Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11340

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
AMS 14/14278
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewjizing verzoek Rwandese asielzoeker met ernstige psychische problemen, om hangende de bezwaarprocedure in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 niet te worden uitgezet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/14278

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 augustus 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedag] 1985, van Rwandese nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

De voorzieningenrechter acht de volgende feiten van belang.

2.1

Verzoeker is in 2000 als minderjarige asielzoeker naar Nederland gekomen vanuit Rwanda en heeft sindsdien meerdere verblijfsprocedures doorlopen. De aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel op medische gronden is door verweerder afgewezen op 14 juli 2009. Deze afwijzing is in rechte komen vast te staan bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 januari 2013 (201107268/1/V2, te vinden op www.raadvanstate.nl).

2.2

Na deze uitspraak heeft verzoeker op 4 februari 2013 een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg. Verzoekers zaak is aldaar aanhangig onder nummer 10944/13. Op 16 april 2013 heeft de fungerend president van het EHRM in het belang van partijen en een behoorlijke procesgang een interim measure op grond van artikel 39 van de Rules of Court getroffen, in die zin dat verzoeker tot nader order niet mocht worden uitgezet naar Rwanda. Daarbij zijn partijen er door de griffier op gewezen dat het niet voldoen door een verdragsluitende staat aan een maatregel als bedoeld in artikel 39 van de Rules of Court kan leiden tot een schending van artikel 34 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens heeft het EHRM na een korte uiteenzetting van de feiten in een zogeheten “statement of facts” op 16 april 2013 nadere vragen gesteld aan verweerder. Deze vragen betreffen de gezondheidstoestand van verzoeker en de behandelmogelijkheden in Rwanda en luiden als volgt:

QUESTIONS:

1.

In the light of the applicant’s claims and the documents which have been

submitted, would he face a risk of being subjected to treatment in breach

of Article 3 of the Convention if he were expelled to Rwanda?

2.

Having regard to the short and long-term consequences if the applicant

does not receive his medication and/or treatment as described in the

BMA advisory reports of 2 November 2005, 5 March 2007 and

25

February 2009, would a situation in breach of Article 3 situation arise

in case the applicant did not have access to medication and/or treatment

in Rwanda?

3.

What arrangements, if any, have been made for the applicant’s return

journey to Rwanda?

4.

What arrangements, if any, have been or will be made for the applicant

in Rwanda and in particular, for the immediate continuation of his

treatment as advised by BMA?

5a. Will the applicant continue to receive the treatment he needs in

Rwanda, having regard to the fact that according to the BMA advisory

report of 25 February 2009 only two treatment facilities are available

and that from the earlier BMA reports (2 November 2005 and 5 March

2007) it appeared that next to no therapy possibilities and no psychiatric

treatment was available in Rwanda?

5b. Were the treatment facilities referred to in the BMA advice of

25

February 2009 new?

5c. If they already existed in 2005/2007. What accounts for the difference in

the conclusions drawn?

5d. Is there a possibility of the applicant being placed in one of the facilities

against his will?

6.

Will the applicant continue to receive the medication he needs, having

regard to the fact that according to the BMA advisory report of

2 November 2005 the one type of anti-psychotic drug that was sold in

Rwanda was not always in supply and that according to the information

of SOS International en which the BMA advisory report of 25 February

2009 was based stated that medication was currently in supply

Verweerder heeft ter zitting van 19 augustus 2014 desgevraagd bevestigd dat deze vragen tot op heden niet door hem zijn beantwoord.

2.3

Verweerder heeft naar aanleiding van deze vragen van het EHRM het Bureau Medische Advisering (BMA) (wederom) verzocht advies uit te brengen. Uit het BMA-advies van 22 augustus 2013 blijkt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het volgende:

“Betrokkene is bekend met schizofrenie van het paranoïde type. Sinds de vorige beoordeling is de behandeling niet continue voortgezet als gevolg van verhuizingen en overplaatsingen. Recent is betrokkene opnieuw aangemeld omdat zijn klachten en gedrag leidden tot overlast voor derden. Ook verzorgde betrokkene zichzelf slecht, viel hij af. De behandelaar beschrijft nu een situatie die niet stabiel is. (…) Betrokkene wordt weer ingesteld op medicatie en moet daarbij tevens ervan doordrongen geraken dat hij deze medicatie ook inneemt (en blijft innemen). (…) Betrokkene is blijvend aangewezen op psychiatrische behandeling.”

Verder blijkt uit dit advies dat bij het staken van medische behandeling verzoeker verder psychotisch zal ontsporen en mogelijk overlast voor derden zal veroorzaken. Naar het oordeel van het BMA viel niet te verwachten dat staken van de behandeling bij terugkeer tot een onomkeerbaar proces tot de dood zou leiden. Het BMA was echter wel van oordeel dat verzoeker op dat moment niet in staat kon worden geacht te reizen, omdat zijn situatie onvoldoende stabiel was.

2.4

Verzoeker heeft, naar hij stelt op dringend verzoek van de griffier van het EHRM, verweerder op 22 november 2013, verzocht ambtshalve toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000. Bij besluit van5 december 2013 heeft verweerder deze aanvraag van verzoeker toegewezen en aan verzoeker uitstel van vertrek verleend van 3 december 2013 tot en met 22 februari 2014. Daarbij is overwogen dat gelet op het BMA-advies van 22 augustus 2013 artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is omdat het vanwege de algehele gezondheidstoestand van verzoeker niet verantwoord is om te reizen. Volgens de informatie van verzoekers gemachtigde ter zitting heeft het EHRM, nadat het op de hoogte is gebracht van dit uitstel van vertrek tussen 3 december 2013 en 22 februari 2014, besloten de interim measure te beëindigen. De hoofdzaak is echter aanhangig gebleven bij het EHRM.

2.5

Op 20 februari 2014 heeft verzoeker een verzoek om verlenging van de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend, op grond van het feit dat zijn medische situatie in de tussentijd niet was verbeterd. Verweerder heeft de zaak opnieuw voorgelegd aan het BMA, dat op 3 juni 2014 wederom advies heeft uitgebracht. Daaruit blijkt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, dat

“(…) sinds het laatste advies er weer een periode is geweest van therapieontrouw. Eind 2013 is betrokkene uit eigener beweging gestopt met het innemen van medicatie. Dit leidde tot toename van chaotische gedachten, onrust en achterdocht bij betrokkene zelf en leidde ook tot overlast voor derden. Na hernieuwde instelling op medicatie verbleekten de psychotische verschijnselen weer. (…) Op zich is er onlangs een periode geweest van ongeveer drie maanden waarin betrokkene vrijwel geen behandeling (en medicatie) gehad heeft. Het is toen niet tot een medische noodsituatie gekomen, wel tot toename van psychotische verschijnselen voor betrokkene zelf en overlast voor derden. Niet valt met zekerheid aan te geven dat het een volgende periode vergelijkbaar zal verlopen. Een verder ontsporen van het beeld met uiteindelijk een toestand waarin betrokkene een gevaar voor zichzelf of derden gaat vormen, valt niet uit te sluiten. (…)”

Het BMA adviseert dat verzoeker nu wel kan reizen, mits hij wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige die kan toezien op inname van de benodigde medicatie tijdens de reis. Verder dient verzoeker ter plekke fysiek te worden overgedragen aan een psychiater, vanwege zijn notoire therapieontrouw. In Rwanda zijn adequate behandelmogelijkheden aanwezig, te weten in het Ndera CARAES neuropsychiatric hospital in Kigali.

3.

Naar aanleiding van dit laatste BMA-advies heeft verweerder bij besluit van 16 juni 2014 de aanvraag om (verlenging van de) toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het BMA-advies als deskundigenadvies moet worden aangemerkt en dat verweerder daarvan uit mag gaan, tenzij verzoeker concrete aanknopingspunten aanvoert die twijfel aan de inhoud en volledigheid van dat advies rechtvaardigen. Volgens verweerder is verzoeker hierin niet geslaagd. Verzoeker heeft deze afwijzing gemotiveerd bestreden. Voorts heeft verzoekers gemachtigde ter zitting aangevoerd dat deze gang van zaken betekent dat hij opnieuw een interim measure bij het EHRM zou moeten vragen teneinde uitzetting te voorkomen gedurende de tijd dat zijn zaak aldaar aanhangig is.

4.1

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM (onder meer D. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 2 mei 1997, nr. 30240/96, Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 6 februari 2001, nr. 44599/98, en N. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 27 mei 2008, nr. 26565/05; alle: www.echr.coe.int) kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling onder uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

Uit die rechtspraak, waarvan het EHRM in de paragrafen 32 tot en met 41 van het arrest

N. tegen het Verenigd Koninkrijk een overzicht geeft, kan worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt, of door uitzetting direct of nagenoeg direct zal bereiken, dat hij door de uitzetting, bij gebrek aan het bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt.

Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat dergelijke uitzonderlijke omstandigheden ook aan de orde zijn als een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die wel in een vergevorderd stadium verkeert, maar niet een direct levensbedreigend stadium heeft bereikt of dat laatste stadium na uitzetting evenmin direct of nagenoeg direct zal bereiken; in die gevallen staat artikel 3 van het EVRM niet aan uitzetting van een vreemdeling met medische problemen in de weg. Dat zich vorenbedoelde uitzonderlijke omstandigheden niet voordoen, betekent overigens niet dat een vreemdeling ook feitelijk moet worden uitgezet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vraag of de medische toestand van een vreemdeling niettemin aan uitzetting in de weg staat, moet worden beoordeeld in het kader van de toepassing door de staatssecretaris van artikel 64 van de Vw 2000.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794), strekt, indien en voor zover de staatssecretaris adviezen van het BMA aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechter te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan heeft vergewist dat de adviezen van het BMA - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn. In het onderhavige geval acht de voorzieningenrechter die advisering van de BMA naar inhoud niet inzichtelijk en concludent. Uit de medische adviezen en andere stukken uit het dossier van verzoeker blijkt duidelijk dat eiser reeds jarenlang lijdt aan een ernstige psychische ziekte en dat zijn medische en psychische situatie ernstig, precair en slechts bij tijd en wijlen enigermate stabiel te noemen is. Gelet op de hiervoor gedeeltelijk weergegeven adviezen van 22 augustus 2013 en 3 juni 2014 is niet inzichtelijk gemotiveerd op grond waarvan het BMA betrokkene in het eerste advies betrokkene niet reisvaardig achtte en dit bij het tweede advies wel, ondanks het feit dat nog steeds geen sprake was van een stabiele situatie. De voorzieningenrechter constateert dat er ten opzichte van het advies van 22 augustus 2013 nog steeds geen sprake is van een duidelijke en reële verbetering van de medische situatie van verzoeker.

Uit de medische informatie uit het dossier en het daaruit op te maken grillige verloop van de aandoening van verzoeker, alsook zijn aanwezigheid ter zitting, alwaar hij zelf stelde momenteel niet langer zijn medicatie in te nemen of enige andere behandeling te ondergaan, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit te sluiten dat de in het BMA-advies van 3 juni 2014 weergegeven situatie slechts een tijdelijke verbetering van verzoekers situatie inhoudt. Een dergelijk advies is een momentopname en in het specifieke geval verzoeker een onvoldoende zorgvuldige basis om verzoeker reisvaardig te achten. Verweerder heeft dan ook niet op het advies van 3 juni 2014 kunnen afgaan, omdat dit advies niet concludent is ten aanzien van de daaruit getrokken conclusie omtrent de reisvaardigheid.

4.3.

De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat de procedure op grond van artikel 64 van de Vw 2000 in het onderhavige geval niet los gezien kan worden van de procedure bij het EHRM waarbij dezelfde vragen ten aanzien het risico van schending van artikel 3 EVRM bij uitzetting aan Rwanda aan de orde zijn. Het EHRM heeft naar aanleiding van de specifieke omstandigheden van verzoekers zaak voldoende grond aanwezig geacht nadere vragen te stellen over de waarborgen die de Nederlandse staat moet bieden met betrekking tot verzoekers mogelijke terugkeer naar Rwanda. Deze vragen zijn nog steeds niet beantwoord. Voorts heeft het EHRM aanvankelijk een interim measure getroffen waarbij het verweerder is verboden verzoeker uit te zetten naar Rwanda. Deze maatregel is volgens verzoekers gemachtigde uitsluitend beëindigd omdat verweerder op grond van artikel 64 van de Vw 2000 (aanvankelijk) uitstel van vertrek heeft toegestaan. De verhouding tussen het EHRM en de nationale autoriteiten wordt gekenmerkt door de noodzaak tot samenwerken voor het effectief functioneren van het EVRM-systeem. Gelet ook op de nog aanhangig zijnde procedure in Straatsburg ten aanzien van deze zaak, is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het op dit moment niet aangewezen is om verzoeker uitzetbaar te achten.

5.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat op dit moment niet kan worden uitgesloten dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook toe en bepaalt dat uitzetting van verzoeker achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist.

6.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe in die zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit Nederland te (doen) uitzetten totdat op het bezwaarschrift is beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kouwenhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2014.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.