Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11546

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
AWB 14/18479
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Somalië, Al-Shabaab spionage, discrepantie tussen ambtsbericht en WBV 2014/6, toewijzing vovo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 14/18479 (verzoek)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 augustus 2014

in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Somalische nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. drs. M.J. Verwers),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

(onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van

4 augustus 2014 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Zevenaar.

Verzoeker heeft daartegen op 7 augustus 2014 beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 7 augustus 2014 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van

22 augustus 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.T. Krabbenborg.

De beoordeling

1.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.

Verzoeker heeft eerder, op 15 oktober 2009 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 28 mei 2010, aangevuld bij besluit van 21 augustus 2012, afgewezen. Bij uitspraak van rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 23 januari 2013 is het door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Bij uitspraak van 11 november 2013 van de Afdeling is deze uitspraak bevestigd.

Het besluit van 6 augustus 2014 is van gelijke strekking als het eerdere besluit, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voornoemd beoordelingskader van toepassing is.

3.

De vorige aanvraag van verzoeker is afgewezen, omdat zijn verklaringen over de bedreigingen van de zijde van de Al-Shabaab wegens zijn werkzaamheden voor de internationale hulporganisatie COOPI niet positief overtuigden en het asielrelaas daarom ongeloofwaardig is geacht. De door eiser aangevoerde omstandigheden, namelijk zijn verblijf in Nederland, de verrichte werkzaamheden voor een westerse NGO en de ideologie van Al-Shabaab, waren onvoldoende voor de conclusie dat hij bij terugkeer door Al-Shabaab als verwesterd zou worden aangemerkt en om die reden bij terugkeer een reëel risico op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) strijdige behandeling zou lopen.

4.

Verzoeker heeft aan zijn huidige (herhaalde) aanvraag ten grondslag gelegd dat

de veiligheidssituatie in Zuid- en Centraal-Somalië zodanig slecht is dat terugkeer in

Somalië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verzoeker vreest dat hij bij terugkeer

door Al-Shabaab als spion wordt aangemerkt en dat hij van zijn clan geen bescherming

kan verwachten. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat er een discrepantie bestaat tussen het Algemeen ambtsbericht inzake Somalië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: ambtsbericht) van december 2013 en het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: WBV) 2014/6. Voorts heeft verzoeker, met verwijzing naar een brief van Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland van 22 mei 2014, aangevoerd dat de Al-Shabaab nog steeds aan de macht is in zijn herkomstgebied (Diinsoor) en dat hij als aandachtsgroep onder het WBV 2014/6 valt omdat hij voor een internationale organisatie heeft gewerkt. Ook staat volgens verzoeker vast dat hij deel uit maakt van een clan die in Diinsoor een minderheid vormt. Tot slot heeft hij aangevoerd dat zijn broer zich heeft aangesloten bij Al-Shabaab en dat hij van hem heeft gehoord dat hij als afvallige wordt gezien.

5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het ambtsbericht de volgende passage is opgenomen;

Vrees voor spionage

Uit het westen terugkerende Somaliërs mijden over het algemeen gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab, zelfs als hun clan daar vandaan komt. Terugkeerders lopen het risico er van te worden verdacht te spioneren voor de SFG of aan de SFG gelieerde troepen. In de verslagperiode is de houding van Al-Shabaab ten opzichte van vermeende spionnen verder verscherpt. Volgens bronnen worden teruggekeerde Somaliërs per definitie als verdacht beschouwd door Al-Shabaab (inclusief personen uit de diaspora), evenals personen met een westers paspoort of personen die niet behoren tot de in een gebied overheersende clan. In de verslagperiode waren er berichten dat Al-Shabaab mannen executeerde op verdenking van spionage. Zo werden op 6 juni in Barawe twee mannen door een vuurpeloton geëxecuteerd, nadat ze er door Al-Shabaab van waren beschuldigd te spioneren voor de SFG en AMISOM.

6.

In aanmerking genomen dat uit deze passage volgt dat de houding van Al-Shabaab ten opzichte van vermeende spionnen verder is verscherpt en dat volgens bronnen alle teruggekeerde Somaliërs per definitie als verdacht worden beschouwd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een nieuwe omstandigheid die een rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit rechtvaardigt.

7.

In WBV 2014/6 is in dit verband opgenomen;

Aandachtsgroepen

De hieronder genoemde groepen staan in de negatieve aandacht van Al- Shabaab en zijn aangewezen als aandachtsgroep:

•(…)

• vreemdelingen die op basis van individuele omstandigheden (die meer inhouden dan enkel de terugkeer uit het westen) er door Al-Shabaab van worden verdacht te spioneren voor de overheid.

Vreemdelingen behorende tot een aandachtsgroep kunnen, mede gelet op de omstandigheid dat zij op basis van hun terugkeer uit het westen in de negatieve aandacht van de zijde van Al Shabaab kunnen komen te staan, op basis van geringe indicaties in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw indien de herkomst geloofwaardig is en zij afkomstig zijn uit:

• delen van Zuid- en Centraal-Somalië die onder controle staan van Al-Shabaab; of,

• overige delen van Zuid- en Centraal- Somalië (exclusief Mogadishu) waar Al-Shabaab op basis van hun aanwezigheid en invloed een reële bedreiging vormen.

Ook gebieden waarover onvoldoende actuele informatie beschikbaar is, maar een bestendige invloedrijke rol van Al-Shabaab aannemelijk is, moeten hiertoe worden gerekend.

Bij het beoordelen van het individuele risico in het herkomstgebied en tijdens de reis daar naar toe betrekt de IND in ieder geval:

• de clanafkomst in relatie tot de positie van de clan in het gebied;

• de banden met- en de situatie van de familieleden;

• de duur van verblijf in het westen.

Er is sprake van een individuele toets waarbij de asielzoeker aannemelijk moet maken dat hij behoort tot een dergelijke groep én dat hij persoonlijk in die hoedanigheid risico’s loopt van de zijde van Al-Shabaab.

Voor leden van de aandachtsgroepen die terugkeren naar Mogadishu geldt in het licht van de positie van terugkeerders aldaar dat indicaties van geringe aard niet volstaan. De IND beoordeelt op basis van het algemene toetsingkader of de individuele omstandigheden van de vreemdeling tot inwilliging van de aanvraag leiden.

8.

Door verzoeker is onder verwijzing naar een aantal uitspraken van zittingsplaatsen van deze rechtbank betoogd dat verweerder ten onrechte eist dat hij middels individuele omstandigheden, die meer inhouden dan enkel de terugkeer uit het westen, aannemelijk maakt er door Al-Shabaab van te worden verdacht te spioneren voor de overheid. Uit het ambtsbericht en andere door hem overgelegde informatie volgt volgens hem dat uit het westen teruggekeerde Somaliërs per definitie als verdacht worden beschouwd.

9.

De vraag of verweerder in het licht van het ambtsbericht en de andere door verzoeker aangehaalde bronnen tot het in WBV 2014/6 neergelegde beleid heeft kunnen komen leent zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beoordeling in deze procedure. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen.

10.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 974 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- verbiedt de uitzetting van verzoeker tot op het beroep is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 974.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 29 augustus 2014.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.