Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
09/818329-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 60-jarige inwoner van de Haagse buurt Duindorp voor het zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen vanwege hun ras. Hij krijgt hiervoor een taakstraf van dertig uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/818329-14

Datum uitspraak: 17 september 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1953 te[woonplaats],

adres:[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 september 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.A.W. Knoester, advocaat te
’s-Gravenhage, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2014 te Den Haag, zich in het openbaar, namelijk op straat voor de TV camera van TV West en/of tijdens een interview met TV West, mondeling en/of bij afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een donkere althans niet blanke huidskleur en/of niet-Westerse allochtonen en/of Afrikanen en/of negroïde personen en/of Arabieren althans Noord-Afrikanen en/of Moslims, wegens hun ras en/of godsdienst, door voor hiervoor genoemde TV Camera en/of tijdens genoemd interview opzettelijk beledigend de volgende uitlating(en) te doen:

[verdachte]: 'In de [b-straat] stonden vier huizen leeg, en wat komt er allemaal? Alle nationaliteiten behalve een blanke.'

Vrouw: 'Je hebt gelijk.'

[verdachte]: 'En wat hebben de jongens, wat hebben de mensen gedaan in de [b-straat]? Alle vier de huizen de ramen in gedonderd. Optreden. Wegwezen.

(...)

[verdachte]

(...)

TV West: 'maar u keurt het niet af?'

[verdachte]: 'nee, ik juich het juist toe."

TV West: 'dat ze ramen ingooien?'

[verdachte]: 'als er zo'n klapperaap komt wel. Komt er een blanke, doe ik helemaal niets. Juich ik het niet toe ook. Maar zodra er een boerka komt met een kameel. Gooi in. Wegwezen. Opruimen.'

3. Bewijsoverwegingen1

3.1.

Inleiding

In een nieuwsuitzending van TV West op 18 april 2014 om 10.00 uur was een item met als titel ‘Allochtonen weggejaagd uit Duindorp’ opgenomen, waarin allereerst een man en vrouw met elkaar in gesprek zijn en vervolgens dezelfde man wordt geïnterviewd door TV West. De opname vond plaats op 17 april 20142 in de [a-straat] te ’s-Gravenhage3. Het gesprek en het interview verliepen als volgt:4

Man: “In de [b-straat] stonden vier huizen leeg, en wat komt er allemaal? Alle nationaliteiten behalve een blanke.”

Vrouw: “Je hebt gelijk.”

Man: “En wat hebben de jongens, wat hebben de mensen gedaan in de [b-straat]? Alle vier de huizen de ramen in gedonderd. Optreden. Wegwezen.”

Vrouw: “Maar zo zeg jij dat.”

Man: “Zo zeg ik het.”

Vrouw: “Maar ik niet. Mensen moeten ook wonen. Waar moet het dan? Wat hebben we dan?”

Man: “Dan gaan ze terug naar hun eigen land.”

(…)

Reporter TV West: “Maar u keurt het niet af?”

Man: “Nee. Ik juich het juist toe.”

Reporter TV West: “Dat ze ramen ingooien?”

Man: “Als er zo'n klapperaap komt wel. Komt er een blanke, doe ik helemaal niets. Juich ik het niet toe ook. Maar zodra er een boerka komt met een kameel. Gooi in. Wegwezen. Opruimen.”

Verdachte heeft bekend dat hij de man is die de hiervoor weergegeven uitlatingen op straat voor de camera van TV West heeft gedaan.5

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte door het doen van deze uitlatingen zich in het openbaar, mondeling en/of bij afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het bestanddeel ‘bij afbeelding’ en heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit voor het overige wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Naar de mening van de raadsman hebben de uitlatingen van verdachte niet de aard van een groepsbelediging, nu verdachte geen expliciete scheldwoorden heeft gebruikt en de gebezigde woorden onvoldoende betrekking hebben op een specifieke groep. Daarnaast zijn de uitlatingen gedaan in de context van een maatschappelijk debat, zodat deze vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Volgens de raadsman zijn de strafrechtelijke grenzen van wat in het maatschappelijk debat onder het mom van vrijheid van meningsuiting wordt toegestaan in de afgelopen jaren opgerekt. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de zaak Wilders uit 2011 en tevens een bloemlezing van uitspraken van deze politicus gegeven.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

In het openbaar

De rechtbank overweegt dat verdachte zijn uitlatingen heeft gedaan terwijl hij op de openbare weg stond. Daar komt bij dat er op dat moment een camera op hem was gericht en dat hij werd geïnterviewd door een journalist van TV West. Hierdoor moet verdachte zich ervan bewust zijn geweest dat de beelden zouden kunnen worden uitgezonden waardoor zijn uitlatingen ter kennis van het grote publiek zouden komen, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Verdachte heeft na de opnames geen poging gedaan om te voorkomen dat de gewraakte uitlatingen op een later tijdstip zouden worden uitgezonden. Derhalve acht de rechtbank het bestanddeel ‘in het openbaar” bewezen.

3.4.2

Mondeling en/of bij afbeelding

Uit het voorgaande volgt dat verdachte de uitlatingen mondeling heeft gedaan en niet bij afbeelding, zodat verdachte van dat laatste bestanddeel zal worden vrijgesproken.

3.4.3

Beledigend

De rechtbank beoordeelt de vraag of het bestanddeel ‘beledigend’ als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht kan worden bewezen aan de hand van de lijnen die de Hoge Raad heeft uitgezet en bevestigd in arresten van 9 januari 2001 (NJ 2001, 203 en NJ 2001, 204) en 14 januari 2003 (NJ 2003, 261). Het toetsingskader betreft een driestappenmodel:

- in de eerste stap wordt beoordeeld of de betreffende uitlating op zich genomen beledigend is voor een groep mensen;

- in de tweede stap wordt beoordeeld of, beschouwd in haar context, de uitlating van betekenis is voor een maatschappelijk debat, waardoor het beledigende karakter kan wegvallen;

- in de derde stap wordt beoordeeld of de uitlating niet onnodig grievend is, in welk geval de uitlating alsnog als ‘beledigend’ kan worden aangemerkt.

Stap 1

De rechtbank is van oordeel dat de woorden “klapperaap” en “boerka met een kameel” beledigend zijn. Het moge zo zijn dat verdachte ook zijn kennissen wel eens met “klapperaap” aanspreekt, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, maar gelet op de context van het gesprek en het interview doelde verdachte hiermee in dit geval op een persoon met een niet-blanke huidskleur. Hij heeft immers ook gezegd dat hij het ingooien van ramen toejuicht als er een “klapperaap” komt, terwijl hij dat niet toejuicht als er een “blanke” komt. In het verlengde hiervan staat de woordcombinatie “boerka met een kameel”. Hoewel deze woorden op zichzelf beschouwd niet beledigend zijn, krijgen ze in de context van de voorgaande uitlatingen een denigrerende bijklank en daarmee een beledigend karakter.

De woorden zijn bovendien, anders dan de raadsman heeft betoogd, beledigend voor een voor een specifieke groep personen. De term “klapperaap” is, zoals hiervoor overwogen, gericht op personen met een niet-blanke huidskleur, terwijl “boerka met kameel” kan gelden als aanduiding voor niet-westerse allochtonen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze aanduiding “boerka met een kameel” niet zozeer is gericht op dragers van een boerka vanwege hun geloofsovertuiging maar vanwege hun (veronderstelde) ras. Dat wordt bevestigd door de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, waarin hij “mensen met een boerka” en een “klapperaap” allen aanduidt als “bruine mensen”.6

Stap 2

De rechtbank beantwoordt de vraag of de uitlatingen van verdachte dienstig waren voor of bijdroegen aan enig maatschappelijk debat, ontkennend. Weliswaar heeft verdachte zijn uitlatingen gedaan tegen de achtergrond van de onrust die op dat moment in Duindorp heerste vanwege het toewijzingsbeleid van woningen door Vestia, maar de uitlatingen van verdachte kunnen niet worden aangemerkt als dienstig aan het debat daarover. De omstandigheid dat verdachte - zoals de raadsman heeft gesteld - geen academicus is en in zijn woordkeuze mogelijk beïnvloed is door de toon die bepaalde politici in het publieke debat aanslaan, wat daarvan ook zij, maakt dat niet anders. Niet valt in te zien hoe verdachte, die geen politicus is, met dergelijke beledigende uitlatingen een bijdrage aan het maatschappelijk debat leverde, mede in aanmerking genomen dat hij de beledigingen gepaard liet gaan met de opmerking dat hij het toejuicht als de ramen van de door hem aangeduide groep personen worden ingegooid.

Nu de uitlatingen van verdachte niet van betekenis waren voor een maatschappelijk debat, komt verdachte geen beroep op de vrijheid van meningsuiting toe en valt het beledigende karakter van de uitlatingen niet weg.

Stap 3

Nu de rechtbank van oordeel is dat de onderhavige uitlatingen niet in de context van een maatschappelijk debat zijn gedaan, kan de vraag of die uitlatingen - niettemin - onnodig grievend waren, onbesproken blijven.

3.4.4

Conclusie

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over mensen met een niet-blanke huidskleur en niet-westerse allochtonen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij omstreeks 18 april 2014 te Den Haag zich in het openbaar, namelijk op straat voor de tv-camera van TV West, mondeling opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een niet-blanke huidskleur en niet-westerse allochtonen, wegens hun ras, door voor hiervoor genoemde tv-camera opzettelijk beledigend de volgende uitlatingen te doen:

  • -

    “In de [b-straat] stonden vier huizen leeg, en wat komt er allemaal? Alle nationaliteiten behalve een blanke.”

  • -

    “En wat hebben de jongens, wat hebben de mensen gedaan in de [b-straat]? Alle vier de huizen de ramen in gedonderd. Optreden. Wegwezen.”

  • -

    “Ik juich het juist toe.”

  • -

    “Als er zo’n klapperaap komt wel. Komt er een blanke, doe ik helemaal niets. Juich ik het niet toe ook. Maar zodra er een boerka komt met een kameel. Gooi in. Wegwezen. Opruimen.”

De rechtbank heeft type- en taalfouten in de tenlastelegging verbeterd, zonder verdachte in zijn verdediging te schaden.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in het openbaar beledigen van een groep mensen. Op straat en voor het oog van een tv-camera heeft hij zich zeer denigrerend uitgelaten over mensen met een andere huidskleur dan hijzelf. Die woorden heeft hij nog eens kracht bij gezet door te zeggen dat hij het ingooien van ruiten bij deze mensen, dat voor veel maatschappelijke onrust zorgde, toejuicht.

Uit de aangifte die naar aanleiding van de tv-uitzending is gedaan, blijkt dat mensen zich door zulke uitlatingen gediscrimineerd en beledigd voelen. Precies die gevoelens van aantasting in de eigenwaarde heeft de wetgever willen beschermen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder ogen gezien dat de gewraakte uitlatingen van verdachte, hoe kwalijk ook, tot op zekere hoogte kunnen worden gezien als een (te) heftige emotionele reactie. Voorts geldt dat verdachte, blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 augustus 2014, niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat hij heeft laten zien onder de indruk te zijn van de strafrechtelijke vervolging die tegen hem is ingesteld.

Alles afwegend en rekening houdend met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 30 (dertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 15 (vijftien) DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.L. Ruiter, voorzitter,

mrs. J.J.M. Gielen-Winkster en S.M. Krans, rechters

in tegenwoordigheid van mr. B. d’Arnaud Gerkens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014077374, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 29).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 24.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 20.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-23.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 september 2014.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 28.