Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11465

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
AWB-12_10891
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:4374, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit het beheer van, de handel in en exploitatie van onroerende zaken. Ambtshalve aanslag IB/PVV 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.642.113, alsmede ambtshalve aanslag bijdrage Zvw 2008 naar een bijdrage-inkomen van € 31.231. Niet aannemelijk dat eiser niet alle stukken van het geding heeft ontvangen. Rechtbank wijst het getuigenaanbod af. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Geen redelijke schatting. Rechtbank stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 970.776. Met toepassing van interne compensatie stelt de rechtbank het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vast op

€ 376.000, waarvan de helft aan eiser wordt toegerekend. Het bijdrage-inkomen voor de Zvw wijzigt niet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 8, geldigheid: 2014-11-10
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2014-11-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0084
V-N Vandaag 2015/64
V-N 2015/15.3.1
Daal annotatie in NTFR 2015/760

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/10891

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. De aanslag IB is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.642.113. De aanslag Zvw is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 31.231. Tevens is bij het opleggen van de aanslag Zvw bij afzonderlijke beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslagen en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013.

Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A], [B] en [C].

Ter zitting is tevens behandeld het beroep van eisers echtgenote inzake de aan haar opgelegde aanslag IB 2008 (zaaknummer 12/10888).

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen te reageren op de stukken van verweerder. Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Eiser is vervolgens uitgenodigd voor een nader onderzoek ter zitting op 15 april 2014. Deze zitting is op 15 april 2014 verdaagd wegens een plotselinge ziekenhuisopname van eiser.


Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014.

Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A], [B] en [C].

Op de zitting zijn tevens behandeld het beroep van eiser inzake de aanslag IB 2009 (zaaknummer 13/10534) en de beroepen van eisers echtgenote tegen de aan haar opgelegde aanslagen IB 2008 en IB 2009 (zaaknummers 12/10888 en 13/10536).

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser en zijn echtgenote zijn betrokken bij het beheer van, de handel in en de exploitatie van onroerende zaken.

2.

Eiser is op of omstreeks 28 februari 2009 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB en Zvw voor het belastingjaar 2008. Met dagtekening 25 oktober 2010 is aan hem een herinnering tot het doen van aangifte gestuurd en met dagtekening
1 december 2010 is een aanmaning verzonden. Eiser heeft, ook na de aanmaning, geen aangifte ingediend.

3.

Met dagtekening 30 november 2011 zijn aan eiser ambtshalve de bovengenoemde aanslagen opgelegd. Bij brief van 9 januari 2012 heeft eiser tegen deze aanslagen en de beschikking heffingsrente bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij de bestreden uitspraak ongegrond verklaard is.

4.

Op 10 januari 2012 zijn eiser en zijn echtgenote aangehouden op verdenking van onder andere witwassen, valsheid in geschrifte, gebruik van valse geschriften en oplichting, tezamen en in vereniging met anderen. Die “anderen” betreffen de echtgenote alsmede een of meer kinderen van eiser.

5.

Voorts zijn op 10 januari 2012 huiszoekingen gehouden in diverse panden. Hierbij is een grote hoeveelheid administratieve bescheiden in beslag genomen, waarvan eiser stelt dat het zijn administratie is.

6.

Naar aanleiding van het politieonderzoek is het vermoeden ontstaan dat eiser en zijn echtgenote voor hun activiteiten gebruik hebben gemaakt van stromannen. Tijdens de huiszoekingen zijn 47 volmachten aangetroffen. Deze volmachten zijn onder andere gebruikt voor de aan- en verkoop van panden. Ook zijn diverse bankbescheiden aangetroffen die niet op naam staan van eiser of zijn familie, maar waaruit blijkt dat eiser en/of zijn familieleden gemachtigd zijn. Voorts zijn diverse koopovereenkomsten aangetroffen alsmede huurovereenkomsten op naam van derden, sleutels met bijbehorende adreslabels en kwitantieboekjes met betrekking tot ontvangen huren.

7.

Tot de gedingstukken behoort een memo van 15 april 2013, opgesteld door ambtenaren van de Belastingdienst. Dit memo is geschreven om het minimuminkomen van eiser, zijn echtgenote en hun drie kinderen, in het memo aangeduid als [eiser] c.s., in 2008 vast te stellen. Om de inkomenspositie te bepalen is gebruik gemaakt van onder meer de volgende bij de huiszoekingen aangetroffen bescheiden:

- kwitantieboekjes;

- huurovereenkomsten;

- koopovereenkomsten;

- uitgeschreven nota’s;

- sleutels met bijbehorende labels waarop adressen staan;

- brieven.

De gegevens uit de systemen van de Belastingdienst zijn gebruikt om de aangetroffen informatie aan te vullen.

8.

Aan de hand van voormelde stukken en informatie hebben controleurs van de Belastingdienst het minimuminkomen uit werk en woning en het minimuminkomen uit sparen en beleggen van eiser c.s. voor 2008 als volgt berekend:

Inkomen uit verhuur : € 366.785

Inkomen uit verkoop : € 270.380

Inkomen uit bemiddeling : € 259.200

Inkomen uit werk en woning : € 896.365

Inkomen uit sparen en beleggen : € 376.000

Geschil
9. In geschil is of de aanslagen en de beschikking heffingsrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

10.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslagen en de beschikking heffingsrente te hoog zijn vastgesteld. Hij concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de aanslagen en de beschikking heffingsrente.

11.

Verweerder neemt primair het standpunt in dat zowel het box 1-inkomen als het box 3-inkomen te laag zijn vastgesteld. Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat het box 1-inkomen tot een juist bedrag is vastgesteld en dat het box 3-inkomen te laag is vastgesteld. Meer subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat de aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. Hierbij doet verweerder een beroep op interne compensatie tussen het box 1-inkomen en het box 3-inkomen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

12.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Stukken van het geding

13.

Op 14 februari 2013 heeft verweerder een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken met betrekking tot de aanslag IB 2008 ingediend. Deze stukken zijn op 15 februari 2013 in afschrift aan eiser toegezonden. Eiser heeft ter zitting erkend deze stukken te hebben ontvangen. Vervolgens heeft verweerder op 2 mei 2013 het verweerschrift inzake de aanslag IB 2008 ingediend, alsmede vijf ordners met bijlagen. Deze stukken zijn volgens het postregistratiesysteem van de rechtbank op 3 mei 2013 in afschrift aan eiser toegezonden. Met betrekking tot het beroep inzake de aanslag IB 2009 heeft verweerder op 18 april 2014 het verweerschrift en een aantal bijlagen ingediend. Deze zijn op 22 april 2014 in afschrift aan eiser toegezonden. Op 1 mei 2014 heeft verweerder voor het beroep inzake de aanslag IB 2009 eveneens vijf orders met bijlagen ingediend. Het betreft nagenoeg dezelfde bijlagen als voor het jaar 2008. Deze bijlagen zijn op 2 mei 2014 in afschrift aan eiser toegezonden.

14.

Eiser heeft eerst op de zitting van 3 juni 2014 gesteld dat hij minder stukken heeft ontvangen dan de grote stapel stukken die de voorzitter en de leden van de rechtbank voor zich hebben liggen. Hij zou slechts twee kleine pakketten met stukken (één ten name van hemzelf en één ten name van zijn echtgenote, beide verzonden door de rechtbank op 15 februari 2013) hebben ontvangen. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. De rechtbank acht niet geloofwaardig dat eiser tot twee maal toe de vijf ordners met bijlagen niet heeft ontvangen, terwijl overige stukken, waaronder de uitnodigingen voor de zittingen, wel op de door eiser opgegeven adressen Haanplein en Kepplerstraat zijn bezorgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij niet aannemelijk acht dat eiser in het ontbreken van een verweerschrift over het jaar 2008 en/of nadere stukken van het geding geen aanleiding zou hebben gezien om voorafgaand aan de zitting van 8 oktober 2013 bij de rechtbank te informeren of deze waren ingediend. Ook op de zitting van 8 oktober 2013 heeft eiser niets gezegd over de stukken, terwijl hij toen heeft kunnen zien dat de rechtbank over een omvangrijke hoeveelheid stukken beschikte in vergelijking met het bescheiden stapeltje dat hij thans stelt te hebben ontvangen. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat eiser nadien in het ontbreken van een verweerschrift over het jaar 2009 en stukken van het geding wederom geen aanleiding zou hebben gezien om bij de rechtbank daarnaar te informeren. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat eiser niet alle stukken van het geding heeft ontvangen.

Getuigenaanbod

15.

In de uitnodigingen voor de zittingen van 8 oktober 2013, 15 april 2014 en 3 juni 2014 wordt vermeld dat eiser getuigen mee mag nemen naar de zitting of op mag roepen om op de zitting te verschijnen. Eiser heeft eerst bij faxbericht van 27 mei 2014 verzocht om eenendertig getuigen te horen. Als reden voor het late moment waarop eiser dit getuigenaanbod heeft gedaan, heeft hij ter zitting van 3 juni 2014 aangevoerd dat hij zich niet eerder had gerealiseerd dat hij het bewijs door middel van getuigen zou moeten leveren, nu hij, naar hij stelt, nog niet de gehele administratie van de Officier van Justitie heeft teruggekregen.

16.

De rechtbank wijst eisers verzoek om de eenendertig getuigen te horen af. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2012, welk proces-verbaal in kopie tot de gedingstukken behoort, is de administratie reeds op 14 november 2012 aan eiser teruggegeven. In de brief van de Officier van Justitie van 24 januari 2013 wordt nog eens bevestigd dat de politie geen administratie van eiser meer in bezit heeft. De rechtbank ziet in de door eiser opgegeven reden dan ook geen aanleiding om de getuigen te horen. Mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen is er ook anderszins geen aanleiding de zaak te schorsen om eiser de gelegenheid te bieden de getuigen op te roepen voor een nadere zitting. Eiser is immers tot drie maal toe gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen en daarmee in de gelegenheid gesteld uitvoering te geven aan een bewijsaanbod. Dat eiser van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt komt voor zijn rekening, nu de zitting overigens geen nieuw licht op de zaak heeft geworpen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

17.

Vaststaat dat eiser, ook nadat hij daartoe is aangemaand, geen aangifte heeft gedaan voor de IB en Zvw voor het jaar 2008. Aldus heeft eiser niet de vereiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

18.

Nu eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, brengt het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr, mee dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het ligt dan op de weg van eiser om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Met hetgeen hij heeft aangevoerd en de door hem overgelegde stukken heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. In het beroepschrift heeft eiser slechts gesteld dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Ter zitting van 3 juni 2014 heeft eiser voorts gesteld dat er in 2008 vier, hooguit vijf transacties met onroerend goed hebben plaatsgevonden. Eiser heeft evenwel geen enkel bewijs overgelegd waaruit blijkt dat een en ander daartoe beperkt is gebleven.

Redelijke schatting

19.

De rechtbank dient nog wel te beoordelen of de aanslagen berusten op een redelijke schatting. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

20.

Eiser heeft ter zitting gesteld dat er een (aanzienlijk) familiekapitaal is en dat hij dat beheert. Eiser heeft voorts gesteld dat hij in dat kader allerlei transacties heeft verricht. Dat eiser en ook zijn echtgenote transacties hebben verricht, zoals aan- en verkoop van en bemiddeling in onroerend goed, blijkt ook uit de bij de huiszoekingen in beslag genomen bescheiden waaronder de aan eiser en zijn echtgenote verleende volmachten, de aangetroffen huurovereenkomsten, koopovereenkomsten, kwitantieboekjes en uitgeschreven nota’s. Voorts staat vast dat uit die activiteiten inkomsten voortvloeien. Het is aan eiser, die stelt dat hij het vermogen niet voor zichzelf maar voor zijn familie beheert, om deze stelling met enig bewijs te onderbouwen. Nu eiser - in het licht van wat verweerder heeft aangevoerd en ingebracht - heeft nagelaten ook maar een begin van inzicht te verschaffen in de aard en omvang van het familiekapitaal en - ondanks de inhoud van het dossier waaruit zijn verregaande betrokkenheid blijkt - evenmin inzicht heeft verschaft in de aard en omvang van zijn betrokkenheid bij de handel in en de exploitatie van de onroerende zaken en de daaruit voortvloeiende inkomsten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de inkomsten aan eiser toegerekend.

21.

De aanslag IB is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.642.113. In het memo van 15 april 2013 is het inkomen uit werk en woning van eiser c.s. berekend op € 896.365 en is het inkomen uit sparen en beleggen berekend op € 376.000. Tussen het verzamelinkomen volgens de aanslag en het verzamelinkomen volgens het memo zit een verschil van € 369.748. Verweerder heeft voor dit verschil geen afdoende verklaring kunnen geven. Verweerder is niettemin van mening dat er méér vermogen moet zijn en dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Daartoe voert hij in het verweerschrift het volgende aan:

“Nu bij de Belastingdienst een vermogen van € 9,4 miljoen bekend is, schat ik dat dit een derde is van het vermogen van [eiser]. Dus zijn totale vermogen zal zo’n 30 miljoen zijn. Gezien de wijze waarop [eiser] zijn vermogen rendabel maakt doormiddel van allerlei transacties en activiteiten rondom vastgoed, is een rendement van een 10% voor het jaar 2008 niet onredelijk. Een deel van het vermogen is naar mijn mening box-3 vermogen, een deel van het vermogen is vermogen dat rendabel wordt gemaakt op een wijze die het normale vermogensbeheer te boven gaat.”

22.

Verweerder heeft voor zijn stelling dat het totale vermogen zo’n € 30 miljoen zal zijn en dat een rendement van 10% niet onredelijk is, geen enkel bewijs bijgebracht. Nu verweerder ook anderszins geen verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen het verzamelinkomen van de aanslag IB en het verzamelinkomen zoals berekend in het memo van 15 april 2013 is de rechtbank van oordeel dat de aanslag IB niet berust op een redelijke schatting.

23.

Nu de berekening in het memo van 15 april 2013 is gebaseerd op bij de huiszoekingen in beslag genomen administratieve bescheiden zoals kwitantieboekjes, huurovereenkomsten, koopovereenkomsten en uitgeschreven nota’s zal de rechtbank voor de redelijke schatting aansluiten bij de berekening in het memo. Dit lijdt evenwel uitzondering voor zover het de berekende inkomsten uit bemiddeling bij verkoop en verhuur betreft.

24.

In het memo wordt over de inkomsten uit bemiddeling bij verkoop en verhuur het volgende vermeld:

“Uit de bescheiden blijkt dat [eiser] c.s. zich op grote schaal bezig houdt met

bemiddeling in (ver)huur dan wel aan/verkoop. Aangezien geen administratie is gevoerd, is het voor ons zeer lastig te bepalen wat de inkomsten uit bemiddeling zijn. Voor de bemiddeling in de aan/verkoop van panden bijvoorbeeld, hebben we voor de periode januari 2006 tot en met december 2011 slechts 13 zogenoemde courtagenota’s aangetroffen. Dit staat echter niet in verhouding tot de grote hoeveelheid aantekeningen die wij hebben aangetroffen in de inbeslaggenomen bescheiden welke betrekking hebben op bemiddeling. Pas de laatste jaren vanaf medio 2010 is men begonnen met het opmaken van bemiddelingsovereenkomsten. Het is echter niet na te gaan of dit voor alle bemiddelingsactiviteiten is gebeurd. Als voorbeeld voeg ik een bemiddelingsopdracht bij (bijlage 14).

Naast de bemiddeling in de aan/verkoop, heeft tevens bemiddeling in (ver)huur plaatsgevonden. Huurders verklaarden dat zij bij het sluiten van een huurovereenkomst 2 maanden huur extra betaalden. 1 maand als zijnde borg en 1 maand als bemiddelingskosten. Tussen de administratieve bescheiden zijn 143 huurcontracten aangetroffen die in 2008 zijn gesloten. 1 maand huur van deze 143 contracten samen bedraagt € 54.980. Dit bedrag kan echter ook hoger zijn. Zoals ook bij inkomsten uit verhuur opgemerkt, zijn we huurovereenkomsten tegengekomen welke niet in het overzicht van de politie zijn opgenomen. Verder is geen enkele garantie dat alle huurovereenkomsten bewaard zijn gebleven en dat er geen huurovereenkomsten zijn weggegooid. Ook valt niet uit te sluiten dat verhuurd is zonder dat een schriftelijke huurovereenkomst is opgemaakt.

Om het inkomen te bepalen met betrekking tot de bemiddelingsactiviteiten hebben we een gemiddelde berekend van de aangetroffen courtagenota’s. Het gemiddelde bedrag is € 2.160. Uitgaande van een gesteld aantal succesvolle bemiddelingen in (ver)huur dan wel verkoop van 10

per maand, komt het inkomen op een bedrag van € 259.200 (10*12*€ 2.160). Mocht ons uitgangspunt van 10 verkopen per maand te hoog blijken, dan nog is het inkomen een reële schatting omdat de huurcourtage immers al een bedrag van minimaal € 54.980 vertegenwoordigd.”

25.

Naar het oordeel van de rechtbank berust het bedrag van € 259.200 niet op een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat voor de berekening van de totale inkomsten uit bemiddeling is uitgegaan van het gemiddelde bedrag op de aangetroffen courtagenota’s van € 2.160, terwijl de bemiddelingskosten bij verhuur slechts één maand huur bedragen. Bovendien zijn voor de gehele periode januari 2006 tot en met december 2011 slechts dertien courtagenota’s aangetroffen. Niet duidelijk is of één of meerdere van deze nota’s betrekking heeft/hebben op 2008. Voor de inkomsten uit bemiddeling bij aan- en verkoop zal de rechtbank daarom aansluiten bij de verklaring van eiser ter zitting dat er in 2008 vier, hooguit vijf transacties met onroerend goed hebben plaatsgevonden. Uitgaande van een gemiddelde courtage van € 2.160 bedraagt de correctie dan 5 x € 2.160 = € 10.800. Voor de inkomsten uit bemiddeling bij (ver)huur zal de rechtbank aansluiten bij het bedrag dat is gebaseerd op de aangetroffen huurcontracten die in 2008 zijn afgesloten. De rechtbank stelt de inkomsten uit bemiddeling bij (ver)huur vast op € 54.980. Het totaalbedrag van de inkomsten uit bemiddeling bedraagt derhalve € 65.780 (€ 54.980 + € 10.800).

26.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de aanslag te hoog is vastgesteld en dient te worden verminderd tot € 702.945. De rechtbank acht het daarbij redelijk dat verweerder de correctie inkomen uit werk en woning ter behoud van rechten de facto zowel bij eiser als bij diens echtgenote voor het geheel in aanmerking heeft genomen, nu eiser noch zijn echtgenote enig inzicht heeft verschaft in de omvang of verdeling van de genoten inkomsten, terwijl aannemelijk is geworden dat zij beiden in verregaande mate bij het beheer van, de handel in en de exploitatie van onroerende zaken betrokken zijn geweest. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is te laag vastgesteld. De rechtbank stelt dit inkomen conform het memo van 15 april 2013 vast op € 376.000 (4% van 9,4 miljoen). Dit bedrag zal op grond van het bepaalde in artikel 2.17, derde lid, Wet IB 2001 voor de helft aan eiser worden toegerekend. In zoverre slaagt verweerders beroep op interne compensatie. Het bijdrage-inkomen voor de aanslag Zvw van € 31.231 wijzigt hierdoor niet. De aanslag Zvw is mitsdien niet te hoog vastgesteld.

Heffingsrente

27.

Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiser niet afzonderlijk onderbouwd. Nu bij de aanslag IB geen heffingsrente in rekening is gebracht en het bijdrage-inkomen voor de aanslag Zvw niet wijzigt, blijft de beschikking heffingsrente bij de aanslag Zvw in stand.

28.

Gelet op hetgeen de rechtbank onder 21 tot en met 26 heeft overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

29.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover het zich richt tegen de aanslag IB, gegrond;

  • -

    vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 702.945 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 188.000;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover het zich richt tegen de aanslag Zvw, ongegrond;

  • -

    handhaaft de aanslag Zvw;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, voorzitter, en mr. T.A. de Hek en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.