Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11525

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
AWB 14/6049 en 14/6050
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben een beroep gedaan op de ‘Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (de Kinderpardonregeling). Zij voldoen echter niet aan de daarin gestelde voorwaarden. Eisers hebben tevens een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). De relatie tussen de ouders van eisers is zeer gebrouilleerd. Eisers verblijven op verzoek van Bureau Jeugdzorg sinds december 2012 bij hun vader, terwijl hun moeder het formele gezag heeft. Gedwongen terugkeer naar Ghana brengt met zich dat eisers worden gescheiden van hun vader. Dat de vader van eisers in Ghana via de familiekamer kan proberen het formele gezag te verkrijgen, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Gelet op deze omstandigheden van het geval heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat verblijfsweigering niet leidt tot een schending van het gezinsleven van eisers in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/6049 (beroep)

AWB 14/6050 (voorlopige voorziening)

V-nr: [volgnummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 8 augustus 2014 in de zaak tussen

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004,

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2], eisers en verzoekers (hierna gezamenlijk: eisers)

[naam], geboren op [geboortedatum 3] 1970, eiseres en verzoekster (hierna: de moeder)

allen van Ghanese nationaliteit,

(gemachtigde: mr. E.M.M. Wantenaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 30 mei 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 februari 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 11 maart 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers en de moeder ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting van eisers te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig E.O. Tackey, tolk in de taal Pidgin Engels. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1 De rechtbank stelt vast dat de moeder van eisers in 1987 of 1988 in Ghana traditioneel is getrouwd met [naam 1](de vader). Zij is in 2002 Nederland ingereisd.

De vader is al eerder, op onbekend gebleven datum, Nederland ingereisd. De vader en de moeder zijn nog wel getrouwd, maar leven gescheiden van elkaar. De vader en de moeder hebben drie kinderen gekregen (eisers), die de vader niet heeft erkend. Het formele gezag over de kinderen ligt bij de moeder. De vader heeft een verblijfsrecht in Nederland. De kinderen verblijven sinds december 2012 op verzoek van Bureau Jeugdzorg bij hun vader. Zij gaan in de weekenden naar hun moeder en verblijven daar van vrijdagavond tot zondagavond. Er is sprake van gezinsleven tussen de kinderen onderling, tussen de kinderen en hun vader en tussen de kinderen en hun moeder.


1.2 Tussen partijen is niet in geschil dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van de ‘Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (Kinderpardonregeling), nu geen van hen kan worden aangemerkt als hoofdpersoon in de zin van de Kinderpardonregeling die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en na die aanvraag ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven.

2.

Eisers en de moeder voeren aan dat het onderscheid dat de Kinderpardonregeling maakt tussen aanvragers die in het verleden zonder succes een asielprocedure hebben doorlopen enerzijds en personen die dat niet hebben gedaan anderzijds niet gerechtvaardigd is in het licht van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).

3.1

Allereerst is de vraag aan de orde of in een geval als het onderhavige artikel 14 van het EVRM kan worden ingeroepen. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest Botta tegen Italië van 24 februari 1998, 153/1996/772/973) vormt artikel 14 van het EVRM een aanvulling op de overige inhoudelijke bepalingen van het EVRM en is dit artikel slechts van toepassing in verband met de uitoefening van rechten en vrijheden zoals beschermd door die bepalingen. In dit geval hebben eisers betoogd dat het onderscheid dat wordt gemaakt in de Kinderpardonregeling met zich brengt dat aan hen geen verblijfsvergunning wordt verleend, waardoor zij hun privéleven niet in Nederland kunnen blijven uitoefenen. Gelet hierop valt het beroep van eisers naar het oordeel van de rechtbank binnen de werkingssfeer van artikel 8 van het EVRM, zodat artikel 14 van het EVRM van toepassing is.

3.2

Onder verwijzing naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:6012), 5 juni 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:7404) en 20 juni 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:8460) is de rechtbank van oordeel dat uit de jurisprudentie van het EHRM niet kan worden afgeleid dat in een geval als het onderhavige de ‘very weighty reasons’-toets van toepassing is. Verweerder heeft een zekere mate van beoordelingsvrijheid.

3.3

Vervolgens is de vraag aan de orde of het onderscheid dat verweerder maakt, gegeven de hierboven geschetste beoordelingsmarge, gerechtvaardigd is te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het gemaakte onderscheid. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de voornoemde uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2014. In hetgeen eisers en de moeder hierover (uitgebreid) hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van deze uitspraak. Evenmin is gebleken dat het maken van het onderscheid tussen kinderen met een asielachtergrond en kinderen met een reguliere achtergrond in het specifieke geval van eisers disproportioneel zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de omstandigheden van dit geval niet maken dat het gemaakte onderscheid in dit geval disproportioneel is.

4.

Eisers hebben aangevoerd dat de verblijfsweigering in strijd is met hun recht op gezinsleven. Gelet op het bepaalde in artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, in samenhang gelezen met artikel 3.17, aanhef en onder c, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en afgezet tegen de inhoud van het bestreden besluit en het verweerschrift, is de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat verweerder ambtshalve heeft getoetst of eisers op grond van hun gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning, nu verblijfsweigering zou leiden tot een schending van dat recht. Hoewel in deze zaak reeds vaststaat dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van de Kinderpardonregeling, ziet de rechtbank daarom niettemin aanleiding deze beroepsgrond in haar beoordeling te betrekken.

5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM niet noopt tot verblijfsaanvaarding. Daarbij heeft verweerder, samengevat, overwogen dat niet gebleken is dat de vader van eisers niet mee kan naar Ghana, dat de verstoorde verhoudingen tussen de ouders van eisers in Ghana (bij de familiekamer) kunnen worden beslecht en dat niet gebleken is van objectieve belemmeringen.

5.2

Volgens eisers is verblijfsweigering in strijd met hun recht op gezinsleven, omdat de relatie tussen de vader en de moeder zeer gebrouilleerd is. Voorts hebben zij erop gewezen dat zij op verzoek van Bureau Jeugdzorg sinds december 2012 bij hun vader verblijven. De vader heeft op dit moment niet formeel maar wel feitelijk het gezag. Tevens van belang is dat gedwongen vertrek naar Ghana betekent dat zij niet langer door hun vader verzorgd zullen worden, omdat hun moeder het formele gezag heeft. Ten slotte, zo betogen eisers, betreft het standpunt van verweerder dat vader in Ghana via de familiekamer kan proberen het gezag te verkrijgen, een onzekere toekomstige gebeurtenis.

5.3.

De rechtbank dient bij de beoordeling van deze beroepsgrond te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van eisers bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend dient te zijn.

5.4

De vraag of sprake is van een objectieve belemmering is slechts één van de aspecten die bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een rol (kunnen) spelen. Ook als er geen sprake is van een objectieve belemmering, kan het belang van de vreemdeling zwaarder wegen en is verweerder gehouden een belangenafweging te maken. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) volgt dat ook rekening gehouden moet worden met andere (niet objectieve) beletselen die zich voordoen als van het hele gezin gevraagd wordt zich elders te vestigen.

5.5

Gelet op de door eisers en de moeder aangevoerde specifieke omstandigheden van het geval, zoals weergegeven onder 5.2, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor de moeilijkheden en beletselen die verblijfsverplaatsing naar Ghana voor de vader van eisers met zich brengt. Deze raken eisers direct in hun belangen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de relatie tussen de ouders is gebrouilleerd, de kinderen feitelijk bij de vader verblijven en dat dit gebeurt op advies van Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg acht het kennelijk in het belang van eisers dat zij bij hun vader verblijven. Als eisers met de moeder Nederland moeten verlaten, is het aannemelijk dat dit feitelijk ertoe zal leiden dat de kinderen van de vader worden gescheiden. De vader maakt immers geen onderdeel uit van het gezin van de moeder en heeft juridisch niet het gezag over de kinderen. Weliswaar heeft verweerder erop gewezen dat de vader via de familiekamer in Ghana kan proberen om gezag en omgang te regelen, maar de uitkomst hiervan is een onzekere toekomstige gebeurtenis. De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder gelet op deze omstandigheden onvoldoende heeft gemotiveerd dat verblijfsweigering niet leidt tot een schending van het gezinsleven van eisers in de zin van artikel 8 van het EVRM. De door verweerder op dit punt aangelegde toetsing kan dan ook geen stand houden. De beroepsgrond slaagt.

6.

Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld behoeven de overige aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.

7.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen grond voor finale geschilbeslechting, gezien de door verweerder nieuw te maken belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en de enigszins terughoudende toetsing die de rechtbank in dat kader dient te verrichten. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

8.

De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op dat beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers en de moeder het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers en de moeder gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers en de moeder een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de vergoeding van de proceskosten betalen aan de rechtsbijstandverlener van eisers en de moeder.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/6049,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/6050,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 330,-- (zegge: driehonderddertig euro) aan eisers en de moeder te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,-- (zegge: duizendvierhonderdenéénenzestig euro), te betalen aan de bijstandsverlener van eisers en de moeder.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. Leenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: GL

Coll.: MdJ

D: B

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.