Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11631

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
09-777338-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Straatroof, in vereniging gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777338-13

Datum uitspraak: 11 september 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 28 augustus 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van den Heuvel en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats] tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een paraplu, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan[slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- trekken aan de tas van die [slachtoffer] en/of

- op de grond en/of over de grond trekken van het lichaam van die [slachtoffer]

en/of

- omver schoppen van die [slachtoffer] en/of

- schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] (toen zij op de grond lag).

3. Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op [datum] 2012 werd in [plaats] een straatroof gepleegd waarvan[slachtoffer] het slachtoffer werd. De overval werd volgens het slachtoffer door meerdere jongens gepleegd. Geprobeerd werd om haar tas van haar schouder te trekken, waardoor het slachtoffer ten val kwam. Zij werd geschopt terwijl zij op de grond lag. Later bleek dat haar paraplu weg was. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een in vereniging gepleegde straatroof.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt erop neer dat de verdachte van het hem ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer betoogd dat geen sprake is van een tezamen en in vereniging gepleegde straatroof, nu de opzet op de nauwe en bewuste samenwerking niet kan worden bewezen. Verder heeft de raadsvrouw betoogd dat er onvoldoende bewijs is om te kunnen vaststellen dat het de verdachte was die zich heeft schuldig gemaakt aan verschillende bestanddelen van de tenlastelegging. De raadsvrouw heeft betoogd dat hoogstens een poging tot straatroof – van een tas – kan worden bewezen. Dat er een paraplu is weggenomen staat hier los van.

Nu de poging tot straatroof niet aan de verdachte is ten laste gelegd en van een voltooid delict niet kan worden gesproken, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van het aan de verdachte ten laste gelegde het volgende af.

Op [datum] 2012 doet[slachtoffer] om even voor 23.00 uur aangifte van een poging beroving/straatroof op diezelfde avond te [plaats]. Zij verklaart dat zij op straat liep en ter hoogte van ‘Bij de Westermolens’ voelde dat een jongen met kracht aan haar tas trok, die over haar linkerschouder hing. Door de krachtige ruk viel zij op de grond. Aangeefster verklaart dat zij haar tas bleef vasthouden en dat zij zag en voelde dat twee jongens aan haar tas begonnen te trekken toen zij op de grond lag. Zij hield haar tas stevig vast en voelde dat de jongens bleven trekken. Daarna voelde zij dat één van de jongens haar hard tegen het lichaam schopte. Nadat de aangeefster hard om hulp had geschreeuwd waren meerdere mensen aan komen fietsen, waarna drie jongens hard weg waren gerend in de richting van het ZHB-hoven. De aangeefster verklaart dat zij, doordat zij op de grond terecht was gekomen, haar rechterenkel heeft gekneusd. Verder deden haar voeten pijn, heeft zij haar rechterduim gekneusd en had zij pijn over haar gehele lichaam.2

Op [datum] 2013 legt[slachtoffer] een aanvullende verklaring af. Zij verklaart dat zij nog steeds veel last heeft van haar zwaar gekneusde duim. Verder verklaart zij dat de daders een stormparaplu, die in haar boodschappentas zat, hebben gestolen. De aangeefster verklaart dat zij tevens aangifte van de diefstal van deze paraplu doet.3

De aangeefster legt een geneeskundige verklaring over waaruit blijkt dat zij verschillende kneuzingen en blauwe plekken heeft opgelopen.4

Nadat verbalisanten op de avond van [datum] 2012 melding hebben gekregen van de poging beroving, rijden zij in de richting van de plek waar de beroving heeft plaatsgevonden. Zij zien vanaf het Westeinde twee jonge mannen aan komen lopen. Deze jonge mannen rennen bij het zien de verbalisanten heel hard weg, terwijl zij achterom kijken in de richting van de verbalisanten. De verbalisanten slagen erin de mannen aan te houden als verdachten van de poging beroving. Naast de verdachte wordt [medeverdachte] aangehouden. Op het politiebureau verklaart de verdachte geheel vrijwillig: “We waren aan het praten om snel geld te maken. We spraken af om een tasje te gaan trekken. Ik zei toen tegen mijn vrienden van, jullie lullen maar wat en durven het toch niet te doen om geld. Ik ging toen nog even met hen mee want ze gingen het bewijzen of zo. Plotseling gingen ze ineens een tasje trekken bij een vrouw. Daarna zijn we weggerend en kwamen we weer bij elkaar. Ik heb mijn vrienden eigenlijk aangespoord om die vrouw te gaan beroven.”5

Op [datum] 2012 wordt de verdachte door de politie verhoord. Hij verklaart dat hij die avond met andere jongens over straat liep en dat hij de jongens hoorde zeggen: “Ik ben hongerig erna”. De verdachte verklaart dat dit bleek te betekenen dat de jongens een tasje gingen trekken. De verdachte verklaart dat iemand zei: “Zal ik die vrouw pakken?” Waarop de verdachte had gezegd: “Doe wat je wilt”. De verdachte verklaart dat hij daarna geschreeuw hoorde en dat hij een vrouw op de grond zag liggen. De verdachte verklaart dat hij heeft gezien dat de vrouw door drie jongens werd aangevallen en dat toen iedereen weg rende. De verdachte verklaart dat hij achter de jongens is aangerend.6 Later die dag wordt de verdachte nogmaals verhoord. Hij noemt namen van de jongens die wat hebben gedaan: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].7

Ter terechtzitting verklaart de verdachte dat hij die avond met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte] over straat liep en dat ze allen spraken over het feit dat ze geld nodig hadden en ‘hongerig’ waren, hetgeen betekent dat ze snel geld wilden verdienen. De verdachte verklaart voorop te hebben gelopen. Hij ontkent degene te zijn geweest die het slachtoffer heeft uitgekozen, maar verklaart wel achter de anderen te zijn aangerend toen zij naar het slachtoffer toe renden. De verdachte verklaart dat hij het slachtoffer op de grond heeft zien vallen en liggen, dat hij haar niet op de grond heeft gegooid, maar dat hij wel een plastic tasje van het slachtoffer heeft getrokken dan wel van de grond heeft opgepakt. In dit tasje bleken tomaten te zitten. De verdachte verklaart meegegaan te zijn en meegedaan te hebben.8

[medeverdachte], gelijk met de verdachte aangehouden, verklaart op [datum] 2012 dat hij die bewuste avond met vijf jongens was, dat de beroving is besproken, dat ze niet per sé een oudere vrouw wilden, maar dat ze gewoon iemand wilden. [medeverdachte] verklaart dat twee of drie jongens aan de tas hebben getrokken.9 Later die dag legt [medeverdachte] een tweede verklaring af. Hij verklaart dat hij met de jongens op straat liep, dat ze een beetje dronken of aangeschoten waren en dat ze iets leuks wilden doen om een kick te krijgen, waarna werd besloten om mensen te gaan volgen om te beroven. [medeverdachte] verklaart dat het de verdachte was die dit besloot, waarna de verdachte allemaal mensen aanwees. [medeverdachte] verklaart dat ze op zoek waren naar iemand die alleen liep, die in een soort steegje liep. Aangeefster was in beeld gekomen en ze liepen haar achterna, waarbij de verdachte en [medeverdachte 2] voorop liepen. [medeverdachte] verklaart dat hij de verdachte vervolgens hoorde zeggen: “Kom we gaan het doen.” [medeverdachte] verklaart dat de jongens achter de vrouw aan de bocht om liepen, dat de vrouw om hulp riep en dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] richting de jongens en de vrouw renden. [medeverdachte] verklaart dat hij vervolgens om de hoek ging kijken en dat hij zag dat de jongens al weg waren bij de vrouw, dat zij renden en dat de beroofde vrouw op de grond lag. [medeverdachte] verklaart dat hij met de verdachte mee is gerend, dat de verdachte vertelde dat hij in de tas van de vrouw had gekeken en dat er iets van tomaten in die tas zaten.10

Bijna een jaar later, op [datum] 2013, wordt [medeverdachte] door de rechter-commissaris gehoord. Hij verklaart nogmaals dat de verdachte, [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en hijzelf hadden besproken dat ze iemand zouden gaan beroven. [medeverdachte] verklaart dat hij niet zeker weet of de verdachte met het idee kwam om iemand te beroven, maar dat hij dit dacht omdat de verdachte hem had gezegd dat hij de vrouw onderuit had getrapt. [medeverdachte] verklaart dat hij wist dat de aangeefster zou worden beroofd omdat hij had gezien dat de verdachte stiekem naar die vrouw rende. [medeverdachte] verklaart dat de verdachte een plastic tas vast had, toen hij wegrende en dat de verdachte die tas weggooide.11

Medeverdachte [medeverdachte 2] legt op [datum] 2013 een verklaring bij de politie af. Hij verklaart dat hij met [medeverdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en de verdachte was. [medeverdachte 2] verklaart dat ze achter de vrouw liepen, dat de verdachte ging rennen, dat de verdachte aan het tasje trok, dat hij dit niet los kreeg en dat de plastic tas van de vrouw toen viel. [medeverdachte 2] verklaart dat hij de paraplu van de vrouw van de grond pakte en de hoek om is gerend, waarna de rest achter hem aan kwam. [medeverdachte 2] verklaart dat de verdachte voor de beroving zei: “Ik ga voor deze”, waarna hij erop af ging. [medeverdachte 2] verklaart dat ze het eigenlijk allemaal samen hebben bedacht.12

Ook [medeverdachte 2] legt op [datum] 2013 een verklaring af tegenover de rechter-commissaris. Hij verklaart dat hij vlak voor de beroving voorop liep met de verdachte en dat zijn broer en [medeverdachte] vlak achter hen liepen. [medeverdachte 2] verklaart dat de verdachte aan de handtas van de vrouw trok en dat de vrouw viel. [medeverdachte 2] verklaart dat de boodschappentas op de grond viel, dat er een paraplu uit viel en dat hij die zelf heeft meegenomen.13

[medeverdachte 3] legt op [datum] 2013 een verklaring bij de politie af. Hij verklaart dat hij met verdachte, [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte] in de stad liep, dat ze een vrouw zagen lopen, dat de verdachte naar de vrouw rende, haar op de grond trok en haar tasje beet pakte. [medeverdachte 3] verklaart dat hij zag dat de vrouw werd getrapt door de verdachte. [medeverdachte 3] verklaart dat de [medeverdachte 2] naar de verdachte liep en een paraplu pakte die op de grond lag, waarna hij verder rende.14

Ook [medeverdachte 3] legt op [datum] 2013 een verklaring af tegenover de rechter-commissaris. Hij verklaart dat de verdachte, vlak voordat het gebeurde, in de groep gooide dat hij een tasje wilde trekken. [medeverdachte 3] verklaart dat hij zag dat de verdachte aan het tasje trok van de vrouw, waardoor zij viel. [medeverdachte 3] verklaart dat de verdachte de tas waaraan hij trok niet heeft meegenomen, maar de boodschappentas wel. [medeverdachte 3] verklaart niet te hebben gezien dat iemand de vrouw schopte maar wel dat de verdachte, terwijl de vrouw viel, een schoppende beweging in haar richting maakte. [medeverdachte 3] verklaart dat [medeverdachte 2] de paraplu meenam.15

Getuige [getuige A] verklaart dat hij zag dat een dame op de grond lag met drie jongens, die erboven stonden.16

Op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er vanuit de groep jongens waartoe de verdachte behoorde, een plan is gemaakt om een beroving te plegen. Uit meerdere verklaringen blijkt dat hier van tevoren over is gesproken en dat het de verdachte was die met het idee van de beroving kwam. De verdachte, die met medeverdachte [medeverdachte 2] voorop liep, is achter de aangeefster aan gerend. Hij heeft aan een tas van de aangeefster getrokken, waardoor de aangeefster ten val is gekomen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de aangeefster omver is geschopt, nu de aangeefster hier zelf niets over heeft verklaard en de enige die daar iets over verklaart [medeverdachte] is. De rechtbank acht ook niet wettig en overtuigend bewezen dat de aangeefster over de grond is getrokken, nu zij hierover zelf niets heeft gezegd en dit enkel is verklaard door [medeverdachte 3]. Samen met twee anderen heeft de verdachte over de aangeefster heen gestaan. Blijkens de verklaringen van aangeefster en [medeverdachte 3] is de aangeefster geschopt toen zij op de grond lag. Dit wordt ondersteund door de geneeskundige verklaring, waaruit blijkt dat de aangeefster kneuzingen en blauwe plekken heeft opgelopen. Voorts neemt de rechtbank daartoe in aanmerking dat getuige [getuige A] zag dat drie jongens boven aangeefster stonden, toen zij op de grond lag. Alleen [medeverdachte 3] heeft verklaard dat het de verdachte was die de aangeefster heeft geschopt. Dit is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat het de verdachte is geweest die aangeefster heeft geschopt. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet van belang dat niet is komen vast te staan door wie aangeefster is geschopt, nu het schoppen heeft plaatsgevonden vanuit de groep waarvan de verdachte deel uitmaakte. Tot slot heeft de verdachte een plastic tas met groente/fruit gepakt en heeft medeverdachte [medeverdachte 2] de paraplu van aangeefster gepakt en meegenomen.

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] en één of meerdere andere personen, om de beroving op de aangeefster te plegen. De rechtbank zal dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op [datum] 2012 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paraplu, toebehorende aan[slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het

- trekken aan de tas van die [slachtoffer] en

- op de grond trekken van het lichaam van die [slachtoffer] en

- schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] toen zij op de grond lag.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt, aan de verdachte enkel een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie te hoog is, mede gelet op het door de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering gegeven advies.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof. De verdachte en zijn mededaders hebben het vrouwelijke slachtoffer, dat alleen over straat liep, beroofd van haar paraplu. Daarbij hebben zij grof geweld gebruikt. Zij hebben aan haar tas getrokken, waardoor het slachtoffer ten val is gekomen. Het slachtoffer is geschopt terwijl zij op de grond lag. Zij is gewond geraakt en heeft, blijkens de door haar opgestelde slachtofferverklaring, zeer ernstige gevolgen ondervonden van de beroving. Deze gevolgen werken door tot op de dag van vandaag. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich heeft laten leiden door de wens zichzelf te verrijken ten koste van het slachtoffer en dat hij daarbij voorbij is gegaan aan het leed dat hij bij het slachtoffer zou veroorzaken.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 juli 2014, in het verleden niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en dat hij na het plegen van het thans bewezen verklaarde feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 6 februari 2014, opgesteld en ondertekend door[X], raadsonderzoeker, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Geadviseerd wordt om aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Er zijn weinig aanknopingspunten voor verdere begeleiding door de jeugdreclassering dan wel een gedragsinterventie. De verdachte heeft sinds zijn terugkomst uit Tunesië in [datum] 2013 en gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering namelijk een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij heeft laten zien dat hij in staat is adequatere keuzes te maken en laat op school en thuis een positieve gedragsverandering zien.

Ter terechtzitting is gehoord mevrouw [Y], reclasseringswerker bij Bureau Jeugdzorg. Mevrouw [Y] heeft zich zeer positief uitgelaten over de ontwikkeling die de verdachte sinds zijn terugkomst uit Tunesië heeft doorgemaakt. Ook vanuit school en het Knooppunt komen positieve berichten. Zij heeft benadrukt dat de moeder zich enorm inzet voor de verdachte, dat zij precies op de hoogte is van het doen en laten van de verdachte en dat zij hem goed begeleidt. De moeder en de verdachte vormen een hecht team. De verdachte wordt gestimuleerd en blijkt gemotiveerd om zijn leven positief in te richten. Mevrouw [Y] heeft benadrukt dat de verdachte, met hulp van zijn moeder, verder kan in het leven en dat hij geen verdere jeugdreclasseringsbegeleiding nodig heeft.

De rechtbank zal bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf rekening houden met de inhoud van voornoemde rapportage, het uitgebrachte strafadvies en hetgeen door mevrouw [Y] naar voren is gebracht.

De rechtbank overweegt dat het door de verdachte gepleegde strafbare feit dermate ernstig is dat dit in beginsel behoort te worden bestraft met een jeugddetentie. Gelet op het tijdsverloop, het feit dat het thans goed gaat met de verdachte, hij een blanco strafblad heeft en hij zich ook na het tenlastegelegde niet meer heeft schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, is de rechtbank echter van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, een passende reactie vormt. Een voorwaardelijke taakstraf, zoals bepleit door de raadsvrouw, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Nu het blijkens de inhoud van het raadsrapport en hetgeen mevrouw [Y] heeft verklaard goed gaat met de verdachte en hij na het plegen van het bewezenverklaarde feit geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, acht de rechtbank oplegging van een voorwaardelijke straf met jeugdreclasseringsbegeleiding niet aangewezen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 569,95. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 69,95, bestaande uit de posten ‘tas aanhangsels reparatiekosten’ (€ 25,00); ‘stormparaplu (boekhandel Paagman)’ (€ 44,95) en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 500,00, bestaande uit de post ‘fysiek en psychisch letsel’.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 569,95, vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 569,95, subsidiair 10 dagen jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer].

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen de inhoud van de vordering en bereid te zijn schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is, hoewel door de raadsvrouw namens de verdachte betwist, zowel voor wat betreft de materiële als de immateriële schade voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade geheel toewijsbaar. Voorts acht de rechtbank het deel van de vordering dat betrekking heeft op een bedrag van € 500,00, als vergoeding van de immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadebedrag, gelet op de grote gevolgen die de straatroof voor de benadeelde partij heeft gehad, alleszins redelijk is. Dat, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, zich bij de vordering geen verwijzing naar een psycholoog bevindt en er ter vaststelling van het opgelopen letsel slechts één doktersverklaring beschikbaar is, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 569,95.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van [datum] 2012 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 569,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf [datum] 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT GEPLEEGD WORDT DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSIONEN

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (honderdtwintig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij[slachtoffer] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 569,95 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan[slachtoffer], een bedrag van € 569,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf [datum] 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 569,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf [datum] 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de aan de mededader opgelegde betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.
Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. P. de Haan, kinderrechter,

en mr. D. Thierry, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2014.

Mr. De Haan is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1513 2012274936.

2 Proces-verbaal van aangifte van[slachtoffer], p. 89, 90.

3 Proces-verbaal verhoor aangeefster[slachtoffer], p. 93.

4 Geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring, p. 92.

5 Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 37, 38.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 130, 131.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 133, 134.

8 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte], p. 121.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte], p. 123, 124.

11 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte] door de rechter-commissaris, punt 7-9.

12 proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 137-140.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte door de rechter-commissaris, punt 6, 19.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], p. 148, 149.

15 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] door de rechter-commissaris, punt 7, 8 en 10.

16 Proces-verbaal verhoor getuige[getuige A], p. 98.