Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12020

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
AWB-14_20894
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:4108, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sinds december 2013 hebben geen reguliere gedwongen uitzettingen naar Somalië meer plaatsgevonden.

Ten behoeve van haar beoordeling of een reëel zicht op uitzetting bestaat, is geen informatie verschaft over het standpunt van de Somalische autoriteiten met betrekking tot gedwongen uitzetting. Evenmin is door verweerder duidelijk gemaakt op welke termijn enig resultaat valt te verwachten van de onderhandelingen tussen de Somalische en Nederlandse autoriteiten over gedwongen uitzettingen.

De rechtbank stelt verder vast dat deze onduidelijkheid, ondanks toezeggingen in april 2014, nog steeds voortduurt. Ook het gesprek eind juli 2014 met de Somalische minister-president heeft niet geleid tot helderheid of tot concrete toezeggingen over medewerking van de Somalische autoriteiten. Het voorgenomen vervolggesprek met de Somalische minister-president in september heeft geen doorgang gevonden.

De rechtbank komt op basis van deze gegeven tot de conclusie dat er op dit (toets)moment geen concreet zicht op uitzetting van eiser naar Somalië binnen een redelijke termijn bestaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/20894


[v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 september 2014 in de zaak tussen

[eiser],

[geboortedatum], van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. A.A.W.A. Vissers),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Op 13 september 2014 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 14 september 2014 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 25 september 2014. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden ten onrechte zijn tegengeworpen. Daarbij overweegt de rechtbank dat aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen, nu hij niet met gebruik van een grensoverschrijdingsdocument in de zin van artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 Nederland is ingereisd. De omstandigheid dat eiser naar Nederland is gereisd om asiel te vragen maakt het voorgaande niet anders. Verder kan aan eiser worden tegengeworpen dat hij zich gedurende enige tijd aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken, nu niet is gebleken dat hij de Nederlandse autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van de voortduring van zijn onrechtmatige verblijf hier te lande. Verder is niet betwist dat eiser eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt, en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven.

Ook kan aan eiser in ieder geval worden tegengeworpen dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet op het voorgaande zijn reeds voldoende gronden aanwezig voor het oordeel dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Dat (een deel van) de aan eiser tegengeworpen feiten en omstandigheden zien op het gedrag van eiser in het verleden leidt niet tot een ander oordeel, nu verweerder het risico op onttrekking slechts kan baseren op de gedragingen van eiser in het verleden.

2.

De stelling van eiser dat hij in Somalië heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is asiel gerelateerd en ligt om die reden bij de beoordeling van het onderhavige beroep over de vrijheidsbeneming niet ter beoordeling voor. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eisers asielrelaas kan worden getoetst in het door hem ingestelde hoger beroep in zijn asielprocedure.

3.

Eiser heeft verder aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting naar Somalië bestaat. Sinds het overleg met de Somalische autoriteiten op 30 april 2014, waarin is toegezegd dat er binnen vier weken uitsluitsel zou komen over eventuele afspraken over gedwongen vertrek van Somalische vreemdelingen, zijn er geen ontwikkelingen meer geweest.

4.

De rechtbank dient te beoordelen of een reële verwachting bestaat dat eiser binnen een redelijke termijn gedwongen kan worden uitgezet naar Somalië, nu dat immers de grondslag vormt voor eisers vrijheidsbeneming. Gebleken is dat er op 30 april 2014 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de Nederlandse ambassade in Nairobi en de Somalische autoriteiten over gedwongen terugkeer van Somalische vreemdelingen. Dit overleg heeft toen geleid tot een toezegging van de Somalische autoriteiten dat binnen een maand nader uitsluitstel zou worden gegeven over de mogelijkheden van gedwongen terugkeer. Op 21 mei 2014 en op 16 juni 2014 is hierover vanuit de Nederlandse ambassade op hoog niveau gerappelleerd. Eind juli 2014 is er met de prime minister van Somalië overleg geweest. Een voorgenomen vervolggesprek in september 2014 heeft, zo is ter zitting medegedeeld, geen doorgang gevonden. Verder heeft verweerder ter zitting benadrukt dat de onderhandelingen met de Somalische autoriteiten nog altijd niet zijn beëindigd, hetgeen volgens verweerder betekent dat de Somalische autoriteiten in beginsel niet onwelwillend staan tegenover de mogelijkheid van gedwongen terugkeer naar Somalië. Ook heeft verweerder nog aangevoerd dat er meer dan maandelijks contact is tussen de Nederlandse ambassadeur en ambassade en de Somalische autoriteiten op het niveau van de minister-president, de minister van veiligheid of de immigratiedienst en heeft verweerder ook meer dan maandelijks contact met de Somalische immigratiedienst over de mogelijkheid van vrijwillige terugkeer.

5.

De rechtbank stelt vast dat tot nu toe niet is gebleken dat de Somalische autoriteiten geen verdere medewerking willen verlenen aan gedwongen uitzettingen naar Somalië. Anderzijds is evenmin gebleken van enige concrete afspraak over eventuele medewerking van de Somalische autoriteiten daaraan. Bij haar beoordeling van de vraag of een reëel zicht op uitzetting bestaat, beschikt de rechtbank niet over aanwijzingen wat het standpunt van de Somalische autoriteiten is, noch over de termijn waarop enig resultaat valt te verwachten van de onderhandelingen tussen de Somalische en Nederlandse autoriteiten. Verweerder heeft deze duidelijkheid desgevraagd niet kunnen verschaffen en heeft ook overigens niet kunnen aangeven op welke termijn wellicht wel meer duidelijkheid kan worden verwacht over de mogelijkheid van gedwongen uitzettingen naar Somalië.

6.

Hoewel de rechtbank enig begrip heeft voor de omstandigheid dat verweerder geen informatie kan geven over de concrete inhoud van de gesprekken met de Somalische autoriteiten vanwege het diplomatieke karakter daarvan, stelt zij wel vast de bestaande onduidelijkheid, ondanks toezeggingen in april 2014, nog steeds voortduurt. Ook het gesprek eind juli 2014 met de Somalische minister-president heeft niet geleid tot helderheid of tot concrete toezeggingen over de medewerking van de Somalische autoriteiten. Sinds december 2013 hebben geen reguliere gedwongen uitzettingen meer plaatsgevonden. De rechtbank merkt nog op dat de gedwongen uitzetting van een Somalische piraat op 22 mei 2014 op basis van een eenmalige individuele afspraak plaatsvond en de uitzetting van vier Somalische piraten in juni 2014 werd geëffectueerd op vrijwillige basis, middels een met hen getroffen regeling.

Nu door verweerder geen inzicht is verschaft in de termijn waarop opnieuw een gedwongen uitzetting geëffectueerd kan worden, of wanneer er redelijkerwijs daarover duidelijkheid te verwachten valt, is de rechtbank van oordeel dat het thans niet reëel is om te verwachten dat eiser binnen afzienbare termijn kan worden uitgezet.

7.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er op dit (toets)moment geen concreet zicht op uitzetting van eiser naar Somalië binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank ziet in de door verweerder overgelegde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 28 juli 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:9229) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2014 (201406269/1/V3), alsmede het in die procedure overgelegde verweerschrift, geen aanleiding om anders te oordelen. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat er sinds die uitspraken niet meer duidelijkheid is verkregen over het standpunt van de Somalische autoriteiten. Verder acht de rechtbank van belang dat het voorgenomen vervolggesprek met de Somalische minister-president in september geen doorgang heeft gevonden.

9.

De rechtbank constateert dat de bewaring van eiser eerst recent is aangevangen. De moeizame situatie ten aanzien van gedwongen uitzettingen naar Somalië was evenwel al lange tijd bekend bij verweerder. Weliswaar oordeelt de rechtbank ten aanzien van eiser eerst nu dat geen zicht op uitzetting bestaat, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het opleggen van maatregel had moeten afzien. Uit het voorgaande volgt dan ook dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel vanaf aanvang in strijd is met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank zal het beroep, gelet hierop, gegrond verklaren en de onmiddellijke opheffing van de bewaring bevelen.

10.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het detentiecentrum ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 1.115,--.

11.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat verweerder de bewaring onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.115,-- (zegge: elfhonderd en vijftien euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-- (zegge: negenhonderd en vierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 26 september 2014 door mr. P.H.A Knol, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MvK

Coll:

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.