Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11942

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
KG-ZA 14-813
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter in Den Haag heeft de vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling afgewezen van een gedetineerde die in Nederland zijn straf uitzit die hem in Roemenië is opgelegd voor drugshandel. De voorzieningenrechter oordeelt dat Staat in zijn zaak niet onjuist heeft gehandeld en ziet dus geen reden om zijn eis om hem vrij te laten uit de gevangenis in te willigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/469369 / KG ZA 14-813

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2014

in de zaak van

[eiser]

verblijvende te[penitentiaire inrichting],

eiser,

advocaat mr. H.M.S. Cremers te ‘s-Hertogenbosch,

tegen:

de Staat der Nederland (ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 17 september 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Tussen 29 februari 2008 en 2 maart 2008 is [eiser] samen met drie andere personen afgereisd naar Roemenië om daar de levering van een partij xtc-pillen te bespreken.

1.2.

Op 24 maart 2008 hebben de Roemeense autoriteiten een rechtshulpverzoek gestuurd aan de Nederlandse autoriteiten, waarbij zij hebben gevraagd om medewerking aan en ondersteuning bij een Roemeense politie-infiltratie. De medewerking betrof de beoogde gecontroleerde aflevering van 10.000 xtc-pillen door vier verdachten, waaronder [eiser], met overdracht in Nederland en vervoer per vliegtuig naar Roemenië, na een pseudokoop met Roemeense politieambtenaren.

1.3.

Op 9 april 2008 en 10 april 2008 heeft de onder 1.2. bedoelde infiltratieactie plaatsgevonden en zijn 8.002 xtc-pillen door tussenkomst van de verdachten, waaronder [eiser], overhandigd aan een Roemeense politie-infiltrant.

1.4.

Op 12 april 2008 heeft [eiser], samen met een medeverdachte, de betaling voor de levering van de xtc-pillen in Roemenië in ontvangst genomen.

1.5.

Na 12 april 2008 is het politieonderzoek in Roemenië gecontinueerd en uitgebreid en in dat kader heeft op 18 november 2008 een ontmoeting plaatsgevonden tussen een Roemeense undercover en een medeverdachte van [eiser]. Naar aanleiding van deze ontmoeting is besloten dat deze medeverdachte en een andere medeverdachte strafrechtelijk zouden worden vervolgd. Zij zijn op 19 november 2008 in Roemenië aangehouden.

1.6.

[eiser] is op 3 december 2008 naar Roemenië gereisd, om te achterhalen wat er met één van zijn (reeds aangehouden, vgl. 1.5.) medeverdachten was gebeurd. Vervolgens is [eiser] op 4 december 2008 in Roemenië aangehouden. Sindsdien verblijft [eiser] in detentie.

1.7.

Bij vonnis van de rechtbank te Boekarest van 17 juni 2009 is [eiser] veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de transactie inzake 8.000 xtc-pillen en is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaar. Op 15 januari 2010 is deze veroordeling onherroepelijk geworden.

1.8.

Op 5 maart 2010 heeft [eiser] kenbaar gemaakt dat hij de rest van zijn straf in Nederland zou willen uitzitten.

1.9.

Op 28 april 2010 hebben de Roemeense autoriteiten de Nederlandse autoriteiten verzocht om de tenuitvoerlegging van de straf van [eiser] over te nemen. Bij brief van 30 juni 2010 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) vervolgens geïnformeerd of de Roemeense autoriteiten omzetting van de gevangenisstraf overeenkomstig artikel 11 het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: Vogp) of voortgezette tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 10 Vogp beoogden. Bij brief van 21 februari 2011 hebben de Roemeense autoriteiten bericht dat zij instemmen met de overbrenging van [eiser], en dat door het “Bucharest Court of Appeal” is besloten dat daarbij de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging moet worden gevolgd.

1.10.

Op 8 juli 2011 heeft het gerechtshof te Arnhem overeenkomstig artikel 43, lid 3, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: Wots) geadviseerd dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf verder in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd, onder voorbehoud dat de straf wordt verlaagd tot tien jaar en acht maanden. Hierbij heeft het gerechtshof als volgt overwogen:

“1.- Aan veroordeelde is bovenvermelde gevangenisstraf opgelegd wegens – kort gezegd – poging tot invoer van in totaal 8002 pillen bevattende methyleendioxymetamfetamine (MDMA) en deelneming aan een criminele organisatie.

(…)

6.- Het hof is van oordeel dat de door het buitenlandse gerecht aan veroordeelde opgelegde vrijheidsstraf voor bovenvermeld strafbaar gedrag naar de maatstaven van het Nederlands strafrechtsysteem excessief moet worden geacht, immers uitgaande boven het Nederlands wettelijk strafmaximum terzake van tien jaren en acht maanden, zoals volgt uit artikel 10 lid 5 juncto artikel 2 aanhef en onder A Opiumwet juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht en artikel 140 in samenhang met artikel 57 Wetboek van Strafrecht. Het hof gaat er van uit dat de Roemeense autoriteiten zullen instemmen met een aanpassing van de straf aan het Nederlands wettelijk maximum terzake van tien jaren en acht maanden gevangenisstraf. Ervan uitgaande dat de straf wordt verlaagd tot tien jaren en acht maanden, is het hof van oordeel dat de straf naar Nederlandse maatstaven zeer hoog moet worden geacht.

(…)”

1.11.

Naar aanleiding van voormeld advies van het gerechtshof heeft de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) bij brief van 19 augustus 2011 de Roemeense autoriteiten gevraagd of zij instemmen met overbrenging van [eiser] onder de voorwaarde dat dat de duur van de gevangenisstraf wordt teruggebracht naar tien jaar en acht maanden. In vervolg hierop hebben de Roemeense autoriteiten bij (op 26 oktober 2011 door het ministerie van Veiligheid en Justitie ontvangen) brief geïnformeerd hoe precies is geoordeeld dat de door [eiser] gepleegde delicten moeten worden gekwalificeerd als een poging tot het importeren van drugs en lidmaatschap van een criminele organisatie. Het gerechtshof Arnhem is vervolgens door de minister verzocht om een heroverweging.

1.12.

Het gerechtshof Arnhem heeft op 20 december 2011 nader advies uitgebracht. Hierin staat – voor zover nu relevant – het volgende vermeld:

“(…)

5. Op grond van het dossier stelt het hof vast dat veroordeelde met zijn mededaders in Tilburg (Nederland) 8.002 pillen, bevattende MDMA, heeft overhandigd aan met toestemming van de Nederlandse autoriteiten handelende pseudo-kopers, die de pillen vervolgens in Roemenië hebben ingevoerd. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2004 (NJ 2004, 180), waaruit blijkt dat het niet is vereist dat de desbetreffende hoeveelheid verdovende middelen door toedoen van veroordeelde en zijn mededaders daadwerkelijk in Roemenië is ingevoerd, overweegt het hof dat de veroordeelde en zijn mededaders zich minstgenomen willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de door hen verkochte hoeveelheid drugs naar Roemenië zou worden vervoerd. Dit brengt met zich dat het strafbaar handelen van veroordeelde bij nadere overweging dient te worden gekwalificeerd als een voltooid delict.

6. In afwijking van het geen het hof heeft overwogen in zijn advies van 8 juli 2011 is het hof dan ook thans van oordeel dat de door het buitenlandse gerecht aan veroordeelde opgelegde vrijheidsstraf voor bovenvermeld strafbaar gedrag naar de maatstaven van het Nederlands strafrechtsysteem niet excessief moet worden geacht en derhalve geen aanpassing behoeft.

(…)”

Vervolgens heeft het gerechtshof positief geadviseerd over de verdere tenuitvoerlegging in Nederland van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf.

1.13.

Bij brief van 12 januari 2012 heeft de minister ingestemd met de overbrenging van [eiser] naar Nederland. De Roemeense autoriteiten hebben op 9 februari 2012 definitief ingestemd. Op 3 april 2012 is [eiser] overgebracht naar Nederland. De datum van voorwaardelijke invrijheidstelling naar Nederlands recht – dat daarop van toepassing is – is 2 augustus 2017.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis ter zitting en zakelijk weergegeven –:

(i) de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf met onmiddellijke ingang te schorsen, totdat in een bodemprocedure is beslist over de invrijheidstelling van [eiser];

(ii) de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding voor alle dagen die [eiser] thans naar Nederlandse maatstaven te lang gedetineerd is en tot betaling van een voorschot op een extra schadevergoeding voor alle dagen die [eiser] in een Roemeense cel heeft doorgebracht;

met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2.

Daartoe voert [eiser] onder meer het volgende aan.

2.3.

[eiser] is door de bewuste medewerking van de Nederlandse autoriteiten in Roemenië berecht, terwijl dit ook in Nederland mogelijk was geweest. Dit heeft geleid tot een vele malen ongunstiger rechtspositie voor [eiser] dan wanneer hij in Nederland was veroordeeld. Deze bewuste benadelingshandeling van de Staat jegens hem acht [eiser] volstrekt onrechtmatig. Indien in Nederland berecht zou [eiser] een vele lagere gevangenisstraf hebben gekregen, van nog geen derde van de straf die [eiser] in Roemenië opgelegd heeft gekregen. De in Roemenië gevoerde strafprocedure is, gezien de benadeling daarbij van [eiser], in strijd met artikel 5 en 6 EVRM.

2.4.

Bovendien is er sprake van een flagrante schending van artikel 2 en 3 EVRM, nu [eiser] door toedoen van de Staat vier jaar lang onder erbarmelijke omstandigheden zijn detentie in Roemenië heeft moeten doorbrengen. De jaren die [eiser] in Roemenië heeft moeten doorbrengen hebben zijn psychische gezondheid ernstig ondermijnd en inmiddels is bij hem de diagnose post traumatische stress stoornis gesteld. In de zaak Stanciu-Roemenië heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) op 24 juli 2012 geoordeeld dat de slechte detentieomstandigheden in Roemenië kunnen leiden tot schending van artikel 3 EVRM. Uit rapporten van het anti-foltercomité van de Raad van Europa had de Staat al voordat hij meewerkte aan de arrestatie en veroordeling van [eiser] in Roemenië kunnen afleiden dat hierbij het risico van schending van artikel 3 EVRM aanwezig zou zijn.

2.5.

Voorts geldt dat de Wots-procedure niet goed is verlopen. Het gerechtshof Arnhem heeft eerst negatief geadviseerd en vervolgens, na overleg met de minister, alsnog positief. [eiser] heeft geen inzage gekregen in de wijze waarop deze omslag van het gerechtshof tot stand is gekomen en een daadwerkelijke rechterlijke toetsing in de Wots-procedure heeft niet plaatsgevonden. Onduidelijk is waarom de Staat er niet voor heeft gekozen eerst uitleg te geven aan Roemenië over het eerste advies van het gerechtshof, waarom de minister persé wilde dat van een voltooid delict zou worden uitgegaan en waarom het gerechtshof kennelijk met enige drang aangespoord werd om tot een heroverweging van het eerste advies over te gaan. De gang van zaken in de Wots-procedure is in strijd met artikel 6 EVRM.

2.6.

Om verdere onevenredige detentieschade te voorkomen moet de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf met onmiddellijke ingang worden geschorst en tevens dient de schade van [eiser] financieel vergoed te worden.

2.7.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

(i) Schorsing tenuitvoerlegging

3.2.

Het meest verstrekkende verweer van de Staat houdt in dat de vordering van [eiser] tot schorsing van de tenuitvoerlegging is verjaard, omdat voor vorderingen uit een onrechtmatige daad een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Dat verweer kan evenwel niet leiden tot afwijzing van de vordering van [eiser] en een inhoudelijke beoordeling van het verjaringsverweer kan achterwege blijven. Immers, indien voortduring van de detentie onrechtmatig is, kan een vordering tot schorsing van de detentie niet worden afgewezen op de enkele grond dat die vordering zou zijn verjaard. De bijzondere zorgplicht van de Staat en de bepalingen van het EVRM staan er aan de in de weg dat een onrechtmatige detentie zou voortduren, óók als een civielrechtelijke verjaring van de vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling of schorsing van de tenuitvoerlegging aan de orde zou zijn.

3.3.

Anders dan door [eiser] is bepleit, levert – voor zover aan de orde – medewerking van de Staat aan de strafvervolging en strafoplegging in Roemenië, het nalaten van strafvervolging in Nederland en het achterwege laten van een uitleveringsverzoek aan Roemenië geen onrechtmatig handelen op van de Staat. In dit verband is uitsluitend komen vast te staan dat de Staat in het kader van een rechtshulpverzoek heeft meegewerkt aan de pseudokoop van xtc-pillen in april 2008. Gebleken is dat het hiertoe strekkende rechtshulpverzoek is gedaan in een lopend Roemeens opsporingsonderzoek. De Staat was in dat kader niet gehouden om in Nederland over te gaan tot vervolging en berechting van [eiser]. Zoals de Staat terecht stelt heeft [eiser] zich ingelaten met strafbare feiten met een grensoverschrijdend karakter en daarmee de welbewuste kans aanvaard dat hij in het land van bestemming van de verdovende middelen daarvoor zou worden vervolgd en berecht. Anders dan [eiser] stelt, is ook niet aannemelijk geworden dat de Staat er actief aan heeft meegewerkt om [eiser] naar Roemenië te “lokken” teneinde hem daar te berechten. Gebleken is dat [eiser] in verband met de delicten waarvoor hij is veroordeeld meerdere malen naar Roemenië is gereisd. Door [eiser] is niet aannemelijk gemaakt dat de Staat op enigerlei wijze betrokken was bij die reizen. De arrestatie van [eiser] heeft uiteindelijk – volgens onweersproken stelling van de Staat – plaatsgevonden nadat [eiser] op eigen initiatief naar Roemenië was gereisd om te achterhalen wat er met een van zijn medeverdachten was gebeurd. Van enige betrokkenheid van de Staat bij de arrestatie van [eiser] in Roemenië – en van mogelijk onrechtmatig handelen daaromtrent – is derhalve niets gebleken. Dat in een andere zaak, waarnaar door [eiser] wordt verwezen, waarbij drugshandel in Litouwen aan de orde was, is besloten de strafvervolging aan Nederland over te dragen, brengt niet zonder meer mee dat onrechtmatig is dat zulks in onderhavige zaak niet is gebeurd. Hierbij dient overigens tevens in aanmerking te worden genomen dat de Staat daarbij tevens afhankelijk is van het standpunt van de vreemde staat (Roemenië in dit geval) en door [eiser] is nagelaten aannemelijk te maken dat Roemenië in onderhavige situatie bereid zou zijn geweest de strafvervolging aan Nederland over te laten.

3.4.

Schending van artikel 6 EVRM – en in dat verband onrechtmatig handelen – kan de Staat evenmin worden verweten. Weliswaar is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] in Roemenië zwaarder is gestraft dan in Nederland zou zijn gebeurd en bevond hij zich procedureel als buitenlander in een nadeliger positie (vreemde taal, onbekendheid met de procedure), maar dit levert op zichzelf geen schending door Nederland van artikel 6 EVRM op. Voorts is geenszins gebleken dat de strafrechtelijke procedure in Roemenië in algemene zin de toets van artikel 6 EVRM niet kan doorstaan en dat de Staat doordat hij concrete wetenschap had over schending van artikel 6 EVRM in Roemenië zich in had moeten spannen om te voorkomen dat [eiser] in Roemenië berecht zou worden. De strafoplegging in Roemenië levert ook geen strijd op met artikel 5 EVRM, nu deze een basis heeft in het Roemeense recht. Ten overvloede wordt hieromtrent opgemerkt dat de in Roemenië opgelegde straf het in Nederland geldende strafmaximum voor de genoemde delicten (zestien jaar) niet overstijgt.

3.5.

Daargelaten de vraag of het verblijf van [eiser] in detentie in Roemenië schending van artikel 2 en / of 3 EVRM heeft opgeleverd – hetgeen door de Staat wordt betwist –, geldt dat niet is gebleken dat die mogelijke schending mede door toedoen van de Staat is ontstaan. Daarvoor is immers vereist dat de Staat, voor hij medewerking verleende aan het rechtshulpverzoek (in aanmerking nemende de daaruit voortvloeiende kans dat [eiser] in Roemenië gedetineerd zou raken), had moeten voorzien dat een detentie in Roemenië schending van artikel 2 en/of 3 EVRM zou opleveren. [eiser] heeft dit niet voldoende aannemelijk gemaakt. De verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Stanciu-Roemenië is daartoe ontoereikend, nu deze ziet op één concrete zaak, waarin het EHRM uitspraak heeft gedaan ruimschoots nà de medewerking van de Staat aan het rechtshulpverzoek. Dat in een concreet geval schending van artikel 3 EVRM door het EHRM is aangenomen, wil bovendien niet zeggen dat detentie in algemene zin in Roemenië schending met het EVRM oplevert. [eiser] heeft nog verwezen naar rapporten van het anti-foltercomité van (kennelijk) eerdere data, waar de Staat volgens hem kennis van had of had moeten hebben op het moment van medewerking aan het rechtshulpverzoek. [eiser] heeft echter niet geconcretiseerd van welke data die rapporten zijn – niet gebleken is derhalve of die rapporten op moment dat de Staat medewerking verleende aan het rechtshulpverzoek aan de Staat reeds bekend konden zijn – en evenmin wat de inhoud ervan was. De enkele verwijzing naar die rapporten in deze algemene zin, kan niet de conclusie dragen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door mee te werken aan het rechtshulpverzoek, omdat de mogelijk daaruit voortvloeiende detentie mogelijk schending van artikel 2 en/of 3 EVRM zou opleveren.

3.6.

Ook ten aanzien van de gevolgde WOTS-procedure geldt, tot slot, dat onrechtmatig handelen van de Staat niet is gebleken. Hoewel begrijpelijk is dat [eiser] de voorkeur had voor de procedure van omzetting van de gevangenisstraf en niet voor die van voortgezette tenuitvoerlegging, is de keuze voor de wijze waarop de straf in Nederland wordt voortgezet voorbehouden aan de Roemeense autoriteiten. Roemenië heeft daarbij uitdrukkelijk gekozen voor voortgezette tenuitvoerlegging. Nadat het gerechtshof Arnhem vervolgens, zoals voorgeschreven in artikel 43 van de Wots, advies had uitgebracht en de opgelegde gevangenisstraf als excessief had beoordeeld omdat deze, uitgaande van een poging tot het plegen van misdrijven, uitging boven het in Nederland toegestane wettelijke maximum hebben de Roemeense autoriteiten om nadere uitleg gevraagd. Het gerechtshof heeft vervolgens, op verzoek van de minister, wederom naar de zaak gekeken en zijn advies herzien. Weliswaar stelt [eiser] de vraag waarom de Staat er niet voor heeft gekozen eerst uitleg te geven over het eerste advies van het gerechtshof aan de Roemeense autoriteiten, doch niet gebleken is dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen handelen zoals hij heeft gehandeld. Geenzins onbegrijpelijk – en daarmee ook niet onrechtmatig – is dat de minister – na vragen van de Roemeense autoriteiten – het hof nogmaals om advies heeft gevraagd. Dat het gerechtshof daarbij tot een ander uitvoerig gemotiveerd advies is gekomen is, voor zover het thans aan de voorzieningenrechter is daarover een oordeel te geven, niet onbegrijpelijk. Anders dan [eiser] stelt is niet aan de orde dat de adviesprocedure ‘schimmig’ is verlopen en evenmin dat de minister ten aanzien van de voorgeschreven rechterlijke advisering niet de juiste weg heeft bewandeld. De minister heeft vervolgens ook het advies van het gerechtshof opgevolgd. Van enig onrechtmatig handelen in dit verband is niet gebleken.

3.7.

Gezien al het voorstaande, moet de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de detentie worden afgewezen.

(ii) Schadevergoeding

3.8.

De grondslag van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding is onrechtmatig handelen door de Staat. Nu van onrechtmatig handelen van de Staat niet is gebleken, kan de vordering tot betaling door de Staat van een voorschot op de schadevergoeding reeds daarom niet worden toegewezen.

3.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst af het gevorderde;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2014.

idt