Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11793

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
09/857619-13 en 22/002067-10 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Flessentrekkerij (art. 326a Sr), de schadevergoedingsmaatregel (36f Sr) en vervangende hechtenis (24c jo 60a Sr):

Ingevolge artikel 36f, zevende lid, Sr in verbinding met art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het geval van samenloop als bedoeld in art. 57 of 58 Sr, ingevolge art. 60a Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste 365 dagen bedragen. De cumulatie van de bewezen handelingen leidt in geval van art. 326a Sr tot de bewezenverklaring van de bestandsdelen “beroep of gewoonte”, waardoor geen sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 of art. 58 Sr. Op grond van dat voorgaande is art. 60a Sr niet van toepassing. De wetgever heeft evenwel in alle gevallen een maximum willen stellen aan het totaal aantal dagen vervangende hechtenis (365 dagen) dat in een strafzaak aan een verdachte mag worden opgelegd. Dat de wetgever in dit cumulatiestelsel niet heeft voorzien in de omstandigheid van een enkele bewezenverklaring van art. 326a Sr is onbedoeld en in strijd met de geest van de artikelen art. 60a Sr en 24c, derde lid, Sr. De vervangende hechtenis wordt toegepast naar evenredigheid van de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen, tot een maximum van in totaal 365 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/259

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/857619-13 en 22/002067-10 (TUL)

Datum uitspraak: 26 september 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 maart 2014 (pro forma), 23 juni 2014 (pro forma) en 12 september 2014 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag, door mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 16 april 2013 tot en met 11 december 2013 op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op of of omstreeks de navolgende tijd (althans telkens in de periode van 16 april 2013 tot en met 11 december 2013) en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

- op 16 april 2013 te Den Haag een voertuig van [slachtoffer 1] en/of

- op 25 april 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 2] en/of

- op 28 mei 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 3] en/of

- op 15 juni 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 4] en/of

- op 20 juni 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 5] en/of

- op 22 juni 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 6] en/of

- op 24 juni 2013 te Bleijswijk een voertuig van [slachtoffer 7] en/of

- op 01 juli 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 8] en/of

- op 09 juli 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 9] en/of

- op 20 juli 2013 te Berkel en Rodenrijs van [slachtoffer 10] en/of

- op 07 augustus 2013 te De Lier een voertuig van [slachtoffer 11] en/of

- op 13 augustus 2013 te De Lier en/of Delft een voertuig van [slachtoffer 12] en/of

- op 19 augustus 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 13] en/of

- op 19 augustus 2013 te Berkel en Rodenrijs een voertuig van [slachtoffer 14] en/of

- op 27 augustus 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 15] en/of

- op 28 augustus 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 16] en/of

- op 28 augustus 2013 te Rotterdam een voertuig van [slachtoffer 17] en/of

- op 28 augustus 2013 re Bergschenhoek een voertuig van [slachtoffer 18] en/of

- op 18 september 2013 te Zoeterwoude een voertuig van [slachtoffer 19] en/of

- op 23 september 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 20] en/of

- op 28 september 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 21] en/of

- op 30 september 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 22] en/of

- op 14 oktober 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 23] en/of

- op 22 oktober 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 24] en/of

- op 30 oktober 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 25] en/of

- op 31 oktober 2013 te Rijswijk een voertuig van [slachtoffer 26] en/of

- op 05 november 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 27] en/of

- op 20 november 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 28] en/of

- op 21 november 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 29] en/of

- op 28 november 2013 te Bergschenhoek een voertuig van [slachtoffer 30] en/of

- op 28 november 2013 te Bleiswijk een voertuig van [slachtoffer 31] en/of

- op 03 december 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 32] en/of

- op 03 december 2013 te Delfgauw een voertuig van [slachtoffer 33] en/of

- op 05 december 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 34] en/of

- op 11 december 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 35];

2.

hij te Delft, op of omstreeks 18 december 2013, munitie van categorie III, te weten 22 kogelpatronen (kaliber .32 auto), voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De vijfendertig in de dagvaarding genoemde aangevers hebben in de periode van 16 april 2013 tot en met 11 december 2013 hun in de dagvaarding genoemde auto verkocht, doch nimmer (volledig) betaald gekregen. Verdachte (hierna: [verdachte]) heeft ter zitting bekend dat hij samen met zijn broer, medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) al handelend op naam van het bedrijf [bedrijf], meerdere auto’s heeft gekocht en dat zij de koopprijs van de vijfendertig auto’s niet (geheel) hebben betaald aan de voormalige eigenaren.

Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat zij vanaf het begin wel het voornemen hadden de auto’s uiteindelijk te betalen.

De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of verdachte de vijfendertig auto’s heeft gekocht terwijl hij het oogmerk had zich en/of een ander de beschikking over die auto’s te verzekeren zonder volledige betaling.

Voorts wordt hem verweten dat hij tweeëntwintig kogelpatronen voorhanden heeft gehad.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide feiten bewezen worden verklaard. Daartoe is ten aanzien van feit 1 gerequireerd dat blijkens HR 22 juli 1958, NJ1959/191 het oogmerk kan worden afgeleid uit de omstandigheden dat de goederen niet (na eventuele herhaalde aanmaningen) zijn betaald en de erkenning dat verdachte op verschillende tijdstippen goederen heeft gekocht. Er hoeft dan ook volgens de officier van justitie niet te worden vastgesteld dat het oogmerk reeds heeft bestaan op het moment van het kopen. Uit het aantal aangiftes van vijfendertig volgt naar het standpunt van de officier van justitie het bestandsdeel ‘gewoonte of beroep’. Ten aanzien van feit 2 is door verbalisanten waargenomen dat verdachte de munitie op het schuurtje heeft gegooid, aldus de officier van justitie.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide feiten. Daartoe is ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het oogmerk bij de gebroeders [verdachte] ontbrak op het middels onvolledige betaling verkrijgen van de auto’s. De gebroeders hebben volgens de verdediging altijd de intentie gehad de koopsom aan de verkopers te voldoen op het moment dat zij over voldoende middelen zouden beschikken. Dat zij deze intentie hadden blijkt volgens de verdediging uit de omstandigheid dat de gebroeders met open vizier handelden en traceerbaar waren door bij de verkopers hun eigen naam te gebruiken, de verkopen vast te leggen in koopovereenkomsten en te handelen onder de naam van [bedrijf] (dat op naam stond van de vriendin van [medeverdachte]). Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de vijfendertig onderhavige aankopen nog geen acht procent behelzen van het totaal aantal door het bedrijf ingekochte auto’s. Volgens de verdediging volgt daaruit dat de gebroeders bereid waren te gaan betalen. Bovendien maakt het aantal van acht procent van de totale handel dat er ook geen sprake kan zijn van een ‘gewoonte of beroep’. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat de politie enkel heeft gezien dat verdachte twee donkere zakjes heeft gegooid op de schuur. Uit het dossier volgt echter dat de munitie in een ander zakje zat dan in voornoemde donkere zakjes. Dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de munitie op de schuur volgt daar dan ook niet uit.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Feit 1: “Flessentrekkerij”

Bij de uiteenzetting van de feiten hanteert de rechtbank de volgorde van de zaaknummers als vermeld in het dossier.

Zaak 1:

Aangever [slachtoffer 9] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 1] op 19 juli in Delft aan twee mannen van het bedrijf [bedrijf], genaamd [medeverdachte] en [verdachte], heeft verkocht. Er werd een prijs afgesproken van € 10.500,00. Daarbij werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Voorts is afgesproken dat de betaling van de koopsom later die dag zou worden overgemaakt. De auto is door de beide mannen meegenomen. De betaling bleef echter uit. Daarop heeft de aangever meermalen telefonisch contact opgenomen met [bedrijf] over de betaling, doch deze bleef uit.2

Zaak 2:

Aangever [slachtoffer 12] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 2], op 13 augustus 2013 in Delft aan twee mannen van Autobedrijf [bedrijf] heeft verkocht. Eén van deze mannen had zich eerder voorgesteld als [medeverdachte] [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 9.900,00. Daarbij is aan aangever medegedeeld dat de koopsom later die middag zou worden overgemaakt. Bij de verkoop is een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De betaling bleef echter uit. Daarop heeft de aangever meermalen tussen 14 en 19 augustus 2013 telefonisch contact gehad met [medeverdachte]. Hierbij werd hem verteld dat de boekhouder het geld had overgeboekt. Tijdens het laatste contact dat aangever met [medeverdachte] had zei [medeverdachte] dat er een verkeerd cijfer was ingevoerd inzake zijn bankrekeningnummer. Betaling bleef echter uit.3

Zaak 3:

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 3], op 15 juni 2013 te Delft, heeft verkocht aan twee mannen genaamd [verdachte] en [medeverdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 7.500,00. Daarbij is door aangever en de twee voornoemde mannen een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Vervolgens werd medegedeeld dat de koopsom later die dag zou worden overgemaakt. De auto werd vervolgens meegenomen. De betaling bleef echter uit. Twee dagen later heeft aangever telefonisch contact gezocht over de betaling, waarbij hem werd gezegd dat de boekhouder een fout had gemaakt. Op 26 juni is één van de twee mannen langs geweest bij aangever en heeft hem toen € 500,00 betaald bij wijze van rentevoorschot, met de mededeling dat de volledige koopsom voor 4 juli 2013 zou worden betaald. Op 16 juli 2013 is er, na dreiging met incasso door aangever, nog eens € 500,00 gestort op de rekening van [slachtoffer 4].4 Betaling van het restant bleef echter uit.5

Zaak 4:

Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 4], op 20 juni 2013 te Zoetermeer, heeft verkocht aan [medeverdachte] en [verdachte] [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 8.750,00. Voorts werd door [verdachte] medegedeeld dat de koopsom via de bank zou worden overgemaakt. Er werd een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend, een vrijwaringsbewijs opgemaakt en de auto werd meegenomen door de mannen. De betaling bleef echter uit. Op 24 juni 2013 is aangever, op het adres van het bedrijf [bedrijf], met [verdachte] een schuldbekentenis overeengekomen. Op 29 juni 2013 heeft [verdachte] contant € 1.750,00 betaald aan aangever. Na meerdere telefoongesprekken heeft [verdachte] op 1 juli 2013 € 1.000,00 contant betaald aan aangever. Nadat de deadline van de betaling van de rest van de schuld niet was gehaald heeft aangever op 11 juli 2013 een aangetekende brief gestuurd aan [verdachte] over de gemaakte afspraken. Vervolgens zou [verdachte] op 24 juli 2013 een bedrag van € 2.500,00 betalen, wat niet is gebeurd. Op 1 augustus heeft [verdachte] contant € 800,00 betaald en een schuldbekentenis ondertekend voor het restantbedrag. In de periode van 6 augustus 2013 tot en met 4 september 2013 heeft aangever nogmaals een gesprek met [verdachte] gehad op het woonwagenkamp waar [verdachte] woonde en heeft hij hem meermalen telefonisch gesproken over de betaling van het restantbedrag. De betaling van het restant bleef echter uit.6

Zaak 5:

Aangever [slachtoffer 16] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 5], op 28 augustus 2013 te Delft heeft verkocht aan een persoon die zich voorstelde als [medeverdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 18.300,00. [medeverdachte] deelde mee dat de koopsom zou worden overgemaakt. Op 4 september 2013 werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend, een vrijwaringsbewijs opgemaakt en de auto werd meegenomen door [medeverdachte]. De betaling bleef echter uit. Op 9 september 2013 heeft aangever met [medeverdachte] een afspraak gemaakt om de betaling de volgende dag in persoon te voldoen bij een bankfiliaal. [medeverdachte] kwam die afspraak en een vervolgafspraak de dag daarop niet na. Na een sms-bericht aan [medeverdachte] dat bij het uitblijven van de betaling aangifte zal worden gedaan werd hij gebeld door [verdachte], de broer van [medeverdachte], die agressief mededeelde dat bij een aangifte de koopsom nimmer zou worden betaald. Wederom kwam men een afspraak om naar de bank te gaan op 12 september 2013 niet na. Betaling bleef verder uit.7

Zaak 6:

Aangever [slachtoffer 8] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 6], op 1 juni 2013 te Delft, verkocht aan een persoon, die zich voorstelde als [verdachte], en diens broer. Er werd een prijs afgesproken van € 7.500,00. Daarbij werd afgesproken dat de koopsom later die dag zou worden overgemaakt. Ook werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt waarna de auto is meegenomen. De betaling bleef echter uit. In de periode van 1 juli 2013 tot en met 16 september 2013 heeft aangever telefonisch en in persoon gesproken met [verdachte] over de betaling. Op 1 juli 2013 liet [verdachte] telefonisch weten dat hij een ongeluk had gehad en dat de betaling een dag later zou plaatsvinden. Aangever ontving geen geld en hem werd op 3 juli 2013 medegedeeld door [verdachte] dat hij nog even moest wachten. Op 8 juli 2013 kreeg aangever van [verdachte] te horen dat hij naar de bank zou gaan om te kijken hoe het zat, waarna [verdachte] op 9 juli 2013 liet weten dat hij de verkeerde naam bij het rekeningnummer had gezet. Op 18 juli 2013 kwam [verdachte] aan de deur bij aangever, zei dat hij het geld niet had en dat aangever nog even moest wachten. Op 16 september 2013 had aangever voor het laatst contact met [bedrijf], in de persoon van [verdachte] en werd een mooi verhaal met leugens opgehangen. Betaling bleef echter uit.8

Zaak 7:

Aangever [slachtoffer 19] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 7], op 18 september 2013 te Reeuwijk heeft verkocht aan [verdachte] en zijn broer [medeverdachte]. Er was een prijs afgesproken van € 8.850,00. Er werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Er werd afgesproken dat de koopsom later die middag zou worden overgeschreven. De betaling bleef echter uit. Vervolgens heeft aangever meerdere malen die dag gebeld met [verdachte] en [medeverdachte] waarbij hem werd verteld dat er foutjes waren gemaakt en werden hem, volgens aangever, andere smoesjes verteld. Vervolgens heeft aangever de dagen na de verkoop vaak contact gezocht met [medeverdachte] en [verdachte], doch hij kreeg steeds dezelfde verhalen te horen. Aangever heeft nimmer betaald gekregen.9

Zaak 8:

Aangever [slachtoffer 11] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 8], op 7 augustus 2013 te De Lier aan [verdachte] en zijn broer heeft verkocht. Er werd een prijs van € 5.000,00 afgesproken. Vervolgens werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. [verdachte] deelde mee dat de koopsom overgemaakt zou worden. Daarna is de auto meegenomen. De betaling bleef echter uit. Na twee dagen heeft aangever telefonisch gesproken met [verdachte] die zei dat het geld reeds was overgemaakt; later werd door een andere man gezegd dat het geld was teruggeboekt wegens een verkeerd bankrekeningnummer. Voorts heeft aangever meerdere malen met [verdachte] gebeld die, volgens aangever, altijd met een smoes kwam. Betaling bleef steeds uit.10

Zaak 9:

Aangever [slachtoffer 26] heeft verklaard dat zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 9], op 1 oktober 2013 te Rijswijk heeft verkocht aan een man genaamd [medeverdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 7.500,00. Daarbij is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. [medeverdachte] deelde mee dat de koopsom die dag zou worden overgemaakt. Vervolgens is de auto meegenomen. De betaling bleef evenwel uit. [medeverdachte] belde die dag nog dat het geld was overgemaakt, maar belde later weer dat het geld volgens zijn boekhouder nog niet was afgeschreven, dat er mogelijk iets fout was gegaan met de overboeking en dat hij de koopsom persoonlijk contant zou komen betalen op 4 november 2013. [medeverdachte] kwam op voornoemde datum niet opdagen en [verdachte], de broer van [medeverdachte], maakte daarna met aangever de afspraak dat [medeverdachte] zo snel mogelijk langs zou komen, hetgeen niet gebeurde. Vervolgens is er meermalen contact geweest waarbij, volgens aangever, de broers elke keer met een excuus kwamen. Betaling bleef echter uit.11

Zaak 10:

Aangever [slachtoffer 28] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 10], op 20 november 2013 te Zoetermeer heeft verkocht aan [medeverdachte]. Er was een prijs afgesproken van € 3.700,00. Er werd door aangever en [medeverdachte] een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. [medeverdachte] deelde mee dat de koopsom diezelfde dag nog zou worden overgemaakt. Vervolgens is de auto door [medeverdachte] en een andere man die in een oplegger zat meegenomen. De betaling bleef echter uit. Op 20 november 2013 heeft aangever gebeld met [medeverdachte], die zei dat het geld nog niet was overgemaakt omdat hij een aanrijding had gekregen. In een telefonisch contact met [medeverdachte] tijdens het opmaken van de onderhavige aangifte, op 21 november 201312, heeft [medeverdachte] gezegd dat het geld van hun rekening was afgeschreven en dat hij contact zou opnemen met de boekhouder. De koopsom is echter nimmer betaald.13

Zaak 11:

Aangever [slachtoffer 21] heeft verklaard dat hij een auto, voorzien van kenteken [kenteken 11], op 28 september 2013 te Pijnacker heeft verkocht aan twee mannen, waarvan één [medeverdachte] betrof. Er werd een prijs afgesproken van € 4.100,00. Er werd vervolgens er een inkoopverklaring van [bedrijf] op naam van E.V. van der Kamp ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. [medeverdachte] deelde mee dat de koopsom diezelfde dag nog zou worden overgemaakt. De betaling bleef echter uit. In de periode van 2 oktober tot en met 8 november 2013 heeft aangever meerdere malen telefonisch contact gehad met [medeverdachte]. Daarbij werd door [medeverdachte] verteld dat er een verkeerd rekeningnummer was overgenomen door de boekhouder, dat hij op een begrafenis was, maar wel wist dat het geld op 3 oktober 2013 was overgemaakt, dat hij het geld contant zou geven (welke afspraak door hem niet werd nagekomen), dat er extra geld zou worden betaald en dat hij toch een andere keer contant zou betalen. Nadat de rechtsbijstandverzekering door aangever op de hoogte was gesteld en een aangetekend brief was gestuurd, heeft [medeverdachte] aangever te kennen gegeven dat hij daar niet blij mee was en is er verder geen contact meer geweest. Betaling is tot op heden uitgebleven.14

Zaak 12:

Aangever [slachtoffer 32] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 12], op 3 december 2013 te Zoetermeer heeft verkocht aan [verdachte] van [bedrijf] en zijn broer [medeverdachte] van [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 5.250,00. Daarbij is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Vervolgens werd aan aangever gegarandeerd dat de koopsom binnen een uur overgemaakt zou zijn. De betaling bleef echter uit. Die dag nog heeft aangever met [medeverdachte] gebeld die zei dat het geld wel al van hun rekening was afgeschreven en dat de boekhouder er mee bezig was. Later beloofde [medeverdachte] ook dat hij een bewijs van de overschrijving zou e-mailen, hetgeen niet is gebeurd. Op 4 december 2013 heeft [verdachte] tegen de vrouw van aangever gezegd dat de boekhouder er mee bezig was en in een later gesprek die dag heeft hij aangeboden naar Zoetermeer te komen om het bij een bank op te lossen. De betaling bleef echter uit.15

Zaak 13:

Aangever [slachtoffer 30] heeft verklaard dat hij een auto, voorzien van kenteken [kenteken 13], op 28 november 2013 te Bergschenhoek heeft verkocht aan [verdachte] [bedrijf] en aan een andere man eveneens genaamd [bedrijf]. Er werd een prijs van € 6.900,00 afgesproken. Vervolgens is er een inkoopverklaring van [bedrijf] op naam van [naam 1] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Daarna heeft de broer van [verdachte] gebeld met iemand om de koopsom over te laten maken en is de auto door hen meegenomen. De betaling bleef echter uit. Vervolgens is aangever dagelijks door [verdachte] gebeld met de vraag of aangever het geld al had ontvangen. Op 2 december 2013 heeft aangever een aangetekende brief gestuurd naar het autobedrijf met daarin een termijn om tot betaling over te gaan. Op 9 december 2013 is aangever door [verdachte] gebeld en heeft hij aan [verdachte] medegedeeld dat hij beslag zou leggen op de caravan van M. [bedrijf]. [verdachte] zou vervolgens het geld direct overmaken. Betaling is echter uitgebleven.16

Zaak 14:

Aangever [slachtoffer 29] heeft verklaard dat hij zijn auto, met kenteken [kenteken 14], op

21 november 2013 te Delft verkocht aan een man die reed in een oplegger van het bedrijf [bedrijf]. De naam van de man kan aangever zich niet meer herinneren. Er is voor de auto een prijs afgesproken van € 1.050,00. Daarbij is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De man deelde mee dat het geld diezelfde avond nog zou worden gestort op de rekening van aangever. De betaling bleef echter uit. Vanaf die avond tot aan 1 december 2013 heeft aangever meermalen telefonisch contact gehad met de man. De man vertelde hem onder meer dat het geld later zou komen, dat de boekhouder er mee bezig was en dat er twee namen waren verwisseld. Ook werd er meermalen beloofd het geld contant te betalen.17 Aan de telefoon heeft hij om en om de broers gesproken. Betaling bleef echter uit.18

Zaak 15:

Aangever [slachtoffer 27] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 15], op 6 november 2013 te Pijnacker heeft verkocht aan [medeverdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 4.400,00 euro. Daarbij is een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. [medeverdachte] deelde mee dat het geld die avond nog zou worden overgemaakt. De auto is vervolgens meegenomen. De betaling bleef echter uit. Aangever heeft die avond nog gebeld met [medeverdachte], die zei dat het geld wel was overgemaakt. Een dag later zou [medeverdachte] het met zijn boekhouder overleggen. Op

8 november 2013 belde aangever met de broer van [medeverdachte], genaamd [verdachte], die beloofde dat [medeverdachte] het geld op 9 november 2013 contant zou komen betalen. Nadat aangever op het woonwagenkamp op het adres van het bedrijf had gesproken met een vrouw, heeft hij nog meerdere malen op verschillende dagen telefonisch gesproken met [verdachte] die, volgens aangever, iedere keer met nieuwe smoesjes kwam. De betaling bleef echter uit.19

Zaak 16:

Aangever [slachtoffer 34] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 16], op 5 december 2013 te Pijnacker heeft verkocht aan een man die zich voorstelde als [bedrijf]. Daarbij werd een prijs overeengekomen van € 3.000,00. Er is een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Het geld zou direct per bank op de rekening van aangever worden overgemaakt. De man deed alsof het geld ter plekke zou worden overgemaakt via zijn mobiele telefoon. Het geld zou, volgens de man, binnen vijf uur op de rekening van aangever worden bijgeschreven. De auto is daarop meegenomen, doch de betaling bleef uit. Daarop heeft aangever meermalen telefonisch contact gehad met de man. De betaling bleef echter tot op heden uit.20

Zaak 17:

Aangever [slachtoffer 22] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 17], op 30 september 2013 te Pijnacker heeft verkocht aan [medeverdachte] en een man genaamd [verdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 3.850,00. Vervolgens heeft aangever een factuur naar hen gestuurd. Op 2 oktober 2013 zijn beide mannen wederom naar de woning gekomen. Er werd toen een vrijwaringsbewijs opgemaakt. [medeverdachte] belde vervolgens naar zijn boekhouder om te vragen of de koopsom al was overgemaakt. Er werd aangever beloofd dat het geld zo snel mogelijk op zijn rekening komen. De auto is vervolgens meegenomen, doch de betaling van de koopsom bleef uit. Op 3 oktober 2013 heeft aangever gebeld met [medeverdachte], die hem zei dat hij niet begreep waarom het geld niet was overgemaakt. Vervolgens heeft aangever op meerdere dagen telefonisch contact gehad met [medeverdachte] en [verdachte] die ieder, volgens aangever, steeds met smoezen en excuses kwamen. Betaling is echter uitgebleven.21

Zaak 18:

Aangever [slachtoffer 35] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 18], op 11 december 2013 te Delft, heeft verkocht aan een man. De man vertelde dat hij werkzaam was voor [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 2.350,00. Daarbij is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De koopsom zou volgens de man die avond worden overgemaakt. De auto is meegenomen doch de betaling bleef uit. Vervolgens heeft aangever meermalen gebeld met twee mannen genaamd [medeverdachte] en [verdachte]. Er werden hem, volgens aangever, meerdere smoezen verteld waarom er nog niet was betaald. Ook werd hem beloofd dat het geld contant zou worden betaald. De betaling bleef echter uit.22

Zaak 19:

Aangever [slachtoffer 10] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 19], te koop had aangeboden op Marktplaats. Op een gegeven moment werd hij gebeld door een man genaamd [verdachte]. Deze [verdachte] en een andere man zijn langsgekomen om te onderhandelen, doch dat liep op niets uit. Op 20 juli 2013 heeft aangever hen gebeld om toch de auto aan hen te verkopen. De mannen kwamen naar Berkel en Rodenrijs en bekeken de auto. Er werd een prijs afgesproken van € 4.000,00. Ook werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Er werd aangever medegedeeld dat de koopsom diezelfde avond zou worden overgemaakt. De betaling bleef echter uit. Daarna heeft aangever nog veelvuldig telefonisch contact gehad met [verdachte], die hem toen beloofde een deel van het geld te betalen. Ook is aangever op het adres van het bedrijf geweest en heeft hij daar gesproken met [verdachte], terwijl ook de andere man aanwezig was. De betaling bleef echter uit.23

Zaak 20:

Aangever [aangever 1] heeft, namens zijn broer [slachtoffer 7], verklaard dat zijn broer een auto, voorzien van kenteken [kenteken 20], op 24 juni 2013 te Bleiswijk heeft verkocht aan twee mannen, genaamd [medeverdachte] en [verdachte], van [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 7.100,00. Er werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Er werd aan [slachtoffer 7] medegedeeld dat de koopsom die dag nog zou worden overgemaakt. De auto werd vervolgens door de mannen meegenomen. De betaling bleef echter uit. [slachtoffer 7] heeft daarna meermalen telefonisch contact gehad met het bedrijf doch er werd, volgens aangever, altijd een smoes verzonnen waarom er niet betaald was. Ook is hun vader langs geweest op het adres van het bedrijf om navraag te doen. De betaling bleef echter uit.24

Zaak 21:

Aangever [slachtoffer 24] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 21], op 22 oktober 2013 te Delft heeft verkocht aan [medeverdachte] [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 5.325,00. Op 8 november 2013 is [medeverdachte] met een oprijwagen bij aangever in Delft gekomen. Achter het stuur van de oprijwagen zat een andere man. Er werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Daarbij is er aan aangever medegedeeld dat de koopsom binnen twee dagen zou worden overgemaakt. Vervolgens is de auto meegenomen. De betaling bleef echter uit. Daarna heeft aangever nog meermalen telefonisch contact gehad met [medeverdachte] alsmede met een man genaamd [verdachte]. Beiden hadden, volgens aangever, allerlei smoezen waarom er niet betaald was. Betaling bleef evenwel uit.25

Zaak 22:

Aangever [slachtoffer 13] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 22], op 19 augustus 2013 te Delft heeft verkocht aan twee mannen, waarvan één [medeverdachte] was genaamd, van Autobedrijf [bedrijf]. [medeverdachte] had, toen hij bij aangever was, eenmaal telefonisch contact met een persoon genaamd [verdachte]. [medeverdachte] zei dat dit zijn broer betrof. Er werd een prijs afgesproken van € 5.250,00. Daarbij werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. [medeverdachte] deelde vervolgens mee dat de koopsom later die dag zou worden overgemaakt. Daarna is de auto meegenomen. De betaling bleef echter uit. Vervolgens heeft aangever meermalen contact gehad met het bedrijf waarbij men, volgens aangever, altijd met smoezen kwam waarom er niet werd betaald. Ook is aangever op 9 september 2013 langs geweest op het adres van het bedrijf en heeft hij toen gesproken met een broer van [medeverdachte], die aangever op een gegeven moment zijn telefoon heeft gegeven terwijl [medeverdachte] aan de lijn was. [medeverdachte] heeft aangever toen toegezegd het bedrag direct over te maken. Daar deze toegezegde betaling wederom uitbleef heeft aangever op 10 september 2013 een betalingsherinnering verstuurd; twee weken later heeft een incassobureau de zaak overgenomen. Betaling bleef tot op heden uit.26

Zaak 23:

Aangever [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 23], op 22 juni 2013 te Delft heeft verkocht aan de broers [verdachte] en [medeverdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 5.500,00. Op 26 juni 2013 zijn [verdachte] en [medeverdachte] opnieuw naar de woning van aangever in Delft gekomen. Er is toen een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Er werd door [medeverdachte] medegedeeld dat de koopsom later die avond zou worden overgemaakt. Vervolgens is de auto meegenomen door [medeverdachte] en [verdachte]. De betaling bleef echter uit. Op 29 juni 2013 heeft aangever gebeld met [verdachte] die zei dat aangever tot maandag moest wachten. Die maandag beloofde [verdachte] over de telefoon dat hij het geld contant zou komen brengen. Vervolgens heeft [verdachte] aangever weken aan een lijntje gehouden. Ook is [verdachte] tweemaal bij aangever langsgegaan om te praten over de situatie. Op 28 september 2013 heeft aangever een aangetekende brief verzonden en vervolgens een incassobureau ingeschakeld. De betaling bleef echter uit.27

Zaak 24:

Aangever [slachtoffer 31] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 24], op 28 november 2013 heeft verkocht aan [verdachte]. Er werd een prijs afgesproken van

€ 2.400,00. De volgende dag kwamen de broers wederom naar de woning van aangever te Bleiswijk. Vervolgens heeft [medeverdachte] gebeld met zijn boekhouder om het geld over te laten maken. Er werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Vervolgens is de auto meegenomen. De betaling bleef echter uit. Vanaf 2 december 2013 heeft aangever meermalen telefonisch contant gehad met [verdachte] waarbij [verdachte] telkens, volgens aangever, met een andere smoes kwam waarom aangever nog geen geld had ontvangen. Betaling bleef echter uit.28

Zaak 25:

Aangever [slachtoffer 25] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 25], op 30 oktober 2013 te Delft heeft verkocht aan [medeverdachte] van [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 2.000,00. Daarbij is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Er werd medegedeeld dat de koopsom later die dag zou worden overgemaakt en op de rekening van aangever zou staan. De auto is vervolgens meegenomen, doch de betaling bleef uit. Die dag nog belde aangever naar [medeverdachte], maar kreeg hij [verdachte] aan de telefoon. Die vertelde dat er problemen waren met de betaling en dat aangever de dag er na zou worden betaald. Op 31 oktober 2013 heeft aangever wederom met [verdachte] gebeld, maar ook de toen afgesproken betaling bleef uit. De dag daarop is aangever naar het adres van het bedrijf gegaan en werd hij later gebeld door [verdachte] die wederom, volgens aangever, met allerlei smoesjes kwam. Ook een belofte om te betalen op 17 december 2013 is door [verdachte] niet nagekomen. De betaling bleef tot op heden uit.29

Zaak 26:

Aangever [slachtoffer 17] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 26], op

28 augustus 2013 te Berkel en Rodenrijs heeft verkocht aan [verdachte] en twee andere mannen. Eén van deze twee mannen was genaamd [broer van verdachte] en was de broer van [verdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 7.500,00. Daarbij er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Er werd door [broer van verdachte] medegedeeld dat de koopsom later die avond zou worden overgemaakt. Vervolgens is de auto meegenomen. De betaling bleef echter uit. Aangever heeft op 2 september 2013 met [verdachte] gebeld die zei dat hij bezig was met de betaling. Na die dag heeft aangever wel veertig keer contact gehad met [verdachte], zowel telefonisch als in persoon. Iedere keer zei [verdachte] dat het wel goed zou komen. Betaling bleef echter uit.30

Zaak 27:

Aangever [slachtoffer 23] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 27], op 14 oktober 2013 te Delft heeft verkocht aan [medeverdachte], die toen in gezelschap was van een andere man. Er werd een prijs afgesproken van € 3.950,00. Er werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Hierbij werd overeengekomen dat de koopsom de volgende zou worden overgemaakt. Vervolgens is de auto meegenomen. Op 16 oktober 2013 belde [medeverdachte] naar aangever met de mededeling dat hij een onjuist rekeningnummer had van aangever. Nadat betaling vervolgens uitbleef en aangever een sms-bericht had gestuurd, werd hem op 21 oktober 2013 door [medeverdachte] medegedeeld dat hij het ging uitzoeken. Op 24 oktober 2013 heeft aangever met [medeverdachte] afgesproken dat er een contante betaling zou plaatsvinden op 29 oktober 2013 rond het middaguur bij een bank te Delft. Aangever heeft op 29 oktober 2013 kort voor het middaguur gebeld naar [medeverdachte]. [medeverdachte] zei dat hij in Groningen zat en dat hij het op dat moment niet kon regelen. [medeverdachte] zei dat hij het geld zou overmaken en het bedrag zou verhogen tot

€ 4.100,00 voor alle problemen. Betaling bleef echter uit.31

Zaak 28:

Aangever [slachtoffer 14] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 28], op 19 augustus 2013 te Berkel en Rodenrijs heeft verkocht aan [verdachte] en zijn broer [medeverdachte] [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 4.750,00. Op 20 augustus 2013 kwamen de mannen naar de woning van aangever in Berkel en Rodenrijs. [medeverdachte] deelde mee dat de koopsom telefonisch zou worden overgemaakt en dat het geld aan het einde van de dag op de rekening van aangever zou staan. Er werd er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Vervolgens is de auto meegenomen. De betaling bleef echter uit. Vervolgens heeft aangever meermalen met [verdachte] gesproken waarbij hij, volgens aangever, telkens een andere excuus te horen kreeg. Aangever is uiteindelijk met [verdachte] telefonisch een betalingsafspraak overeengekomen die [verdachte] op 30 augustus 2013 zou tekenen. [verdachte] heeft die betalingsafspraak, inhoudende dat hij uiterlijk op 5 september 2013 zou betalen, ondertekend. Het geld werd echter niet gestort. [verdachte] is op 6 september 2013 langs gekomen en heeft contant € 400,00 voldaan. De betalingsafspraken daarna werden evenwel niet nagekomen. Aangever heeft [verdachte] nog meerdere keren gebeld, maar de excuses bleven komen. Uiteindelijk is er door aangever een aangetekende brief verstuurd met daarin de afspraken van de termijnbedragen. Verdere betaling bleef evenwel uit.32

Zaak 29:

Aangever [slachtoffer 33] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 29], in november 2013 te koop had aangeboden op Marktplaats. Daarop werd hij gebeld door een man genaamd [verdachte] van [bedrijf] voor een afspraak. [verdachte] maakte met aangever een afspraak voor 3 december 2013. Op 3 december 2013 te Delft verscheen een andere man dan [verdachte] op de afspraak. Aangever heeft de auto verkocht op de afgesproken tijd en plaats aan deze man. Er werd daarbij een prijs afgesproken van

€ 5.000,00. Ook is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De man deelde mee dat de koopsom die avond zou worden overgemaakt en dat het bedrag de volgende dag op de rekening van aangever zou staan. Vervolgens is de auto meegenomen. De betaling bleef echter uit. Aangever heeft daarna wel tien keer naar [verdachte] gebeld die elke keer, volgens aangever, met een andere reden kwam waarom het geld nog niet was betaald. Op een gegeven moment werd er door [verdachte] beloofd dat de betaling contant zou plaatsvinden. Elke keer was er, volgens aangever, weer een andere smoes. De betaling bleef echter uit.33

Zaak 30:

Aangever [slachtoffer 15] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 30], op 27 augustus 2013 te Delft heeft verkocht aan een man genaamd [betrokkene]. Er werd een prijs afgesproken van € 16.500,00. Op 11 september 2013 werd een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De man deelde mee dat de koopsom die middag zou worden overgemaakt. De betaling bleef echter uit en aangever belde die dag nog met [verdachte] [bedrijf]. Die zei dat het mogelijk aan de bank lag daar het bedrag hoger was dan € 10.000,00. Omdat de betaling echter uitbleef heeft aangever om de dag [verdachte] gebeld, waarbij [verdachte], volgens aangever, telkens met een andere smoes kwam. Op 21 september 2013 is aangever naar het adres van [verdachte] en diens broer [betrokkene] gegaan aan de [adres 2] te Delft. [verdachte] heeft toen een betalingsregeling ondertekend die aangever had opgesteld. Nadien heeft aangever een deurwaarder ingeschakeld. Betaling bleef echter uit.34

Zaak 31:

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij haar auto, voorzien van kenteken [kenteken 31] op 25 april 2013 te Delft heeft verkocht aan een man genaamd [verdachte] van [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 3.250,00. [verdachte] zou de koopsom zo snel mogelijk overmaken, doch de prijs kon ook worden verrekend indien hij een vervangende auto voor aangeefster zou vinden. Er werd een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De auto werd meegenomen. Vervolgens bleef de betaling echter uit. De dagen daarna heeft aangeefster meermalen gebeld met [verdachte] en zijn broer [medeverdachte], die haar, volgens aangeefster, aan het lijntje hielden met excuses. [verdachte] is ook meerdere keren naar de winkel van de zoon van aangeefster gegaan en beloofde dan dat aangeefster het geld of een nieuwe auto spoedig zou krijgen. Aangeefster is op een gegeven moment naar het adres van het bedrijf gegaan om te praten en kreeg later [verdachte] aan de telefoon. Er volgde, volgens aangeefster, een aantal weken van lang gedraai en smoesjes van [medeverdachte] en [verdachte]. Betaling bleef echter uit.35

Zaak 32:

Aangever [aangever 2] heeft, namens haar zoon [slachtoffer 20] en haar schoondochter [aangever 3], verklaard dat haar zoon hun auto, voorzien van kenteken [kenteken 32], op 23 september 2013 te Delft verkocht aan een man genaamd [medeverdachte] [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 3.750,00. Daarbij is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De betaling van de koopsom zou per giro worden voldaan, doch deze bleef uit. Meijer heeft vervolgens meermalen contact gehad met [medeverdachte] [bedrijf], die elke keer, volgens aangeefster, met een ander excuus kwam. Tevens is er een aangetekende brief verstuurd naar [bedrijf]. Betaling bleef echter uit.36

Zaak 33:

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 33], op 28 mei 2013 te Zoetermeer heeft verkocht aan [medeverdachte] van garage [bedrijf], die samen was een man genaamd [verdachte]. Er werd een prijs afgesproken van € 16.940,00. [medeverdachte] deelde mee dat de koopsom zou worden overgemaakt, en belde vervolgens naar een vrouw die mededeelde dat het geld zou worden overgemaakt. Het geld zou binnen drie dagen op de rekening van aangever moeten staan. Er werden een factuur en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De auto werd meegenomen. De betaling bleef echter uit. Vervolgens heeft aangever meermalen telefonisch contact gehad met [verdachte] die, volgens aangever, telkens met een ander excuus kwam waarom er niet was betaald. Betaling bleef echter uit.37

Zaak 34:

Aangeefster [slachtoffer 18] heeft verklaard dat zij haar auto, voorzien van kenteken [kenteken 34], op 28 augustus 2013 te Bergschenhoek heeft verkocht aan [verdachte] en zijn broer [medeverdachte] [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 9.500,00. Daarbij is er een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. Vervolgens liet [verdachte] op zijn iPad zien dat de koopsom was overgeschreven en deelde hij mede dat het geld binnen een uur op de rekening van aangeefster zou staan. De auto werd vervolgens meegenomen, doch de betaling bleef uit. De volgende dag belde aangeefster met [verdachte] die zei dat het geld zeker die middag op haar rekening moest staan. De dag daarop heeft [verdachte] aangeefster gezegd dat hij het met zijn boekhouder zou overleggen. Later die dag is de echtgenoot van aangeefster telefonisch met [verdachte] overeengekomen dat het geld voor 2 september 2013 zou zijn overgemaakt en dat er anders contant moest worden betaald. Op 3 en 4 september 2013 is er wederom telefonisch contact geweest. [medeverdachte] vertelde daarbij dat hij niet wist hoe het kwam dat het geld nog niet was gestort; er werd een betalingsafspraak gemaakt. Ook werd de betalingsafspraak gezonden aan het bedrijf en getekend retour ontvangen. Betaling bleef echter uit.38

Zaak 35:

Aangever [aangever 4] heeft namens [slachtoffer 1] verklaard dat Veeger zijn auto, voorzien van kenteken [kenteken 35], op 16 april 2013 te Den Haag heeft verkocht aan twee mannen, te weten [verdachte] en zijn broer, van [bedrijf]. Er werd een prijs afgesproken van € 1.750,00. De koopsom zou die avond worden overgemaakt. Er werd een inkoopverklaring van [bedrijf] ondertekend en een vrijwaringsbewijs opgemaakt. De betaling bleef echter uit. Er is vervolgens meermalen contact geweest waar, volgens aangever, verschillende en tegenstrijdige beloftes werden gedaan over de betaling. Ook is één van de mannen in persoon op bezoek geweest om over de betaling te praten. Betaling bleef echter uit.39

De verklaring van verdachte:

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn broer [medeverdachte] de vijfendertig auto’s heeft gekocht en dat deze auto’s niet of niet volledig zijn betaald. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij vooral degene was die met de verkopers overlegde over de prijs, waarbij hij al wist dat deze auto’s niet binnen de afgesproken termijn zouden kunnen worden betaald. Tevens heeft verdachte verklaard dat zij de auto’s in enkele gevallen hebben doorverkocht voor een lagere prijs dan waarvoor zij de auto’s zelf hadden gekocht. Verdachte heeft verklaard dat hij met het verkregen geld een andere grote schuld en daarbij behorende rente heeft afbetaald. Hij heeft ook meerdere van de verkopers na de koop te woord gestaan over de betalingsachterstand. Naast het door verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk kopen van auto’s, had [medeverdachte] ook een aparte handel in auto’s.40

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de gebroeders [verdachte] het oogmerk hadden om zonder volledige betaling zich de beschikking over vijfendertig auto’s te verzekeren én dat zij daarvan een beroep of gewoonte hebben gemaakt.. Daartoe is redengevend dat de verdachten in een periode van acht maanden vijfendertig auto’s hebben gekocht, waarbij steeds werd toegezegd dat het geld nog dezelfde dag, of kort daarna zou worden overgemaakt, terwijl verdachte op dat moment reeds wist dat zij deze toezegging niet zouden nakomen. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat verdachte reeds bij de koop van de auto’s op de hoogte was van zijn slechte financiële situatie, welke situatie volgens zijn eigen verklaring het motief vormde voor zijn handelen. Daarbij heeft verdachte ter terechtzitting nog verklaard dat de opbrengsten van de door hen gekochte en weer doorverkochte auto’s werden gebruikt om een andere schuld en daarbij behorende rente te betalen. Bovendien verkochten zij de auto’s soms zelfs voor een lagere prijs door.

Uit het dossier volgt dat slechts in drie van de vijfendertig zaken verdachten een fractie van de koopsom hebben betaald, nadat zij door die verkopers vrijwel constant onder druk werden gezet. De rest van koopsommen is, ondanks vergaande inspanningen van de verkopers, niet betaald. Dat verdachte naar zijn zeggen wel de intentie had om de koopsommen op enig moment aan aangevers te voldoen, acht de rechtbank gezien het voorgaande volstrekt onaannemelijk.

Hierbij is voorts van belang dat de Hoge Raad in het arrest van 22 juli 1958, NJ1959/191 uiteen heeft gezet dat het oogmerk niet hoeft te hebben bestaan op het moment van kopen, doch dat zulks - in het onderhavige geval - ook kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat verdachten vijfendertig auto’s over een periode van acht maanden hebben gekocht en de koopsommen niet hebben betaald, ook niet na meerdere schriftelijke en mondelinge aanmaningen. In casu blijkt dit oogmerk ook uit het gegeven dat slechts een fractie – te weten ongeveer € 5000,00 van een in totaal verschuldigd bedrag van meer dan € 200.000,00 - van de koopsommen van drie van de vijfendertig auto’s wel is betaald. Volledige betaling van enige auto heeft nimmer plaatsgevonden.

Door de verdediging is tot slot nog betoogd dat de vijfendertig auto’s maar een fractie zijn van het totaal aantal auto’s dat door [bedrijf] is aangeschaft en dat de andere auto’s wel zijn betaald. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat het enkele gegeven dat er in de tenlastegelegde periode ook andere voertuigen op naam van [bedrijf] hebben gestaan waar de dagvaarding niet op ziet, niet afdoet aan het feit dat vijfendertig auto’s in een periode van acht maanden niet (volledig) zijn betaald. In de veelvuldigheid en cumulatie leidt dit tot een bewezenverklaring van het maken van een beroep of gewoonte van het kopen van auto’s met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over de auto’s te verzekeren, ongeacht de totale omvang van de autohandel van [verdachte] en [medeverdachte]. Daar komt nog bij dat verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte], samen met [betrokkene], een aparte handel in (goedkope) auto’s hadden, en dat de gezamenlijke handel van [medeverdachte] en [verdachte] daar buiten stond. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

3.4.2

Feit 2: “Voorhanden hebben munitie”

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van 22 kogelpatronen. Ondanks de omstandigheid dat een verbalisant heeft geconstateerd dat verdachte op enig moment twee donkere voorwerpen op een schuur heeft gegooid, kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat zich onder die goederen ook de 22 kogelpatronen bevonden. Uit de processen-verbaal die de vondst van en het onderzoek naar de kogelpatronen beschrijven volgt immers dat de kogels op het schuurtje waren aangetroffen in een plastic zakje waarvan de kleur niet is vermeld. Nu het dossier voorts geen verdere (technische) aanwijzingen bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit plastic zakje met patronen aan verdachte kan worden toegeschreven, kan het onder 2 ten laste gelegde feit naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen - zulks met verbetering van

eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - dat:

hij in de periode van 16 april 2013 tot en met 11 december 2013 op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en een ander de beschikking over die goederen te verzekeren,

hebbende verdachte en zijn mededader, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen gekocht, te weten:

- op 16 april 2013 te Den Haag een voertuig van [slachtoffer 1] en

- op 25 april 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 2] en

- op 28 mei 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 3] en

- op 15 juni 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 4] en

- op 20 juni 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 5] en

- op 22 juni 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 6] en

- op 24 juni 2013 te Bleijswijk een voertuig van [slachtoffer 7] en

- op 01 juli 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 8] en

- op 09 juli 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 9] en

- op 20 juli 2013 te Berkel en Rodenrijs van [slachtoffer 10] en

- op 07 augustus 2013 te De Lier een voertuig van [slachtoffer 11] en

- op 13 augustus 2013 te De Lier en/of Delft een voertuig van [slachtoffer 12] en

- op 19 augustus 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 13] en

- op 19 augustus 2013 te Berkel en Rodenrijs een voertuig van [slachtoffer 14] en

- op 27 augustus 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 15] en

- op 28 augustus 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 16] en

- op 28 augustus 2013 een voertuig van [slachtoffer 17] en

- op 28 augustus 2013 te Bergschenhoek een voertuig van [slachtoffer 18] en

- op 18 september 2013 een voertuig van [slachtoffer 19] en

- op 23 september 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 20] en

- op 28 september 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 21] en

- op 30 september 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 22] en

- op 14 oktober 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 23] en

- op 22 oktober 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 24] en

- op 30 oktober 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 25] en

- op 31 oktober 2013 te Rijswijk een voertuig van [slachtoffer 26] en

- op 06 november 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 27] en

- op 20 november 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 28] en

- op 21 november 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 29] en

- op 28 november 2013 te Bergschenhoek een voertuig van [slachtoffer 30] en

- op 28 november 2013 te Bleiswijk een voertuig van [slachtoffer 31] en

- op 03 december 2013 te Zoetermeer een voertuig van [slachtoffer 32] en

- op 03 december 2013 een voertuig van [slachtoffer 33] en

- op 05 december 2013 te Pijnacker een voertuig van [slachtoffer 34] en

- op 11 december 2013 te Delft een voertuig van [slachtoffer 35].

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er sprake was van psychische overmacht en subsidiair dat er sprake was van afwezigheid van alle schuld wegens een rechtsdwaling. Daartoe is ten aanzien van de psychische overmacht aangevoerd dat verdachte daadwerkelijk en reëel met de dood werd bedreigd vanwege een openstaande schuld, hetgeen ook blijkt uit een beschieting van verdachte die op enig moment op het kamp heeft plaatsgevonden. Er was dan ook sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachten redelijkerwijs geen weerstand konden en behoeften te bieden. Het kan verdachten dan ook, volgens de verdediging, niet strafrechtelijk verweten worden dat de afbetaling van de schuld van verdachte [verdachte] prevaleerde boven de tijdige betaling van de autoverkopers.

Ten aanzien van het rechtsdwalingverweer is aangevoerd dat [medeverdachte], na afhandeling van een andere strafzaak wegens oplichting, van zijn advocaat het advies had gekregen de koop van auto’s voortaan altijd op papier te zetten met daarin alle betalingsafspraken. [medeverdachte] heeft dit advies met verdachte gedeeld. Verdachten hebben de onderhavige koopafspraken op schrift hebben gesteld, Daaruit volgt dat zij met open vizier hebben gehandeld. Zij hebben te goeder trouw het advies van de advocaat hebben opgevolgd en daardoor kan er geen strafbaar verwijt worden gemaakt. De verweren zouden volgens de verdediging tot ontslag van alle rechtsvervolging moeten leiden.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht dient te worden afgewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gestelde doodsbedreiging geenszins als vrijbrief kan worden gezien tot het begaan van strafbare feiten. Ten aanzien van het beroep op afwezigheid van alle schuld heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van beroep op psychische overmacht

Vooropgesteld zij dat een situatie zoals door de verdachten gesteld, te weten een doodsbedreiging van verdachte, geenszins de flessentrekkerijpraktijken van verdachten rechtvaardigt. Daarbij heeft de verdediging onvoldoende gemotiveerd en is het de rechtbank ook overigens niet gebleken dat voor de verdachten geen andere opties open stonden om de gestelde doodsbedreiging jegens verdachte te doen stoppen door het benadelen van de onderhavige autoverkopers. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van het beroep op afwezigheid van alle schuld

Ten aanzien van het betoog dat [medeverdachte] heeft gehandeld conform het advies van zijn raadsman om indien betalingsafspraken worden gemaakt deze op schrift te stellen, overweegt de rechtbank dat er geen betalingsafspraken zijn gemaakt. Er is enkel een koopovereenkomst gesloten, waarbij is toegezegd dat nog diezelfde dag of kort daarna het geld zou worden overgemaakt. Op geen enkele wijze kon verdachte ervan uitgaan dat hij binnen de grenzen van de wet opereerde. Het verweer strandt dan ook reeds op dit punt.

Verdachte is derhalve strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd waarvan minimaal een derde deel voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte tot zijn daden is overgegaan, omdat hij een zeer hoge schuld moest aflossen, onder de omstandigheid dat hij al eens met de dood was bedreigd en ook daadwerkelijk was beschoten vanwege die schuld. Tevens is aangevoerd dat verdachte een gedragsverandering moet ondergaan om zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten. Verdachte is gemotiveerd en de reclassering ziet kansen om bij de benodigde hulp te ondersteunen. Die kans moet verdachte volgens de verdediging worden geboden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van flessentrekkerij door vijfendertig auto’s te kopen en zich de beschikking daarover te verzekeren, zonder dat de auto’s (volledig) werden betaald. Een auto is voor de meeste mensen een waardevol bezit. Uit de diverse toelichtingen bij de vorderingen benadeelde partij is gebleken dat het verlies van de auto en het uitblijven van de (volledige) betaling van de verkoop voor veel slachtoffers een grote financiële strop is geweest. Dat geldt in het bijzonder voor de personen die hun auto vanwege eigen financiële problemen moesten verkopen. Eén van de auto’s betrof een erfenis van een overleden vader, hetgeen het handelen van verdachte en zijn mededader extra wrang maakt. De gevolgen voor de slachtoffers zijn verdachte en zijn mededader zeer aan te rekenen.

Verdachte heeft voorts, mede door te handelen op naam van een bedrijf, misbruik gemaakt van het vertrouwen van verkopers. Daarbij hebben de verdachte en zijn mededader de gedupeerden tijdenlang met smoesjes en loze beloftes aan het lijntje gehouden, hetgeen voor hen zeer frustrerend moet zijn geweest. Uit alle omstandigheden blijkt dat verdachte en zijn mededader nimmer oog hebben gehad voor de situaties van de verkopers doch enkel voor hun eigen geldelijk gewin. Dat daaraan mogelijk het afbetalen van een andere schuld ten grondslag heeft gelegen doet hieraan niets af.

Blijkens het uittreksel justitiële documentatie, d.d. 11 september 2014 is verdachte meermalen voor strafbare feiten veroordeeld, waaronder bij arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 29 april 2010 voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. In het bijzonder is verdachte in 2011 bij arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage (onherroepelijk per 1 oktober 2013) voor onder meer medeplegen van witwassen, medeplegen van oplichting en verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 8 september 2014, opgesteld door reclasseringswerker J. Toncman. De reclassering stelt dat het ontbreken van een inkomen en een dagbesteding maakt dat verdachte volledig afhankelijk is van anderen. Dit lijkt hem in combinatie met zijn beperkte copingvaardigheden afwachtend te hebben gemaakt en zorgt ervoor dat hij tot op heden nauwelijks verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven heeft genomen, waardoor zijn situatie al jaren onveranderd is. De reclassering acht het van belang dat verdachte zijn situatie verandert om het recidiverisico, dat als matig wordt ingeschat, te verminderen. Daar verdachte zich openstelt voor hulp acht de reclassering deze veranderingen in werk en gezondheid realiseerbaar. De reclassering adviseert tot oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzonder voorwaarde een meldplicht.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nader te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel op leggen, nu blijkens de justitiële documentatie van verdachte een voorwaardelijke straf hem na 1 oktober 2013 er niet van heeft weerhouden door te gaan met de flessentrekkerij. De voor verdachte gewenste hulp kan naar het oordeel van de rechtbank evengoed in het kader van zijn re-integratie worden bewerkstelligd.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich gevoegd:

- [slachtoffer 9], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 10.500,00;

- [slachtoffer 12], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 10.083,90;

- [slachtoffer 4], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 7.117,52, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [slachtoffer 5], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 5.200,00;

- [slachtoffer 8], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 7.500,00;

- [slachtoffer 11], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 5.000,00;

- [slachtoffer 26], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 7.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [slachtoffer 28], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.700,00;

- [slachtoffer 36], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 4.100,00;

- [slachtoffer 32], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 5.250,00;

- [naam 1], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 6.950,00;

- [slachtoffer 29], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 1.050,00;

- [slachtoffer 22], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 4.757,24, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [slachtoffer 35], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 2.350,00;

- [slachtoffer 10], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 4.579,24;

- [slachtoffer 7], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 7.100,00;

- [slachtoffer 24], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 5.325,00;

- [slachtoffer 13], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 5.582,75;

- [slachtoffer 6], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [slachtoffer 31], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 2.460,50;

- [slachtoffer 25], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 2.000,00;

- [slachtoffer 17], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 7.500,00;

- [slachtoffer 23], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.950,00;

- [slachtoffer 14], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 4.350,00;

- [slachtoffer 33], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 5.000,00;

- [slachtoffer 15], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 18.862.50;

- [slachtoffer 37], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.250,00;

- [aangever 3], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.750,00;

- [slachtoffer 3], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 16.940,00;

- [slachtoffer 18], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 11.713,05, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [slachtoffer 1], ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 1.800,00.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de navolgende vorderingen van de benadeelde partijen:

- [slachtoffer 9], tot een bedrag van € 10.500,00;

- [slachtoffer 12], tot een bedrag van € 10.083,90;

- [slachtoffer 4], tot een bedrag van € 7.117,52;

- [slachtoffer 5], tot een bedrag van € 5.200,00;

- [slachtoffer 8], tot een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 11], tot een bedrag van € 5.000,00;

- [slachtoffer 26], tot een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 28], tot een bedrag van € 3.700,00;

- [slachtoffer 36], tot een bedrag van € 4.100,00;

- [slachtoffer 32], tot een bedrag van € 5.250,00;

- [naam 1], tot een bedrag van € 6.950,00;

- [slachtoffer 29], tot een bedrag van € 1.050,00;

- [slachtoffer 22], tot een bedrag van € 4.757,24;

- [slachtoffer 35], tot een bedrag van € 2.350,00;

- [slachtoffer 10], tot een bedrag van € 4.579,24;

- [slachtoffer 7], tot een bedrag van € 7.100,00;

- [slachtoffer 24], tot een bedrag van € 5.325,00;

- [slachtoffer 13], tot een bedrag van € 5.582,75;

- [slachtoffer 6], tot een bedrag van € 5.500,00;

- [slachtoffer 31], tot een bedrag van € 2.460,50;

- [slachtoffer 25], tot een bedrag van € 2.000,00;

- [slachtoffer 17], tot een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 23], tot een bedrag van € 3.950,00;

- [slachtoffer 14], tot een bedrag van € 4.350,00;

- [slachtoffer 33], tot een bedrag van € 5.000,00;

- [slachtoffer 15], tot een bedrag van € 18.862.50;

- [slachtoffer 37], tot een bedrag van € 3.250,00;

- [aangever 3], tot een bedrag van € 3.750,00;

- [slachtoffer 3], tot een bedrag van € 16.940,00;

- [slachtoffer 18], tot een bedrag van € 11.713,05;

- [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 1.800,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 18] niet kan worden toegewezen, omdat er in die zaak een civiel vonnis is gewezen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 18] op het standpunt gesteld dat deze dient te worden afgewezen en dat de overige vorderingen dienen te worden gematigd. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 18] is aangevoerd dat er reeds een executoriaal vonnis is gewezen voor het gehele schadebedrag. Ten aanzien van de overige vorderingen is aangevoerd dat in de op de koopovereenkomst vermelde koopprijs ook een stuk kredietvergoeding was verwerkt, waardoor de schade lager is dan de vermelde inkoopprijs. Het schadebedrag moet naar het standpunt van de verdediging door de rechtbank worden geschat.

7.3

Het oordeel van de rechtbank inzake de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 9], [slachtoffer 12], [slachtoffer 5], [slachtoffer 8], [slachtoffer 11], [slachtoffer 26], [slachtoffer 28], [slachtoffer 36], [slachtoffer 32], [naam 1], [slachtoffer 29], [slachtoffer 22], [slachtoffer 35], [slachtoffer 10], [slachtoffer 7], [slachtoffer 24], [slachtoffer 13], [slachtoffer 6], [slachtoffer 31], [slachtoffer 25], [slachtoffer 17], [slachtoffer 23], [slachtoffer 14], [slachtoffer 33], [slachtoffer 37], [aangever 3], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1].

Naar het oordeel van de rechtbank is er door de verdediging geenszins onderbouwd noch op andere wijze gebleken dat er in de koopprijs een zekere kredietvergoeding was verwerkt, laat staan dat de benadeelde partijen daarvan op de hoogte zouden zijn geweest. Voorts strookt het standpunt van de verdediging hieromtrent evenmin met de bewezenverklaring van de flessentrekkerij, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte nimmer van plan is geweest de benadeelden te betalen. De vorderingen zijn voor het overige door de verdediging niet betwist en zijn voldoende onderbouwd door de benadeelde partijen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vorderingen als volgt hoofdelijk toewijzen:

- [slachtoffer 9], tot een bedrag van € 10.500,00;

- [slachtoffer 12], tot een bedrag van € 10.083,90;

- [slachtoffer 5], tot een bedrag van € 5.200,00;

- [slachtoffer 8], tot een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 11], tot een bedrag van € 5.000,00;

- [slachtoffer 26], tot een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 28], tot een bedrag van € 3.700,00;

- [slachtoffer 36], tot een bedrag van € 4.100,00;

- [slachtoffer 32], tot een bedrag van € 5.250,00;

- [naam 1], tot een bedrag van € 6.950,00;

- [slachtoffer 29], tot een bedrag van € 1.050,00;

- [slachtoffer 22], tot een bedrag van € 4.757,24;

- [slachtoffer 35], tot een bedrag van € 2.350,00;

- [slachtoffer 10], tot een bedrag van € 4.579,24;

- [slachtoffer 7], tot een bedrag van € 7.100,00;

- [slachtoffer 24], tot een bedrag van € 5.325,00;

- [slachtoffer 13], tot een bedrag van € 5.582,75;

- [slachtoffer 6], tot een bedrag van € 5.500,00;

- [slachtoffer 31], tot een bedrag van € 2.460,50;

- [slachtoffer 25], tot een bedrag van € 2.000,00;

- [slachtoffer 17], tot een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 23], tot een bedrag van € 3.950,00;

- [slachtoffer 14], tot een bedrag van € 4.350,00;

- [slachtoffer 33], tot een bedrag van € 5.000,00;

- [slachtoffer 37], tot een bedrag van € 3.250,00;

- [aangever 3], tot een bedrag van € 3.750,00;

- [slachtoffer 3], tot een bedrag van € 16.940,00;

- [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 1.800,00.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen inzake de vorderingen van:

- [slachtoffer 26], nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 31 oktober 2013 is ontstaan;

- [slachtoffer 22], nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 30 september 2013 is ontstaan;

- [slachtoffer 6], nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 22 juni 2013 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7.4

Het oordeel van de rechtbank inzake de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4]

De rechtbank zal de vordering voor het deel “rentecomponent volgens benadeelde”, een bedrag van € 242,89, niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de berekening van die schade onvoldoende inzichtelijk is gemaakt door de benadeelde partij. Aanhouding van de behandeling van de zaak ter verdere onderbouwing door de benadeelde partij staat niet in verhouding tot sluiting van het onderzoek van onderhavige strafzaak (inclusief alle vorderingen van de andere benadeelde partijen). De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er ter zake van deze vordering evenmin door de verdediging onderbouwd noch op andere wijze gebleken dat er in de koopprijs een zekere kredietvergoeding was verwerkt, laat staan dat de benadeelde partij daarvan op de hoogte zou zijn geweest. Voorts strookt het standpunt van de verdediging hieromtrent evenmin met de bewezenverklaring van de flessentrekkerij, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte nimmer van plan is geweest de benadeelde te betalen. De vordering is voor het overige door de verdediging niet betwist en is voor het overige voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 6.874,63.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 15 juni 2013 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7.5

Het oordeel van de rechtbank inzake de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15]

De rechtbank zal de vordering voor het deel “kosten betalingsafspraak”, een bedrag van € 1.000,00, niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de berekening van die schade onvoldoende inzichtelijk is gemaakt door de benadeelde partij. Aanhouding van de behandeling van de zaak ter verdere onderbouwing door de benadeelde partij staat niet in verhouding tot sluiting van het onderzoek van onderhavige strafzaak (inclusief alle vorderingen van de andere benadeelde partijen). De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er ter zake van deze vordering evenmin door de verdediging onderbouwd noch op andere wijze gebleken dat er in de koopprijs een zekere kredietvergoeding was verwerkt, laat staan dat de benadeelde partij daarvan op de hoogte zou zijn geweest. Voorts strookt het standpunt van de verdediging hieromtrent evenmin met de bewezenverklaring van de flessentrekkerij, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte nimmer van plan is geweest de benadeelde te betalen. De vordering is voor het overige door de verdediging niet betwist en is voor het overige voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van 17.862,50

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7.6

Het oordeel van de rechtbank inzake de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 18]

Anders dan de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het vonnis van de Rechtbank Den Haag, team kanton, d.d. 24 oktober 2013, gewezen in de zaak van [slachtoffer 18] (eiser) tegen [betrokkene], h.o.d.n. [bedrijf] (gedaagde),41 toewijzing van onderhavige vordering niet in de weg staat. De rechtbank overweegt daartoe dat uit voornoemd civiel vonnis volgt dat tegen bewijs van kwijting de gedaagde, [betrokkene] voornoemd, een toegewezen bedrag moet voldoen aan [slachtoffer 18], onderhavige benadeelde partij. Zulks ziet dan ook enkel op een executoriale titel jegens voornoemde gedaagde, maar niet jegens verdachte. De benadeelde partij is dan ook naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk.

Naar het oordeel van de rechtbank is er door de verdediging ook ten aanzien van deze vordering geenszins onderbouwd noch op andere wijze gebleken dat er in de koopprijs een zekere kredietvergoeding was verwerkt, laat staan dat de benadeelde partij daarvan op de hoogte zou zijn geweest. Voorts strookt het standpunt van de verdediging hieromtrent evenmin met de bewezenverklaring van de flessentrekkerij, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte nimmer van plan is geweest de benadeelde te betalen. De vordering is voor het overige door de verdediging niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van

€ 11.713,05.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 28 augustus 2013 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8 De schadevergoedingsmaatregelen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de hoofdelijke verplichtingen zal opleggen tot betaling aan de Staat van nader te noemen bedragen, ten behoeve van de benadeelde partijen:

- [slachtoffer 9], een bedrag groot € 10.500,00;

- [slachtoffer 12], een bedrag groot € 10.083,90;

- [slachtoffer 4], een bedrag groot € 7.117,52;

- [slachtoffer 5], een bedrag groot € 5.200,00;

- [slachtoffer 8], een bedrag groot € 7.500,00;

- [slachtoffer 11], een bedrag groot € 5.000,00;

- [slachtoffer 26], een bedrag groot € 7.500,00;

- [slachtoffer 28], een bedrag groot € 3.700,00;

- [slachtoffer 36], een bedrag groot € 4.100,00;

- [slachtoffer 32], een bedrag groot € 5.250,00;

- [naam 1], een bedrag groot € 6.950,00;

- [slachtoffer 29], een bedrag groot € 1.050,00;

- [slachtoffer 22], een bedrag groot € 4.757,24;

- [slachtoffer 35], een bedrag groot € 2.350,00;

- [slachtoffer 10], een bedrag groot € 4.579,24;

- [slachtoffer 7], een bedrag groot € 7.100,00;

- [slachtoffer 24], een bedrag groot € 5.325,00;

- [slachtoffer 13], een bedrag groot € 5.582,75;

- [slachtoffer 6], een bedrag groot € 5.500,00;

- [slachtoffer 31], een bedrag groot € 2.460,50;

- [slachtoffer 25], een bedrag groot € 2.000,00;

- [slachtoffer 17], een bedrag groot € 7.500,00;

- [slachtoffer 23], een bedrag groot € 3.950,00;

- [slachtoffer 14], een bedrag groot € 4.350,00;

- [slachtoffer 33], een bedrag groot € 5.000,00;

- [slachtoffer 15], een bedrag groot € 18.862.50;

- [slachtoffer 37], een bedrag groot € 3.250,00;

- [aangever 3], een bedrag groot € 3.750,00;

- [slachtoffer 3], een bedrag groot € 16.940,00;

- [slachtoffer 18], een bedrag groot € 11.713,05;

- [slachtoffer 1], een bedrag groot € 1.800,00.

Ten aanzien van de vervangende hechtenis heeft de officier van justitie geen nadrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen dienen te worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen zal leiden tot het ondergaan van een extra straf, te weten het uitzitten van de vervangende hechtenis. Verdachte heeft immers nu, noch in de toekomst de draagkracht om de schadevergoedingsmaatregelen of de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen te voldoen. De verdediging heeft aangevoerd dat - nu het drukmiddel van de vervangende hechtenis niet zal leiden tot betaling van de schademaatregelen of de vorderingen van de benadeelde partijen - de oplegging van de schademaatregelen niet opportuun is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet is gebleken dat de verdachte nu dan wel in de toekomst nimmer de draagkracht zal hebben om de schadevergoedingsmaatregelen of de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen te voldoen. Voorts is er geen blijk van andere omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank zouden moeten leiden tot het niet opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Ten aanzien van de hoogte van de vervangende hechtenis overweegt de rechtbank evenwel dat op grond van art. 36f, zevende lid, Sr in verbinding met art. 24c Sr bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat kan worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het geval van samenloop als bedoeld in art. 57 of 58 Sr, ingevolge art. 60a Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste 365 dagen bedragen.

In casu is er sprake van één enkel bewezenverklaard feit, te weten één maal art. 326a Sr (“flessentrekkerij”). De cumulatie van de bewezen handelingen leidt in geval van art. 326a tot de bewezenverklaring van de bestandsdelen “beroep of gewoonte”, waardoor geen sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 of art. 58 Sr. Op grond van het voorgaande is art. 60a Sr niet van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever evenwel in alle gevallen een maximum willen stellen aan het totaal aantal dagen vervangende hechtenis (365 dagen) dat in een strafzaak aan een verdachte mag worden opgelegd. Dat de wetgever in dit cumulatiestelsel niet heeft voorzien in de omstandigheid van een enkele bewezenverklaring van art. 326a Sr is naar het oordeel van de rechtbank onbedoeld en in strijd met de geest van de artikelen art. 60a Sr en 24c, derde lid, Sr.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank naar evenredigheid, gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen, de vervangende hechtenis toepassen tot een maximum van in totaal 365 dagen.

Nu verdachte jegens benadeelde partijen [slachtoffer 9], [slachtoffer 12], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 8], [slachtoffer 11], [slachtoffer 26], [slachtoffer 28], [slachtoffer 36], [slachtoffer 32], [naam 1], [slachtoffer 29], [slachtoffer 22], [slachtoffer 35], [slachtoffer 10], [slachtoffer 7], [slachtoffer 24], [slachtoffer 13], [slachtoffer 6], [slachtoffer 31], [slachtoffer 25], [slachtoffer 17], [slachtoffer 23], [slachtoffer 14], [slachtoffer 33], [slachtoffer 15], [slachtoffer 37], [aangever 3], [slachtoffer 3], [slachtoffer 18] en [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de hoofdelijke verplichtingen tot betaling aan de Staat opleggen ten behoeve van na te noemen personen:

- [slachtoffer 9], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 10.500,00, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 12], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 10.083,90, subsidiair 19 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 4], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.117,52, subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 5], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.200,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 8], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.500,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 11], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 26], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.500,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 28], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.700,00, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 36], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.100,00, subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 32], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.250,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [naam 1], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 6.950,00, subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 29], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.050,00, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 22], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.757,24, subsidiair 9 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 35], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.350,00, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 10], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.579,24, subsidiair 9 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 7], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.100,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 24], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.325,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 13], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.582,75, subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 6], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.500,00, subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 31], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.460,50, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 25], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.000,00, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 17], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.500,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 23], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.950,00, subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 14], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.350,00, subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 33], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 15], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 17.862.50, subsidiair 34 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 37], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.250,00, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis;

- [aangever 3], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.750,00, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 3], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 16.940,00, subsidiair 33 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 18], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 11.713,05, subsidiair 23 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 1], tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.800,00, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank zal bepalen dat de vervangende hechtenis per schadevergoedingsmaatregel enkel toegepast kan worden in geval volledige betaling door verdachte dan wel de medeverdachte noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting.

9 De inbeslaggenomen goederen

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ter zake het beslag.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan de dader of verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 De vordering tenuitvoerlegging

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 23 september voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, welk arrest op 1 oktober 2013 onherroepelijk is geworden.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ten uitvoerlegging te laat door de officier van justitie is ingediend, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te leiden. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het vorderen van de tenuitvoerlegging in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu in de zaak van de medeverdachte de tenuitvoerlegging niet is gevorderd. Dit dient volgens de verdediging tot afwijzing van de vordering te leiden.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging tijdig is betekend aan de verdachte en dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering. De wet heeft niet expliciet voorzien in de codificatie van een tijdstip waarop een vordering tot tenuitvoerlegging inzake van de algemene voorwaarden dient te worden betekend aan een verdachte. Evenwel is in art. 14h, tweede lid, Sr jo art. 14g, derde lid, Sr bepaalt dat de behandeling van deze vordering dient te geschieden tegelijk met de behandeling van het feit waarvoor de verdachte wordt vervolgd. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook in ieder geval tot aan de aanvang van de inhoudelijke behandeling kan worden ingediend. Nu de vordering op 11 september 2014 is betekend, een dag voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling, is de vordering tijdig ingediend. Voorts zijn er geen andere omstandigheden gebleken die tot niet-ontvankelijkheid zouden moeten leiden.

Het verweer van de verdediging ter zake het gelijkheidsbeginsel kan reeds niet slagen nu het Gerechtshof in de zaak van de medeverdachte geen voorwaardelijke straf heeft opgelegd.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 11 september 2014 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 23 september 2011, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 14g, 24c, 36b, 36d, 36f, 47, 60a en 326a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de navolgende benadeelde partijen hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [slachtoffer 9], een bedrag van € 10.500,00;

- [slachtoffer 12], een bedrag van € 10.083,90;

- [slachtoffer 5], een bedrag van € 5.200,00;

- [slachtoffer 8], een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 11], een bedrag van € 5.000,00;

- [slachtoffer 26], een bedrag van € 7.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 28], een bedrag van € 3.700,00;

- [slachtoffer 36], een bedrag van € 4.100,00;

- [slachtoffer 32], een bedrag van € 5.250,00;

- [naam 1], een bedrag van € 6.950,00;

- [slachtoffer 29], een bedrag van € 1.050,00;

- [slachtoffer 22], een bedrag van € 4.757,24, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 35], een bedrag van € 2.350,00;

- [slachtoffer 10], een bedrag van € 4.579,24;

- [slachtoffer 7], een bedrag van € 7.100,00;

- [slachtoffer 24], een bedrag van € 5.325,00;

- [slachtoffer 13], een bedrag van € 5.582,75;

- [slachtoffer 6], een bedrag van € 5.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 31], een bedrag van € 2.460,50;

- [slachtoffer 25], een bedrag van € 2.000,00;

- [slachtoffer 17], een bedrag van € 7.500,00;

- [slachtoffer 23], een bedrag van € 3.950,00;

- [slachtoffer 14], een bedrag van € 4.350,00;

- [slachtoffer 33], een bedrag van € 5.000,00;

- [slachtoffer 37], een bedrag van € 3.250,00;

- [aangever 3], een bedrag van € 3.750,00;

- [slachtoffer 3], een bedrag van € 16.940,00;

- [slachtoffer 18], een bedrag van € 11.713,05, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 1], een bedrag van € 1.800,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de navolgende benadeelde partijen gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [slachtoffer 4], een bedrag van € 7.117,52, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 15], een bedrag van 17.862,50;

verklaart die benadeelde partijen voor het overige deel niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de hoofdelijke verplichtingen tot betaling aan de Staat van navolgende bedragen ten behoeve van de navolgende benadeelde partijen:

- [slachtoffer 9], een bedrag groot € 10.500,00, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 12], een bedrag groot € 10.083,90, subsidiair 19 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 4], een bedrag groot € 7.117,52, subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [slachtoffer 5], een bedrag groot € 5.200,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 8], een bedrag groot € 7.500,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 11], een bedrag groot € 5.000,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 26], een bedrag groot € 7.500,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 28], een bedrag groot € 3.700,00, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 36], een bedrag groot € 4.100,00, subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 32], tot betaling een bedrag groot € 5.250,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [naam 1], een bedrag groot € 6.950,00, subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 29], een bedrag groot € 1.050,00, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 22], een bedrag groot € 4.757,24, subsidiair 9 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 35], een bedrag groot € 2.350,00, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 10], een bedrag groot € 4.579,24, subsidiair 9 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 7], een bedrag groot € 7.100,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 24], een bedrag groot € 5.325,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 13], een bedrag groot € 5.582,75, subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 6], een bedrag groot € 5.500,00, subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 31], een bedrag groot € 2.460,50, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 25], een bedrag groot € 2.000,00, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 17], een bedrag groot € 7.500,00, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 23], een bedrag groot € 3.950,00, subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 14], een bedrag groot € 4.350,00, subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 33], een bedrag groot € 5.000,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 15], een bedrag groot € 17.862.50, subsidiair 34 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 37], een bedrag groot € 3.250,00, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis;

- [aangever 3], een bedrag groot € 3.750,00, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 3], een bedrag groot € 16.940,00, subsidiair 33 dagen vervangende hechtenis;

- [slachtoffer 18], een bedrag groot € 11.713,05, subsidiair 23 dagen vervangende hechtenis, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

- [slachtoffer 1], een bedrag groot € 1.800,00, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis.

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichtingen - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur zoals reeds per voormelde verplichting is aangeven;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [medeverdachte] aan de benadeelde partijen, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichtingen tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: een wurgkoord;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 23 september 2011, gewezen onder parketnummer 22/002067-10, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mrs. C.I.H. Kerstens-Fockens en Y.C. Bours, rechters

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2013240807, van de Politie Eenheid Den Haag, Recherche bureau Delft (doorgenummerd blz. 1 t/m 924).

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 9], p. 65 en 66; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 67; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 68.

3 Proces-verbaal van aangifte. [slachtoffer 12], p. 89 en 90; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 93; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 92.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4], p. 108 en 109; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 113; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 114.

5 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, d.d. 2 juli 2014.

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 5], p. 134 t/m 136; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 138; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 139.

7 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 16], p. 167 t/m 169; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 170; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 171.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 8], p. 177 t/m 179; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 181; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 182.

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 19], p. 186 t/m 188; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 194; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 192.

10 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 11], p. 212 t/m 214; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 217; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 216.

11 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 26], p. 228 t/m 230; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 232; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 223.

12 Opmerking rechtbank: In het proces-verbaal staat vermeld dat de aangifte op woensdag 20 november 2013 heeft plaatsgevonden, doch dat correspondeert niet met de tijdstippen waarop aangever nog contact heeft gehad met [medeverdachte]. Het is dan ook logischer en waarschijnlijker dat aangever aangifte heeft gedaan op donderdag 21 november 2013, toen het proces-verbaal werd opgesteld en ondertekend.

13 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 28], p. 245 t/m 247; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 248; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 249.

14 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 21], p. 255 t/m 257; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 259; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 260.

15 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 32], p. 266 t/m 268; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 270; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 269.

16 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 30], p. 276 t/m 277; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 279; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 280.

17 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 29], p. 284 t/m 285; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 289; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 288.

18 Proces-verbaal van verklaring van [slachtoffer 29] bij de rechter-commissaris, d.d. 9 juli 2014.

19 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 27], p. 293 t/m 295; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 297; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 300.

20 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 34], p. 303 en 304; Geschrift, te weten een inkoopverklaring van [bedrijf], p. 305; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 306.

21 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 22], p. 482 t/m 484; Geschrift, te weten een factuur, p. 485; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 486.

22 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 22], p. 490 en 491; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 494; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 495.

23 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 10], p. 498 en 499; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 501; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 502.

24 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] namens [slachtoffer 7], p. 505 en 506; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 509; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 508.

25 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 24], p. 516 en 517; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 521; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 522.

26 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 13], p. 524 en 525; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 528; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 529.

27 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 6], p. 534 en 535; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 539; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 538.

28 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 31], p. 542 en 543; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 545; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 546.

29 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 25], p. 550 en 551; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 553; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 552.

30 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 17], p. 556 en 557; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 560; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 561.

31 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 23], p. 564 en 565; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 568; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 569.

32 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 14], p. 572 t/m 574; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 577; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 576.

33 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 33], p. 583 en 584; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 587; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 588.

34 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 15], p. 591 en 592; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 594; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 599.

35 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 603 en 604; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 607; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 606.

36 Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] namens [slachtoffer 20] en [naam 2], p. 610 en 611; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 620; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 621.

37 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], p. 632 en 633; Geschrift, te weten factuur, p. 635; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 634.

38 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 18], p. 638 t/m 641; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 643; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 642.

39 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 18], p. 638 t/m 641; Geschrift, te weten inkoopverklaring van [bedrijf], p. 663; Geschrift, te weten een vrijwaringsbewijs, p. 665.

40 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 september 2014.

41 Geschrift, te weten vonnis van de Rechtbank Den Haag, team kanton, d.d. 24 oktober 2013, p. 648.