Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11743

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
09/842078-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de HEMA, gevestigd aan het De Savornin Lohmanplein te Den Haag. Blijkens de verklaringen in het dossier en de verklaring van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de verdachte één van de initiatiefnemers van de overval geweest en heeft hij de overval ook gedeeltelijk gepland. Gevangenisstraf 30 maanden waarvan 10 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842078-14

Datum uitspraak: 24 september 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats],

adres: [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 juni 2014, 8 september 2014 en gesloten op 10 september 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.J.R. van Halderen en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ter hoogte van 14.391,01 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hema B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A.] (assistent filiaalmanager) en/of [slachtoffer B.] (medewerker), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het, voorzien van bivakmutsen,:

- tonen en/of dreigen van/met een mes; en/of

- met een voorwerp in de rug van die [slachtoffer B.] prikken; en/of

- die [slachtoffer A.] en/of [slachtoffer B.] sommeren zich naar het toilet te begeven en/of daar op te sluiten door de deur te barricaderen en/of de deur op slot te draaien.

3 Inleiding

Op zondag 23 februari 2014, omstreeks 17:10 uur, heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op een filiaal van de winkelketen HEMA B.V. (hierna: HEMA), gevestigd aan het De Savornin Lohmanplein te Den Haag. De daders – twee gemaskerde mannen – hebben via de achterdeur het magazijn van de winkel betreden van waaruit zij een vrije doorgang hadden naar de naastgelegen kantoorruimte. In de kantoorruimte had aangeefster[slachtoffer A.], assistent-filiaalmanager, juist, in het bijzijn van haar collega (de medeverdachte) [medeverdachte A.], voor de tweede maal de kluiscode ingevoerd. Op het moment dat de kluis openging kwam een van de daders (naar later bleek: medeverdachte [medeverdachte B.]) het kantoor binnen. Hij dwong [slachtoffer A.] onder bedreiging met een mes op de grond te gaan liggen. Kort daarna kwam de tweede dader (naar later bleek: de verdachte) het kantoor binnen. Hij droeg een zwarte rugtas bij zich. [medeverdachte A.] heeft vervolgens samen met de verdachte de inhoud van de kluis in de zwarte rugtas gestopt. Op dat moment kwam aangeefster [slachtoffer B.], medewerkster, vanuit de winkel het magazijn binnengelopen. Aldaar werd zij door [medeverdachte B.], die inmiddels vanuit het kantoor terug naar het magazijn was gelopen, onder bedreiging met het mes gedwongen door te lopen en vervolgens op de grond te gaan liggen. [slachtoffer B.] voelde tijdens het lopen dat zij met een voorwerp in haar rug werd geprikt. Nadat de kluis was leeggehaald werden [slachtoffer A.], [slachtoffer B.] en [medeverdachte A.] gesommeerd om de toiletruimte in te gaan en daar te wachten tot Goedkoop en [medeverdachte B.] het pand hadden verlaten. [medeverdachte A.] heeft toen van binnenuit de toiletdeur op slot gedraaid. De toiletdeur werd tevens aan de buitenzijde geblokkeerd. Bij de overval is in totaal een bedrag van € 14.391,01 weggenomen.

4 Bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft het hem tenlastegelegde feit ter terechtzitting bekend. Door de verdediging zijn voorts geen verweren gevoerd ten aanzien van het bewijs.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Nu de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en de raadsvrouw geen vrijspraak van dit feit heeft bepleit, kan de rechtbank - ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - ten aanzien van de bewezenverklaring van genoemd feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- een proces-verbaal van verhoor aangeefster[slachtoffer A.], opgemaakt op 23 februari 2014, blz. 84 t/m 86;

- een proces-verbaal van verhoor aangeefster[slachtoffer A.], opgemaakt op 3 maart 2014, blz. 90 t/m 92;

- een proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer B.], opgemaakt op 23 februari 2014, blz. 94 t/m 97;

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 september 2014.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 23 februari 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 14.391,01 euro toebehorende aan Hema B.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen[slachtoffer A.] (assistent filiaalmanager) en [slachtoffer B.] (medewerker), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het, voorzien van bivakmutsen,:

- tonen en dreigen van/met een mes; en

- met een voorwerp in de rug van die [slachtoffer B.] prikken; en

- die [slachtoffer A.] en [slachtoffer B.] sommeren zich naar het toilet te begeven en daar op te sluiten door de deur te barricaderen en de deur op slot te draaien.

5 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, gelet op de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, naast een onvoorwaardelijke detentie een forse voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De raadsvrouw heeft daarbij opgemerkt dat een verplicht reclasseringscontact tevens een elektronisch toezicht inhoudt, hetgeen in werkelijkheid een elektronische detentie betekent. Zij heeft de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de HEMA, gevestigd aan het De Savornin Lohmanplein te Den Haag. Blijkens de verklaringen in het dossier en de verklaring van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de verdachte één van de initiatiefnemers van de overval geweest en heeft hij de overval ook gedeeltelijk gepland. Op 23 februari 2014, aan het einde van zijn werkdag, heeft [medeverdachte A.] de achterdeur van de HEMA opengedaan om de verdachte en [medeverdachte B.] binnen te laten. Vervolgens zijn de verdachte en [medeverdachte B.] – voorzien van bivakmutsen en gewapend met een mes – het kantoorgedeelte binnengegaan. Aldaar heeft [medeverdachte B.] de slachtoffers[slachtoffer A.] en [slachtoffer B.] gedwongen om op de grond te gaan liggen en heeft de verdachte met een van zijn mededaders de kluis leeggehaald.

De verdachte heeft met zijn handelen alleen aan zijn eigen geldelijke gewin gedacht en niet aan de emotionele en psychische gevolgen voor de slachtoffers en anderen. De verdachte heeft met de overval de slachtoffers angst aangejaagd, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten nog gedurende langere tijd lichamelijke en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden, zeker indien de overval plaatsvindt in een omgeving waarin een slachtoffer dagelijks moet terugkeren (de werkomgeving). Bovendien maakt een dergelijke gewapende overval een ernstige inbreuk op de rechtsorde en kunnen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toenemen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 maart 2014 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 1 mei 2014, opgesteld en ondertekend door reclasseringswerker R. Hoorn. Uit dit rapport komt naar voren dat de belangrijkste achterliggende factoren die de verdachte tot het delict hebben gebracht, waren het hebben van schulden, zijn omgang met een negatief sociaal netwerk en zijn onvermogen om adequaat met dilemma’s en problemen om te gaan in zijn dagelijkse leven. Het recidiverisico wordt als laag/gemiddeld ingeschat. De reclassering stelt dat de verdachte baat heeft bij begeleiding van de reclassering en het volgen van een gedragsinterventie om hem te ondersteunen op het gebied van dagbesteding, vrienden/kennissen, financiën en het aanleren van nieuw gedrag. De verdachte heeft aangegeven bereid en gemotiveerd te zijn om zijn medewerking te verlenen aan deze voorwaarden. De reclassering acht tevens oplegging van een contactverbod en een locatieverbod en –gebod geïndiceerd omdat de verdachte valt binnen de doelgroep ‘overvallers’.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van het feit niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt genomen en daarbij rekening gehouden met de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot soortgelijke strafbare feiten. Op basis hiervan is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden geïndiceerd. Vervolgens heeft de rechtbank ten nadele van de verdachte rekening gehouden met de leidende rol van de verdachte bij de overval alsmede het feit dat de verdachte het mes heeft meegenomen. Ten voordele van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven. Gelet hierop en gegeven hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de persoon van de verdachte zal de rechtbank een aanzienlijk lagere straf opleggen dan de door de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegend acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te noemen duur passend. De rechtbank zal, gelet op het advies van de reclassering, een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, deelname aan de gedragsinterventie training (CoVa) en de inspanningsverplichting een zinvolle dagbesteding te krijgen en te behouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod, locatieverbod en/of locatiegebod op te leggen.

8 De vordering van de benadeelde partijen[slachtoffer A.]

[slachtoffer A.] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.030,--.

[slachtoffer B.] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.030,--.

HEMA B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 9.708,55.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De toewijzing van de vorderingen dient hoofdelijk te gebeuren tezamen met de mededaders [medeverdachte A.], [medeverdachte B.] en [medeverdachte C.]. Ten aanzien van [medeverdachte C.] geldt dit enkel voor het (volgens de opgave) bij de HEMA weggenomen geldbedrag.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer A.] en [slachtoffer B.] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze volledig kunnen worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van de HEMA heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor zover deze ziet op de posten “arbeidsongeschiktheid” en “kosten therapie” niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,--, het bedrag van de geldsom na dekking van de verzekering.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Vorderingen[slachtoffer A.] en [slachtoffer B.]

De rechtbank acht de vorderingen tot een bedrag van € 450,--, als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, nu is komen te staan dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal de vorderingen voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 450,--, ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer A.] en een bedrag groot € 450,--, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B.].

De rechtbank zal voorts bepalen dat de verdachte tezamen met [medeverdachte A.] en [medeverdachte B.] voor betaling van het toegewezen bedrag hoofdelijk aansprakelijk is.

Vordering HEMA B.V.

De HEMA B.V. heeft een vordering benadeelde partij ingesteld en daarbij een bedrag van in totaal € 9.708,55 gevorderd. Dit bedrag is samengesteld uit een bedrag van € 14.430, 51 aan uit de kluis weggenomen geld, een bedrag van € 2.827,30 ter zake de kosten van arbeidsongeschiktheid van slachtoffer[slachtoffer A.] en een bedrag van € 1.881,25 ter zake kosten van therapie voor voornoemde [slachtoffer A.], minus de uitkering van de verzekering. Gebleken is dat de verzekering van de HEMA het uit de kluis weggenomen bedrag heeft vergoed, minus het eigen risico van € 5.000,--. De HEMA heeft aldus een bedrag van

€ 9.430,51 vergoed gekregen van de verzekering. Dit bedrag brengt de HEMA in mindering op haar vordering, zodat voornoemd bedrag van € 9.708,55 resteert. Dit bedrag wenst de HEMA te verhalen op de daders van de overval, waaronder de verdachte.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten “kosten van arbeidsongeschiktheid [slachtoffer A.]” en “kosten therapie [slachtoffer A.]”, de benadeelde partij niet‑ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de HEMA in zoverre niet zelf is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De kosten van therapie en arbeidsongeschiktheid vloeien voort uit het geweld en de bedreiging met geweld jegens [slachtoffer A.], en niet jegens de HEMA.

Dit ligt anders voor wat betreft de uit de kluis weggenomen gelden. Dat een bedrag van

€ 14.430,51 uit de kluis is weggenomen is voor de HEMA een rechtstreeks uit het bewezen verklaarde feit voortvloeiende schade. De HEMA heeft van de verzekeraar een bedrag van

€ 9.430,51 uitgekeerd gekregen, en zelf het eigen risico ad € 5.000,-- gedragen. Dit laatste bedrag is daarmee het bedrag dat de HEMA nog als schade te vorderen heeft van de daders van de overval. De rechtbank zal de vordering van de HEMA tot een bedrag van € 5.000,-- toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,-.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de verdachte, tezamen met [medeverdachte A.], [medeverdachte B.] en [medeverdachte C.] voor betaling van het toegewezen bedrag hoofdelijk aansprakelijk is.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht..

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 10 (tien) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een GI-RN Cognitieve Vaardigheden training, aangeboden door Reclassering Nederland of een soortgelijke instelling, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

- zich verplicht zal inspannen om een zinvolle legale dagbesteding te krijgen en te behouden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[slachtoffer A.], een bedrag van € 450,--;

[slachtoffer B.], een bedrag van € 450,--;

HEMA B.V., een bedrag van € 5.000,--;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 450,--, ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer A.] en een bedrag groot

€ 450,--, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B.] en een bedrag groot

€ 5.000.--, ten behoeve van de benadeelde partij HEMA B.V.;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van respectievelijk 9 dagen, 9 dagen en 60 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, voorzitter,

mrs. A.L. Frenkel en S.M. Borkent, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Timmermans, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2014.

mr. S.M. Borkent is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500/2014 038457, van de Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche Team Twister, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 2159).