Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11638

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
VK-14_7621
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 9, Vw 2000. Toereikende bestaansmiddelen. Schending onderzoeksplicht en schending hoorplicht. Beroep gegrond. Toewijzen proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/362

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/7621

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 september 2014 in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

gemachtigde: mr. A.H. Hekman,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Boekholt.

Procesverloop

Eiseres heeft op 28 maart 2014 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 februari 2014 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2014. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1982 en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Op 10 juni 2013 heeft zij een aanvraag gedaan tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eiseres beoogt verblijf bij haar minderjarige kinderen [naam 2], geboren [geboortedag 2] 1997, [naam 3], geboren op [geboortedag 3] 2002 en [naam 4], geboren op [geboortedag 4] 2005 (hierna referenten), die de Spaanse nationaliteit hebben. Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de door eiseres gestelde bestaansmiddelen ontoereikend zijn om te voorkomen dat zij en haar kinderen ten laste van de publieke middelen komen. Uit het overgelegde bankafschrift van 29 juli 2013 blijkt niet dat eiseres over voldoende middelen beschikt. Eiseres heeft niet aangetoond andere aanvullende bronnen van inkomen te hebben. Nu er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, is afgezien van het horen van eiseres in bezwaar.

3.

Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat zij in ieder geval al sinds maart 2013 in Nederland verblijft zonder een beroep te doen op publieke middelen. Aangenomen kan worden dat zij dus over inkomen beschikt om haarzelf en haar kinderen te voorzien. Eiseres wordt onderhouden door familie in Nederland en er is een verklaring van een potentiële werkgever overgelegd die aanleiding geeft aan te nemen dat zij in haar levensonderhoud kan blijven voorzien. Ten onrechte heeft verweerder eiseres niet in de gelegenheid gesteld haar bezwaren mondeling toe te lichten.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de richtlijn) heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.

5.

Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is “paragraaf 2 EG/EER” van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

6.

Op grond van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

7.

In paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat, in aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 de IND de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht van een familielid afwijst als blijkt dat de vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, Vb op het moment van het indienen van de aanvraag geen reële en daadwerkelijke arbeid meer verricht of voor zichzelf en zijn familieleden niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8.

Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat bij een verblijf van meer dan drie maanden de verkrijging van het verblijfsrecht wordt verbonden aan de in artikel 7, eerste lid, van de richtlijn gestelde voorwaarden, en dat de burgers van de Unie en hun familieleden volgens artikel 14, tweede lid, van de richtlijn, dit recht slechts behouden zolang zij aan die voorwaarden voldoen. In het bijzonder volgt uit punt 10 van de considerans van deze richtlijn dat die voorwaarden met name beogen te voorkomen dat deze personen een onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van het gastland vormen (zie de arresten van 21 december 2013, inzake Ziolkowski en Szeja, C-424/10 en C-425/10, punt 40 en van 19 september 2013, inzake Brey, C-140/12, punt 54, www.curia.eu).

9.

In geschil is of eiseres voor zichzelf en haar drie kinderen beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn.

10.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag een bankverklaring van 29 juli 2013 overgelegd, waarop, omgerekend, een bedrag van € 8067,62 staat vermeld. Eiseres stelt dat zij hiermee, en door hulp van haar zussen in Nederland en alimentatie van de Spaanse vader van de kinderen, over voldoende middelen van bestaan beschikt.

11.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 13 december 2011 in zaak nr. 201102012/1/V2) biedt de mededeling van de Europese Commissie aan het Parlement en de Raad van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG (COM(2009) 313 definitief; hierna: de richtsnoeren) een handvat voor de interpretatie van richtlijn 2004/38/EG.

12.

In paragraaf 2.3.1. van de richtsnoeren wordt, voor zover thans van belang, vermeld dat het begrip ‘toereikende bestaansmiddelen’ moet worden uitgelegd met inachtneming van het doel van de richtlijn, namelijk het vrij verkeer vergemakkelijken, zonder dat de begunstigden van het verblijfsrecht een onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Voorts wordt hierin vermeld dat de lidstaten, krachtens artikel 8, lid 4, direct noch indirect een vast bedrag aan bestaansmiddelen mogen vaststellen dat zij als "toereikend" beschouwen, en dat zou gelden als een

plafond waaronder het verblijfsrecht automatisch kan worden geweigerd. De autoriteiten van de lidstaten moeten rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. De nationale autoriteiten mogen zo nodig het bestaan van de middelen, de rechtmatigheid ervan, alsook het bedrag en de beschikbaarheid ervan, verifiëren. Het hoeft niet om periodieke inkomsten te gaan, het kan ook gaan om een opgebouwd kapitaal. De bewijsmiddelen om aan te tonen dat er voldoende bestaansmiddelen zijn, mogen niet worden beperkt (zie het arrest van 25 mei 2000, C-424/98, Commissie tegen Italië, punt 37).

13.

Verweerder heeft overwogen dat eiseres blijkens de bankverklaring van 29 juli 2013 omgerekend over € 8067,62 beschikte. Hiermee beschikte zij volgens verweerder niet over voldoende middelen van bestaan, nu het eigen vermogen onvoldoende hoog is om aan de gestelde maandelijkse bijstandsnorm voor gezinnen te voldoen. Niet gebleken is dat het spaargeld maandelijks tot beschikking van eiseres staat en toereikend is. Tevens is niet onderbouwd dat eiseres daadwerkelijk alimentatie van de vader van de kinderen en steun van haar familie ontvangt, aldus verweerder.

14.

De rechtbank is, gelet op voornoemde richtsnoeren, van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eiseres over onvoldoende bestaansmiddelen beschikt. Een vast bedrag aan bestaansmiddelen, zoals de gestelde maandelijkse bijstandsnorm, mag immers niet worden gesteld en de bestendigheid van de middelen evenmin. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden met de gestelde persoonlijke omstandigheden van eiseres te weten dat zij door haar zussen wordt onderhouden en de vader van de kinderen alimentatie betaald. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat vanwege de gestelde persoonlijke omstandigheden, die eiseres tijdens een zitting nader mondeling toe kon lichten, geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft dan ook ten onrechte afgezien van het horen van eiseres. De stelling van eiseres dat de hoorplicht in bezwaar geschonden is slaagt.

15.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikelen 3:2 (onderzoeksplicht) en 7:2 (hoorplicht) van de Algemene wet bestuursrecht.

16.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 487,- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1 ).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- (honderdvijfenzestig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 487,- (vierhonderdzevenentachtig euro) te betalen aan eiseres;

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.