Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11918

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
C-09-472917
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 14-2040

Zaaknummer: C/09/472917

Datum beschikking: 18 september 2014

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg

Beschikking op de op 28 augustus 2014 en 16 september 2014 ingekomen verzoekschriften van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

kind uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[A][A],

de vader,

wonende te [woonplaats],

en

[B][B],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarige verblijft feitelijk bij de moeder.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

- de verzoekschriften met bijlagen met daarin vervat de verklaring van Bureau Jeugdzorg

dat een situatie als bedoeld in artikel 29b, derde lid, van de Wet op de Jeugdzorg zich

voordoet;

- de instemmingsverklaring d.d. 17 september 2014 van een gedragswetenschapper als

bedoeld in artikel 29b, vijfde lid, van de Wet op de Jeugdzorg, die de jeugdige met het oog

daarop kort tevoren heeft onderzocht;

- het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Gouda d.d. 16 september 2014, met de daarbij behorende aanvraag;

- de brief d.d. 17 september 2014 van de zijde van de advocaat van de minderjarige.

Op 18 augustus is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- meneer [X], namens de Raad,

- mevrouw [Y] en mevrouw[Z], namens Bureau Jeugdzorg;

- de vader

- de moeder

- de minderjarige, bijgestaan door zijn advocaat mr. H.H.M. de Vries.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 16 september 2014 de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag bevolen een advocaat aan de minderjarige toe te voegen.

Verzoek en verweer

Het verzoek d.d. 28 augustus 2014 strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige, met toepassing van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek en tot machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-instelling voor de periode van twaalf maanden.

Het verzoek d.d. 16 september 2014 strekt tot wijziging van voornoemd verzoek voor zover het de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing betreft. De kinderrechter wordt thans verzocht machtiging te verlenen om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van twaalf maanden. De Raad heeft van Bureau Jeugdzorg vernomen dat de zorgen rondom de minderjarige zijn toegenomen. Uit deze zorgen blijkt dat de minderjarige ongeschikt is voor een open plaatsing met een machtiging tot uithuisplaatsing, zoals eerder door de Raad is verzocht. Een gesloten plaatsing is noodzakelijk vanwege de ernstige zorgen om de ontwikkeling en het huidige functioneren van de minderjarige. De minderjarige heeft tegenover zijn moeder en zus aangegeven dat hij weg zal lopen uit een open instelling en heeft gedreigd om hen wat aan te doen. De Raad acht het niet in het belang van de minderjarige om toch eerst een open plek te proberen.

In aanvulling hierop heeft [X] ter zitting opgemerkt dat de minderjarige een stevige plek nodig heeft met een duidelijke structuur, waar hij in gaat zien welke dingen belangrijk voor hem zijn. Voor een plaatsing op een open plek is medewerking van de minderjarige nodig. De minderjarige wil echter niet in gesprek met de hulpverlening, waardoor hij ook niet positief beïnvloed kan worden. De gesloten plaatsing is noodzakelijk om de minderjarige tegen zichzelf in bescherming te nemen. Ook voor zijn moeder en zus is deze bescherming noodzakelijk. Een plaatsing bij de vader is geen optie, aangezien de vader onvoldoende invloed heeft op de minderjarige. Bovendien onderkent vader het probleem onvoldoende. Ook heeft de minderjarige een eerder verblijf bij de vader zelfstandig beëindigd. Aangezien de William Schrikker Groep onder mandaat van Bureau Jeugdzorg werkt, zal deze stichting eveneens met de transitie naar de gemeente te maken krijgen.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

Mr. de Vries Veringa heeft namens de minderjarige verzocht om het verzoek tot machtiging gesloten jeugdzorg af te wijzen. Uit haar gesprekken met de minderjarige blijkt een heel ander persoon dan uit de rapportage. De minderjarige heeft aangegeven dat een aantal dingen in de rapportage niet klopt. Het is voor de minderjarige noodzakelijk dat er heel duidelijk uitgelegd wordt wat er aan de hand is en waarom er een gesprek met hem gewenst is. Indien het te snel gaat of het voor de minderjarige niet duidelijk is, stelt hij zich bijzonder terughoudend op. Ten aanzien van het rapport 2B is met de ouders alleen telefonisch contact geweest en met de minderjarige in het geheel niet. Er is door de onderzoeker geen kennis genomen van de thuissituatie. Ten aanzien van de school heeft de minderjarige aangegeven dat het mis is gegaan door het contact met een docent. Deze docent blijkt inmiddels weg te zijn omdat hij niet functioneerde. In de rapportage staat bovendien een fout die tot verkeerde beeldvorming leidt. De minderjarig heeft namelijk zijn scooter verkocht en werkt bij zijn vader in de pizzeria. De opbrengsten hiervan gaan volledig naar moeder om de gestolen sieraden te vergoeden. Hieruit blijkt dat de situatie de minderjarige niet koud laat. Bij moeder thuis loopt het niet lekker, maar vader is inmiddels ingesprongen. Vader heeft dagelijks contact met de minderjarige en controleert of de minderjarige zich aan de afspraken met moeder houdt. De minderjarige heeft het niet makkelijk met de begrenzingen, maar leert hier wel van. De minderjarige geeft aan dat hij het contact met de verkeerde vrienden heeft verbroken en dat hij graag naar school wil gaan. Het is echter niet eenvoudig om een school voor de minderjarige te vinden. De ouders en de minderjarige stemmen in met een ondertoezichtstelling, zodat de gezinsvoogd kan ondersteunen bij het vinden van een geschikte school. De minderjarige heeft de voorkeur om de uitvoering van deze ondertoezichtstelling over te dragen aan de William Schrikker Groep, welke als geen ander is toegerust voor de begeleiding van de problematiek van de minderjarige. Aangezien deze organisatie landelijk opereert zullen zij bovendien geen last hebben van de overdracht aan de gemeenten. Aan de kant van Bureau Jeugdzorg valt daarentegen wel veel wisseling te verwachten en mist bovendien de specifieke expertise die de minderjarige nodig heeft. Een uithuisplaatsing dient een ultimum remedium te zijn. In dit geval is echter nog niet alles geprobeerd om de bedreiging af te wenden. Het verzoek is immers pas het eerste verzoek voor hulpverlening in het verplichte kader. De minderjarige heeft aangegeven mee te willen werken aan onderzoeken naar zijn capaciteiten en probleemgebieden, aangezien hij aan zijn toekomst wil werken. Deze onderzoeken kunnen ook in ambulante vorm plaatsvinden. Er is onvoldoende onderzocht of een plaatsing in het netwerk mogelijk is, waardoor een machtiging tot uithuisplaatsing prematuur is, zeker wanneer dit een gesloten machtiging betreft. De minderjarige heeft aangegeven dat hij een uithuisplaatsing niet ziet zitten omdat hij nog met niemand heeft gesproken. Het verzoek is dan ook slechts gebaseerd op verklaringen van anderen. De minderjarige kan instemmen met een ondertoezichtstelling, met een sterke voorkeur voor uitvoering door de William Schrikker Groep, maar verzoekt tot afwijzing van het verzoek tot een gesloten uithuisplaatsing.

De vader heeft hierop nog aangevuld dat hij vindt dat de minderjarige nog een kans verdient.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlenen als verzocht. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat het duidelijk is dat de zorgen om de minderjarige groot zijn op veel verschillende gebieden. De minderjarige volgt geen onderwijs meer sinds juni 2014, gaat in zijn vrije tijd om met antisociale jongeren, heeft een beperkt verstandelijk vermogen, een belaste achtergrond en veel politiemeldingen. Gezien deze grote en complexe combinatie is het noodzakelijk dat er wordt ingegrepen. De brutale houding van de minderjarige ter terechtzitting is zorgelijk en doet vermoeden dat zijn houding buiten deze setting eveneens zorgelijk is. Dat de moeder zich genoodzaakt zag om aangifte tegen haar zoon te doen is eveneens een zorgelijk teken en een dringende vraag om hulp.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat verblijf van de minderjarige bij zijn ouders geen optie meer is. De zorgen zijn op een aantal leefgebieden te groot. De moeder is onmachtig om verandering te brengen in het gedrag van de minderjarige en de vader bagatelliseert de problemen. De minderjarige moet onder meer leren waar de grenzen liggen en [instelling X] is een goede plek om dit te leren. De kinderrechter zal de machtiging evenwel voor een aanmerkelijk kortere duur afgeven dan verzocht en het verzoek voor het overige aanhouden, aangezien er thans onvoldoende zicht is op de termijn die de minderjarige nodig zal hebben om zijn gedrag in de goede richting om te buigen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt de minderjarige van 18 september 2014 tot 18 september 2015 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg en verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg van 18 september 2014 tot 18 december 2014, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 16 september 2014;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de terechtzitting van 16 december 2014, om 13.00 uur;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming tijdig voor voormelde zitting rapport en advies uit te brengen;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- de Raad voor de Kinderbescherming;

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden;

- de vader;

- de moeder;

- de minderjarige.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J.M Weijnen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2014 in tegenwoordigheid van C. van Oorschot als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.