Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
C/09/469247 / KG ZA 14-809
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verstek – proceskosten 1019h Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/469247 / KG ZA 14-809

Vonnis in kort geding van 4 september 2014

in de zaak van

STICHTING VIDEMA

gevestigd te Noordeloos,

eiseres,

advocaat: mr. M.E. Kingma te Amsterdam,

tegen

[A] handelend onder de naam CAFÉ NEW JADIDA,

wonende te [woonplaats],

gedaagde, niet verschenen.

Eiseres en gedaagde zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk Videma en New Jadida.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 juli 2014,

  • -

    de door Videma overgelegde producties 1-21 en haar akte vermindering van eis,

  • -

    de mondelinge behandeling van 21 augustus 2014.

1.2.

New Jadida is niet in persoon verschenen. Ter zitting was voor hem uitsluitend een persoon aanwezig die desgevraagd heeft verklaard geen advocaat te zijn, maar wel gemachtigd te zijn het woord te voeren voor New Jadida. Gelet op artikel 255 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), dat uitdrukkelijk bepaalt dat de gedaagde niet kan worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen advocaat is, brengt dat mee dat gedaagde niet op de voorschreven wijze in het geding is verschenen. Aangezien bij de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is daarom tijdens de behandeling verstek verleend tegen New Jadida en de gemachtigde niet gehoord.

1.3.

Nadat Videma had laten weten geen minnelijke regeling te hebben kunnen bereiken met (de gemachtigde van) New Jadida is vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Voor de feiten en het gevorderde wordt verwezen naar het gestelde in de aangehechte kopie van de dagvaarding en de akte vermindering van eis.

2.2.

De rechter stelt ambtshalve vast dat hij gelet op het bepaalde in artikel 99 Rv bevoegd is omdat New Jadida woonplaats heeft te Naaldwijk.

2.3.

De vorderingen komen de rechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemaximeerd en met inachtneming van het navolgende.

2.4.

New Jadida zal als de in de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Videma vordert onder verwijzing naar artikel 1019h Rv de volledige kosten. Een vergoeding van dergelijke kosten is alleen toewijsbaar als de kosten zo tijdig zijn opgegeven en gespecificeerd dat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren (vgl. HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, Endstra). Die eis gaat niet zover dat de opgave noodzakelijkerwijs bij exploot aan een niet-verschenen wederpartij moet worden uitgebracht (Hof Den Haag 22 februari 2011, Stichting Ideëel Verzekeringen, IEPT 20110222). Naar voorlopig oordeel zal eiser wel tenminste aannemelijk moeten maken dat (i) de opgave is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de wederpartij aldaar door hem kon worden bereikt, en (ii) dat de opgave aldaar is aangekomen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104).

2.5.

Het voorgaande brengt in dit geval mee dat uitsluitend de in de betekende dagvaarding genoemde advocaatkosten (€ 1.430,36) en deurwaarderskosten (€ 476,71) in aanmerking komen voor vergoeding. Ten aanzien van de overige kosten kan, gelet op het overgelegde afschriften van correspondentie, wel worden aangenomen dat een opgave van die kosten per post en e-mail naar een adres van New Jadida is verzonden, maar is niet aannemelijk gemaakt dat de opgave daar daadwerkelijk is aangekomen. De kosten zullen daarom worden begroot op € 1.907,07 (€ 1.430,36 + € 476,71), vermeerderd met het griffierecht van € 282,-, dus in totaal op € 2.189,07.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

beveelt New Jadida om met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden iedere openbaarmaking van een door Videma vertegenwoordigd filmwerk of een gedeelte daarvan, meer in het bijzonder de openbaarmaking door middel van vertoning van een televisie-uitzending van dat filmwerk of een gedeelte daarvan, zonder dat daarvoor toestemming is verkregen van Videma of de rechthebbende(n) op het betreffende filmwerk;

• Onder ‘een door Videma vertegenwoordigd filmwerk’ wordt hier verstaan een filmwerk als bedoeld in artikel 10 lid 1 sub 10 Auteurswet met betrekking waartoe de rechthebbende Videma gemachtigd heeft om in eigen naam aan derden licenties te verlenen voor vertoning en doorgifte;

• Onder ‘vertoning’ wordt verstaan de openbaarmaking van het filmwerk door middel van de vertoning van een uitzending van het filmwerk in voor het publiek toegankelijke ruimten, gelijktijdig met en door middel van de ontvangst van een uitzending van dat filmwerk via de ether, kabel, satelliet of anderszins;

• Onder ‘rechthebbende’ wordt verstaan de (rechts)persoon die bevoegd is tot uitoefening in Nederland van de auteursrechtelijke bevoegdheid tot doorgifte respectievelijk vertoning van het filmwerk;

3.2.

veroordeelt New Jadida tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat New Jadida in gebreke is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan het onder 3.1 gegeven bevel, met een maximum van € 10.000,-;

3.3.

veroordeelt New Jadida om als voorschot op de door Videma en de bij Videma aangesloten rechthebbenden geleden schade als gevolg van de vertoning van televisieprogramma’s te voldoen een bedrag van € 254,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

3.4.

veroordeelt New Jadida in de proceskosten, aan de zijde van Videma tot op heden begroot op € 2.189,07;

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

bepaalt de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv op zes maanden na betekening van dit vonnis;

3.7.

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Blok en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2014.