Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11597

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
09/817902-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zware mishandeling, mishandeling.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24a, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817902-14

Datum uitspraak: 19 september 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 september 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. van der Laan en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.B. Spaargaren, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 maart 2014 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (twee gebroken polsen/armen en/of (een) gebroken oogkas(sen) en/of oogletsel en/of kaakletsel en/of een gekneusd(e) enkel/been), heeft toegebracht, door opzettelijk hard tussen deze (dichtbij/naast het spoor lopende) [slachtoffer 1] en een zich in haar nabijheid bevindende derde persoon door te rennen en/of (daarbij) (vervolgens) die [slachtoffer 1] met kracht opzij te duwen (in de richting van het spoor) en/of hard tegen haar aan te rennen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op het lager gelegen spoor viel;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 maart 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1], heeft mishandeld door opzettelijk hard tussen deze (dichtbij/naast het spoor lopende) [slachtoffer 1] en een zich in haar nabijheid bevindende derde persoon door te rennen en/of (daarbij) (vervolgens) die [slachtoffer 1] met kracht opzij te duwen (in de richting van het spoor) en/of hard tegen haar aan te rennen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op het lager gelegen spoor viel, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (twee gebroken polsen/armen en/of (een) gebroken oogkas(sen) en/of oogletsel en/of kaakletsel en/of een gekneusd been), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 30 maart 2014 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten op station Den Haag Centraal, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit

- het duwen tegen die [slachtoffer 3] en/of

- het tegen die [slachtoffer 3] aanlopen en/of

- het tegen het gezicht aan duwen van die [slachtoffer 2] en/of

- het slaan en/of stompen tegen het gezicht van die [slachtoffer 2],

waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 2] tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, welk door hem gepleegd geweld, enig lichamelijk letsel (een snee en/of een bult aan de bovenlip) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 maart 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2]), tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1.

Inleiding

Deze zaak heeft betrekking op gebeurtenissen die plaatsvonden in de nacht van zaterdag 29 op zondag 30 maart 2014, meer in het bijzonder op zondag 30 maart 2014. Verdachte reisde in die nacht met een tweetal vrienden in de RET van Rotterdam naar Den Haag. In de trein bevonden zich ook een zekere [slachtoffer 2] samen met zijn vriendin [slachtoffer 3], alsmede de toen 75 jarige mevrouw [slachtoffer 1] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 1]), die in gezelschap was van haar zuster, haar zwager en een vriendin met wie zij in Rotterdam een avond uit was geweest.

Na aankomst op station Den Haag Centraal is er op het perron een woordenwisseling ontstaan tussen enerzijds verdachte en zijn vrienden en anderzijds [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Op een zeker moment heeft verdachte [slachtoffer 2] geslagen, en is daarna over het perron gaan rennen in de richting van de uitgang. Daarbij is verdachte in aanraking gekomen met de voor hem lopende [slachtoffer 1], die als gevolg daarvan naast het perron op de rails terecht is gekomen en daardoor ernstig letsel heeft opgelopen.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijk geweld jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dan wel aan mishandeling van [slachtoffer 2]. Daarnaast dient de rechtbank te beslissen of de confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] valt aan te merken als een strafbaar feit, en zo ja, of dit moet worden gekwalificeerd als zware mishandeling dan wel als mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten zal vrijspreken en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en eveneens van het onder 2 primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Feit 2 primair en feit 2 subsidiair

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 30 maart 2014 omstreeks 00.40 uur samen met zijn vriendin [slachtoffer 3] in de metro vanaf Ahoy in de richting van Den Haag Centraal Station zat. In de metro zaten drie jongens die heel luidruchtig waren. Op het moment dat hij en zijn vriendin bij Den Haag Centraal Station aankwamen, stapten zij allen uit. Tijdens het uitstappen kreeg zijn vriendin een duw van één van de drie jongens. Hij sprak de jongens hierop aan. Aangever heeft verklaard dat hij vervolgens met zijn vriendin in de richting van de hal liep en dat hij ineens een scherpe pijn voelde aan de rechterkant van zijn wang en dat hij op de grond viel. Hij heeft verklaard dat hij van een omstander hoorde dat hij was geslagen.2 Naar aanleiding hiervan heeft aangever letsel opgelopen. Hij had een bult aan de rechterzijde van zijn bovenlip en een snee aan de binnenkant van zijn bovenlip.3

Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 maart 2014 samen met twee vrienden in de metro vanuit Leidschenveen naar Den Haag Centraal Station zat. Het zou kunnen dat anderen vonden dat zij zich tijdens deze rit baldadig gedroegen, aldus verdachte. Toen zij uit de metro stapten op Den Haag Centraal Station kwam een van zijn vrienden tegen een vrouw aan. Die vrouw begon tegen zijn vriend te schreeuwen. Verdachte heeft verklaard dat aangever vervolgens op hem afkwam en dat hij aangever toen heeft geslagen.4

[slachtoffer 3], heeft verklaard dat verdachte een vuistslag in het gezicht van [slachtoffer 2] gaf.5

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is geweest van het in vereniging plegen van geweld.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde als volgt.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat, kort voordat verdachte aangever sloeg, er onenigheid tussen één van de vrienden van verdachte en de vriendin van aangever was ontstaan. Overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank echter van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van het in vereniging geweld plegen tegen personen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde feit.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever tegen zijn gezicht heeft gestompt en dat hij derhalve het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Feit 1 primair

Aangeefster [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], heeft verklaard dat zij zich op 30 maart 2014 omstreeks 00.45 uur op het perron van spoor 11 van Centraal Station Den Haag bevond. Zij was daar samen met haar zus, haar vriendin en haar zwager. Zij waren kort daarvoor vanuit Rotterdam met de RET gekomen en in de RET waren wat problemen met een aantal jongens die zich baldadig gedroegen. Aangeefster heeft verklaard dat op het moment dat zij samen met haar zus, haar zwager en haar vriendin in de richting van de centrale hal liep, zij die jongens weer een boel herrie hoorde maken. Op het moment dat zij zich half omdraaide zag zij een soort zwarte gedaante op haar afkomen en vervolgens kwam zij met een grote klap op de rails terecht. Aangeefster heeft verklaard dat zij verder niet precies meer weet wat er is gebeurd. Toen zij weer een beetje bijkwam zag zij dat zij op de spoorrails lag en voelde zij veel pijn aan haar armen, haar gezicht en haar been.6

Naar aanleiding van de val heeft aangeefster twee gebroken polsen, een aangezichtsfractuur, bestaande uit een combinatie van een gebroken jukbeen, oogkas en kaakholte, en een gekneusde enkel opgelopen.7

Verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die in aanraking met aangeefster is gekomen, waarna zij ten val is gekomen. Hij heeft verklaard dat hij, nadat hij een man ([slachtoffer 2]) had geslagen, over het perron wegrende omdat hij verder geen problemen wilde. Hij zag toen dat aangeefster en diens zwager naast elkaar voor hem liepen. Verdachte zag dat er ruimte was tussen aangeefster en haar zwager. Op het moment dat hij door de ruimte, gelegen tussen aangeefster en haar zwager, wilde rennen, werd die ruimte echter versmald doordat aangeefster een stap in de richting van haar zwager deed en haar arm in de richting van haar zwager strekte.8

Ter terechtzitting van 5 september 2014 zijn de camerabeelden van het voorval bekeken. De rechtbank heeft waargenomen dat op deze camerabeelden te zien is dat aangeefster vanaf de aldaar stilstaande metro in het verlengde van deze metro vlak langs het lager gelegen spoor, gelegen aan de rechterzijde van het perron, loopt. Aan haar linkerzijde loopt een man (haar zwager). Vervolgens komt verdachte van achteren aanrennen en wendt aangeefster zich met haar lichaam, met name met haar linker onderarm, in de richting van haar zwager, waardoor de ruimte tussen hen versmalt. Op het moment dat verdachte bij aangeefster en haar zwager is aangekomen, houdt hij even in en maakt hij met zijn lichaam een beweging naar rechts in de richting van aangeefster, ogenschijnlijk om door te kunnen rennen in de ruimte tussen aangeefster en haar zwager. Vervolgens is te zien dat aangeefster haar evenwicht verliest en in een boog naar rechts op het naast- en lagergelegen spoor valt, terwijl verdachte al rennend zijn weg vervolgt.9

De raadsman heeft betoogd dat uit de camerabeelden waarop het incident is te zien, niet kan worden afgeleid dat verdachte aangeefster heeft geduwd. Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij aangever [slachtoffer 2] een klap had gegeven, is weggerend over het perron. Vervolgens zag hij aangeefster en haar zwager voor hem lopen. Hij zag dat er een gat tussen hen was en hij wilde daar tussendoor rennen. Op dat moment stapte aangeefster in de richting van haar zwager en botste verdachte tegen aangeefster, ten gevolge waarvan zij op het spoor is gevallen. Volgens de raadsman wordt deze verklaring van verdachte door de camerabeelden ondersteund. Reeds hierom dient verdachte van dat deel van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman betoogd dat sprake is geweest van een botsing en dat het voor verdachte onmogelijk was om in de gegeven situatie nog te remmen. Verdachte heeft geen opzet gehad op de botsing – hij wilde juist langs aangeefster rennen – en heeft door aldus te handelen evenmin bewust de aanmerkelijke kans op een botsing aanvaard. De kans dat verdachte bij het passeren tegen aangeefster zou botsen, acht de raadsman niet aanmerkelijk. Evenmin heeft verdachte deze kans aanvaard. Hij wilde juist weg rennen, hetgeen impliceert dat je juist niet tegen iemand wil botsen, aldus de raadsman. Verdachte had derhalve geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de botsing wat voor een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde feiten is vereist.

Anders dan de raadsman moet de hierboven beschreven beweging van verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden begrepen als een duw, waarbij verdachte, al rennend en zonder van de door hem ingezette richting af te wijken, met zijn lichaam het lichaam van aangeefster hard heeft geraakt, waardoor zij ten val is gekomen op het lager gelegen spoor.

Nu op de camerabeelden onmiskenbaar is te zien dat verdachte, al rennend, even kort inhoudt alvorens hij de beweging naar rechts maakt en direct daarna zijn weg vervolgt, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte, op het moment dat hij bij aangeefster was aangekomen, zich moet hebben gerealiseerd dat bij voortzetting van zijn weg een botsing zou ontstaan omdat de tussengelegen ruimte inmiddels te smal was geworden om ongehinderd door te kunnen rennen. Verdachte moet de genoemde beweging naar rechts (de duw) hebben gemaakt om alsnog een vrije doorgang te bewerkstelligen, en dus opzettelijk.

Door kort na het arriveren van genoemde metro, waarbij zich meerdere personen op het perron bevonden en zich in de richting van de centrale hal begaven, hard over het perron te rennen vlak langs de zijde van het naast- en lager gelegen spoor, en vervolgens bewust aangeefster te duwen om tussen haar en haar zwager door te kunnen komen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard dat aangeefster door zijn handelen ten val zou komen en daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank betrekt hierbij de verklaring van verdachte dat hij vóór moment van passeren had gezien dat aangeefster een oudere vrouw betrof, nu het een feit van algemene bekendheid is dat oudere mensen kwetsbaarder zijn dan het gemiddelde slachtoffer.

Het letsel dat aangeefster heeft opgelopen is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Anders dan het standpunt van de raadsman van verdachte en de officier van justitie acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1 primair

hij op 30 maart 2014 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (twee gebroken polsen en een gebroken oogkas en kaakletsel en een gekneusde enkel) heeft toegebracht, door opzettelijk hard tussen deze naast het spoor lopende [slachtoffer 1] en een zich in haar nabijheid bevindende derde persoon door te rennen en daarbij die [slachtoffer 1] opzij te duwen in de richting van het spoor, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op het lager gelegen spoor viel;

2 subsidiair

hij op 30 maart 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer 2], tegen het gezicht heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de tijd van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich binnen 5 dagen volgend op het vonnis zal melden bij GGZ Reclassering Palier en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij die instelling, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij de Jutters, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;

- dat verdachte gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen, te weten bij de Stichting Anton Constandse, en zich zal houden aan het

(dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit verdachte een fors lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft onder invloed van alcohol [slachtoffer 2] in zijn gezicht gestompt. Dit nadat hij door hem was aangesproken op zijn vervelende gedrag en dat van zijn vrienden. Dit is een zeer vervelend feit dat niet alleen bij het slachtoffer gevoelens van onveiligheid veroorzaakt, maar ook zorgt voor onrust in de maatschappij.

Verdachte heeft vervolgens tijdens zijn vlucht over het perron het slachtoffer [slachtoffer 1], die vóór hem liep, een duw gegeven om zodoende zijn vlucht te kunnen vervolgen. [slachtoffer 1] is hierdoor op het lager gelegen spoor gevallen, waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. Haar rechter jukbeen, oogkas en kaak waren gebroken, waardoor haar hele gezicht blauw verkleurd was. Ook had zij twee gebroken polsen en een gekneusde enkel. Blijkens haar slachtofferverklaring was aangeefster gedurende zes weken ernstig gehinderd doordat zij haar gebitsprothese niet kon dragen en was zij wegens haar letsel gedwongen gepureerd voedsel te eten. Zij mocht niet snuiten en blazen en ook praten was lastig. [slachtoffer 1] is een tijd lang totaal afhankelijk geweest van de hulp van anderen en hulpmiddelen. Zij kon niets meer alleen doen. [slachtoffer 1] heeft thans nog steeds last van haar polsen en haar enkel en is nog steeds in haar dagelijkse bezigheden beperkt. Zij kan nog niet autorijden en ook durft zij nog niet te fietsen. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 4 augustus 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feiten vanwege één van die delicten in een proeftijd. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden de onderhavige strafbare feiten te plegen.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking het reclasseringsadvies van 19 juni 2014.

Hieruit blijkt dat verdachte reeds op jonge leeftijd werd gediagnosticeerd met PDD NOS en ADHD. Dit maakt onder andere dat verdachte moeite heeft met het goed inschatten van sociale situaties en dat hij impulsief kan reageren. Hiernaast heeft verdachte moeite met het reguleren van zijn emoties, in het bijzonder zijn agressie. Voorts komt uit dit advies naar voren dat verdachte zich bewust is van zijn problematiek en dat hij al langere tijd in beeld is bij de (jeugd)hulpverlening. Verdachte heeft aangegeven beter te willen leren omgaan met het reguleren van zijn emoties welke ten grondslag liggen aan zijn agressie-uitbarstingen. In dat kader heeft er een intake plaatsgevonden bij de Jutters, alwaar verdachte met een behandeling zal starten. Gelet op het recidiverisico, de complexe problematiek en de jonge leeftijd van verdachte, acht de reclassering verplicht reclasseringscontact geïndiceerd. Hiernaast adviseert de reclassering een behandelverplichting bij de Jutters op te leggen alsmede de verplichting om bij Stichting Anton Constandse, een instelling voor begeleid wonen, te verblijven.

Op de terechtzitting heeft verdachte aangegeven inmiddels drie weken in de begeleidend woonvorm Mixx Inn van de Stichting Anton Constandse te verblijven. Ook heeft hij aangegeven dat de reclassering hem inmiddels begeleidt.

Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de overige omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven, acht de rechtbank een gevangenisstraf van hierna te noemen duur passend en geboden. De rechtbank zal daarvan een deel voorwaardelijk opleggen en daaraan verplicht reclasseringstoezicht te verbinden, dit om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de andere geadviseerde bijzondere voorwaarden niet opleggen, aangezien de rechtbank er niet aan twijfelt dat verdachte ook zonder dergelijke voorwaarden bij Mixx Inn zal verblijven en de nodige behandelingen zal (gaan) volgen. Voorts acht de rechtbank een taakstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, gelet op het intensieve traject dat verdachte inmiddels gedurende geruime tijd volgt, niet aangewezen.

Bij de bepaling van de straf betrekt de rechtbank voorts de houding van verdachte ter zitting, mede versterkt door diens confrontatie met de camerabeelden, waaruit zijn berouw over hetgeen is voorgevallen op oprechte wijze naar voren is gekomen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering

Aangeefster, [slachtoffer 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 9.072,46, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien hij heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering gedeeltelijk af te wijzen. In dit verband heeft de raadsman het volgende betoogd (zakelijk weergegeven):

  • -

    de kosten van de zoons van de benadeelde partij (zoals vervat in de posten ‘reiskosten’ en ‘verplaatste schade’) komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze schade niet door de benadeelde partij zelf is geleden;

  • -

    de benadeelde partij vordert een te hoog bedrag voor mantelzorg, althans zij had die schade moeten beperken, en nu zij dit niet heeft gedaan dient deze in zoverre voor haar eigen rekening te komen. De vordering moet in zoverre worden gematigd;

  • -

    de kosten voor de pyjama hebben geen rechtstreeks verband met het tenlastegelegde;

  • -

    de buitengerechtelijke kosten (‘medische informatie huisarts’) komen niet voor vergoeding in aanmerking nu de bewuste medische informatie niet is bijgevoegd en de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd;

  • -

    rekening houdend met de omstandigheden van het geval dient de gevorderde
    immateriële schade te worden gematigd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit de door de benadeelde partij gegeven schriftelijke onderbouwing van de post ‘reiskosten’ (bijlagen 1 t/m 3) kan worden opgemaakt dat haar zoon deze kosten ten behoeve van haar verpleging en begeleiding heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze kosten worden aangemerkt als schade in de zin van artikel 6:107, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Anders dan de raadsman heeft betoogd kan dergelijke schade in een geval als het onderhavige worden aangemerkt als door de benadeelde partij zelf geleden schade (zie HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564; ‘[zaak]’). Dit betekent dat de schadepost ‘reiskosten’ voor vergoeding in aanmerking komt.

Ten aanzien van de post ‘verplaatste schade’ ad € 31,82 is door de benadeelde partij aangevoerd dat deze bestaat uit “meerverbruik” van de mobiele telefoon van haar zoon. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – is echter onvoldoende duidelijk waarop dit meerverbruik ziet. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd en zal daarom in zoverre worden afgewezen.

Ten aanzien van de overige schadeposten is de rechtbank van oordeel dat deze

voldoende zijn onderbouwd door de benadeelde partij en uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding de vordering van de benadeelde partij te matigen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.040,64.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over voormeld bedrag toewijzen met ingang van 30 maart 2014, nu vast is komen te staan dat de schade op die dag is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 9.040,64, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24a, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

mishandeling;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderd en tachtig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 165 (honderd en vijfenzestig) DAGEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal melden bij GGZ Reclassering Palier, Johanna Westerdijkplein 40 Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], [adres 2], een bedrag van € 9.040,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 9.040,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. M.C. Bruining en mr. E.A. Lensink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Keuter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1521-2014062988 van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 126).

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 54.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 65.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 september 2014 en proces-verbaal verhoor verdachte, p. 106.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3], p. 71.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 56-57.

7 Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1], d.d. 4 september 2014, PL1521-2014062988-32, ongenummerd, verklaring van A. Manten, medisch adviseur, omtrent het letsel van [slachtoffer 1], bijlage 14 van de schriftelijke vordering van de benadeelde partij.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 september 2014.

9 Waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 5 september 2014, cd-rom met camerabeelden van 30 maart 2014 van perron 11 van het centraal station te Den Haag.