onrechte individualiseringsvereiste gesteld. Motiveringsgebrek ten aanzien van terugkeer uit het westen naar eventueel door Al-Shabaab gecontroleerd gebied. Beroep gegrond, veroordeling van verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/381

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/10930

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 september 2014 in de zaak tussen

[naam1], eiseres,

gemachtigde mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. T. Boekholt.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 april 2014 waarbij de asielaanvraag van eiseres is afgewezen (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2014. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Mahamed, tolk in de Somalische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag1]1987 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Op 28 juli 2009 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft bij besluit van 14 december 2009 de aanvraag afgewezen omdat Italië verantwoordelijk was voor haar aanvraag. Op 19 februari 2010 is eiseres overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten.

2.

Op 15 april 2010 heeft eiseres opnieuw een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Onder verwijzing naar het eerdere besluit van 14 december 2009 heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgedaan. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 september 2010 is het beroep van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard (AWB 10/23575). Bij brief van 10 maart 2011 heeft verweerder medegedeeld dat eiseres niet langer aan de Italiaanse autoriteiten kan worden overgedragen en eiseres in de gelegenheid zal worden gesteld een opvolgende aanvraag in te dienen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft om die reden het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op 24 november 2011 (kenmerk: 201010183/1/V4).

3.

Op 31 januari 2012 heeft eiseres opnieuw een asielaanvraag ingediend, mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen [naam2], geboren op [geboortedag2] 2010 en [naam3], geboren op [geboortedag3]2011. Verweerder heeft bij besluit van 8 februari 2012 de aanvraag afgewezen omdat eiseres in het bezit was van een verblijfsvergunning voor Italië. Bij uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 8 maart 2012 is het beroep van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard (AWB 12/4410). Deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling bevestigd op 16 augustus 2012 (kenmerk: 201202792/1/V4).

4.

Op 18 april 2013 heeft eiseres opnieuw een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 26 april 2013 is de asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat eiseres in Italië heeft verbleven en daar in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Niet aannemelijk was gemaakt dat eiseres niet voor verlenging van de inmiddels verlopen Italiaanse vergunning in aanmerking kwam. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 22 mei 2013 is het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd (AWB 13/11473).

5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van 18 april 2013 opnieuw afgewezen, ditmaal op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000. Eiseres heeft zich na haar binnenkomst in Nederland niet onverwijld gemeld nu zij op 30 april 2009 is ingereisd maar zich eerst op 3 mei 2009 heeft gemeld. Eiseres heeft verder toerekenbaar geen documenten overgelegd om haar reisroute te kunnen staven. Eiseres heeft tijdens haar gehoren niet de waarheid verteld en tegenstrijdig gesproken over haar huwelijksdatum, datum van scheiding, vertrek uit Somalië, de reisroute en haar verblijf in Italië. Van de verklaringen van eiseres gaat geen positieve overtuigingskracht uit en het relaas is ongeloofwaardig. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de veiligheidssituatie in Somalië ernstig verslechterd is, dat zij dusdanig verwesterd is of als alleenstaande vrouw met twee kleine kinderen tot een kwetsbare groep behoort waardoor zij bij terugkeer naar Somalië een risico loopt op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.

Eiseres heeft in beroep betoogd dat de omstandigheid dat zij zich in 2009 eerst na drie dagen gemeld heeft verschoonbaar is. Van eiseres kan gelet op de wijze waarop zij van Somalië naar Europa is gereisd niet verwacht worden dat zij enig indicatief bewijs of andere reisbescheiden kon overleggen. Van het relaas gaat wel positieve overtuigingskracht uit. Eiseres heeft zaken verzwegen en over een aantal zaken niet de waarheid verteld, maar dit komt door de omstandigheden waaronder zij verbleef in Somalië. Eiseres komt uit Zuid- en Centraal-Somalië en stelt dat daar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG. Eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico onderworpen te worden aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verwezen wordt naar het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 december 2013 en berichten van de UNHCR, een memo van Vluchtelingenwerk van 30 januari 2013 en de Expert Opinion van de Migration Law Clinic van de Vrije Universiteit van april 2014. Alle uit het westen terugkerende Somaliërs lopen een risico om door Al-Shabaab als spion te worden beschouwd. Ten onrechte wordt in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2014/6 vastgehouden aan het individualiseringsvereiste ten aanzien van Somaliërs die uit het westen terugkeren naar Al-Shabaab-gebied. Eiseres beroept zich op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 14 mei 2014 (AWB 14/9185) en zittingsplaats Amsterdam van 22 mei 2014 (AWB 14/9771). Eiseres verblijft inmiddels al jaren buiten Somalië. Haar kinderen zijn buiten Somalië geboren. Er is sprake van verwestering. Verder beroept eiseres zich op het artikel van T.P. Spijkerboer, Rechtsherstel voor Somaliërs (Nederlands Juristenblad van 27 juni 2014, aflevering 25) en op het feit dat thans opnieuw de situatie is ontstaan dat uitzetting naar Somalië niet mogelijk is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

7.

In artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder c, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 3 van het EVRM kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000.

8.

De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit, anders dan in de eerdere afwijzende asielbesluiten, de asielmotieven van eiseres inhoudelijk zijn getoetst. Dat maakt dat het bestreden besluit niet van gelijke strekking is als de eerdere afwijzende besluiten, zodat de rechtbank toe kan komen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aan eiseres toerekenbaar is dat zij geen enkel document ter onderbouwing van haar reisrelaas heeft overgelegd. Verweerder heeft in dit verband kunnen stellen dat van iemand die gesteld heeft vanuit Somalië gedurende enkele maanden via diverse landen naar Nederland te zijn gereisd, in redelijkheid verwacht mag worden dat zij haar reis met (indicatieve) documenten kan onderbouwen.

10.

Nu reeds sprake is van het toerekenbaar ontbreken van reisdocumenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, behoeft wat verweerder overigens heeft aangevoerd met betrekking tot het zich al dan niet onverwijld melden en wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, geen bespreking meer. Van het asielrelaas van eiseres dient positieve overtuigingskracht uit te gaan om het geloofwaardig te kunnen achten.

11.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van eiseres positieve overtuigingskracht mist en daarmee ongeloofwaardig is. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiseres op diverse punten zeer wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft eiseres over het moment waarop zij uit Somalië vertrokken is in eerste instantie onjuiste verklaringen afgelegd. Ook heeft zij over het moment waarop zij problemen met de man van de Hawiye-stam heeft ondervonden, vanaf wanneer en tot wanneer zij gehuwd is geweest met haar echtgenoot en over het moment waarop haar oudste zoon geboren is, inconsistent verklaard. Om die redenen heeft verweerder aan het asielrelaas van eiseres in redelijkheid positieve overtuigingskracht kunnen ontzeggen. Wat is aangevoerd tegen de overige overwegingen van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheid blijft dan ook buiten bespreking. De beroepsgrond faalt derhalve.

12.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie) in de zaak Elgafaji tegen Nederland van 17 februari 2009, zaaknummer C-465/07 (ECLI:EU:C:2009:94), volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/38/EG (thans: 2011/95/EU) bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade. Thans is de uitzonderlijke situatie uitdrukkelijk vermeld als asielgrond in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000.

13.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2013 terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Zuid- en Centraal-Somalië geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraken van de Afdeling van 23 mei 2013 (201302478/1/V2) en 30 september 2013 (201206376/1/V2). Uit wat door eiseres is aangevoerd valt niet af te leiden dat de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië sindsdien wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie die in die uitspraken aan de orde was. Verweerder heeft daarom terecht besloten dat eiseres niet op grond van de algemene situatie in haar herkomstgebied in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

14.

In WBV 2014/6, paragraaf 23.4.5 Individuele kenmerken, staat, voor zover van belang, vermeld:

“De IND verleent, behoudens contra-indicaties, in ieder geval een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië, indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a. de vreemdeling is afkomstig uit een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab of dit gebied uitsluitend kan bereiken via een gebied dat onder de controle staat van Al-Shabaab;

b. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij zich niet kan handhaven onder de regels van Al-Shabaab.

Deze opsomming is cumulatief.

Ad b.

De IND betrekt bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling zich kan handhaven onder de regels van Al-Shabaab in ieder geval de volgende aspecten:

• de ervaringen van de vreemdeling met het leven onder de regels van Al-Shabaab;

• de omstandigheid dat de vreemdeling al dan niet recentelijk is vertrokken;

• de mate waarin de vreemdeling vanwege verwestering de negatieve aandacht van Al-Shabaab kan wekken, voor zover de vreemdeling ervaring heeft met het leven onder de regels van Al-Shabaab. (…)”

15.

In WBV 2014/6, paragraaf 23.4.6 Aandachtsgroepen, staat, voor zover van belang, vermeld:

“De hieronder genoemde groepen staan in de negatieve aandacht van Al-Shabaab en zijn aangewezen als aandachtgroep:

(…)

• vreemdelingen die op basis van individuele omstandigheden (die meer inhouden dan

enkel de terugkeer uit het westen) er door Al-Shabaab van worden verdacht te spioneren

voor de overheid.

Vreemdelingen behorende tot een aandachtsgroep kunnen, mede gelet op de omstandigheid dat zij op basis van hun terugkeer uit het westen in de negatieve aandacht van de zijde van Al-Shabaab kunnen komen te staan, op basis van geringe indicaties in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw indien de herkomst geloofwaardig is en zij afkomstig zijn uit:

• delen van Zuid- en Centraal-Somalië die onder controle staan van Al-Shabaab; of,

• overige delen van Zuid- en Centraal- Somalië (exclusief Mogadishu) waar Al-Shabaab op basis van hun aanwezigheid en invloed een reële bedreiging vormen.

Ook gebieden waarover onvoldoende actuele informatie beschikbaar is, maar een bestendige invloedrijke rol van Al-Shabaab aannemelijk is, moeten hiertoe worden gerekend.

Bij het beoordelen van het individuele risico in het herkomstgebied en tijdens de reis daar naar toe betrekt de IND in ieder geval:

• de clanafkomst in relatie tot de positie van de clan in het gebied;

• de banden met- en de situatie van de familieleden;

• de duur van verblijf in het westen.

Er is sprake van een individuele toets waarbij de asielzoeker aannemelijk moet maken dat hij behoort tot een dergelijke groep én dat hij persoonlijk in die hoedanigheid risico’s loopt van de zijde van Al-Shabaab. Voor leden van de aandachtsgroep die terugkeren naar Mogadishu geldt in het licht van de positie van terugkeerders aldaar dat indicaties van geringe aard niet volstaan. De IND beoordeelt op basis van het algemene toetsingskader of de individuele omstandigheden van de vreemdeling tot inwilliging van de aanvraag leiden.”

16.

In het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Somalië van december 2013 staat op pagina 19 het volgende vermeld:

“Vrees voor spionage

Uit het westen terugkerende Somaliërs mijden over het algemeen gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab, zelfs als hun clan daar vandaan komt. Terugkeerders lopen het risico er van te worden verdacht te spioneren voor de SFG of aan de SFG gelieerde troepen. (Voetnoot 110: In principe geldt dit voor alle terugkeerders. Het is niet bekend in hoeverre het verschil uitmaakt of een Somaliër gedwongen of vrijwillig is terug gekeerd). In de verslagperiode is de houding van Al-Shabaab ten opzichte van vermeende spionnen verder verscherpt. Volgens bronnen worden teruggekeerde Somaliërs per definitie als verdacht beschouwd door Al-Shabaab (inclusief personen uit de diaspora), evenals personen met een westers paspoort of personen die niet behoren tot de in een gebied overheersende clan. In de verslagperiode waren er berichten dat Al-Shabaab mannen executeerde op verdenking van spionage. Zo werden op 6 juni in Barawe twee mannen door een vuurpeloton geëxecuteerd, nadat ze er door Al-Shabaab van waren beschuldigd te spioneren voor de SFG en AMISOM (Voetnoot 111: Het ‘vonnis’ werd door een door Al-Shabaab tot rechter verklaard lid van de groep uitgereikt aan de veroordeelde mannen. Ap News: Somali militants kill 2 voor espionage: witness (7 juni 2013), Faafiye.com: Somali militants execute 2 by firing squad, witness says (7 juni 2013). Vertrouwelijke bronnen).”

17.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting bevestigd heeft dat er geen twijfel bestaat over de herkomst van eiseres, te weten het plaatsje Qalimow, nabij de plaats Jowhar. Ook bestaat geen twijfel over het behoren tot de Ajuraan, een minderheidsstam in dat gebied. Volgens in bijlage II bij het ambtsbericht van december 2013 weergegeven kaart ligt bij Jowhar de grens van door Al-Shabaab gecontroleerd gebied. Verweerder heeft ter zitting geen uitsluitsel kunnen geven of Qalimow onder door Al-Shabaab gecontroleerd gebied valt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden uitgesloten dat eiseres bij terugkeer naar Somalië in Al-Shabaab-gebied terechtkomt.

18.

Gelet op de hiervoor in rechtsoverweging 16 weergegeven inhoud van het ambtsbericht 2013 is verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de stelling van eiseres dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat uit het ambtsbericht van december 2013 kan worden afgeleid dat alle uit het westen terugkerende Somaliërs zonder meer door Al- Shabaab verdacht worden van spionage. Deze landeninformatie is niet te rijmen met het standpunt van verweerder – zoals weergegeven in WBV 2014/6 – dat, naast de terugkeer uit het westen, ook individuele omstandigheden vereist zijn om eiseres aan te merken als behorend tot de groep die in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat. Bovendien heeft verweerder bij het beoordelen van het individuele risico van eiseres niet de positie van haar stam in het gebied van herkomst betrokken. Ook blijkt uit het bestreden besluit niet welk gewicht verweerder heeft toegekend aan het feit dat eiseres al in 2008, mogelijk voordat Al-Shabaab daar de macht kreeg, haar dorp heeft verlaten. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011 (ECLI:NL:XX:2011:BR5143), in de zaak van Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, waaruit volgt dat niet aannemelijk is dat een Somaliër die geen recente ervaring heeft met het leven onder de regels van Al-Shabaab, zich naar die regels kan schikken zonder de negatieve aandacht van de Al-Shabaab te trekken. De beroepsgrond van eiseres slaagt derhalve.

19.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het in artikel 3:46 van de Awb neergelegde motiveringsvereiste. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

20.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 974,- (negenhonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.