Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11253

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
C-09-469393 KG ZA 14-816
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De politierechter heeft, naast de veroordeling van eiser wegens opzettelijk handelen in strijd met een in de Opiumwet gegeven verbod, beslist tot ontneming aan eiser van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering van eiser in kort geding om de Staat te verbieden deze beslissing ten uitvoer te leggen, wordt afgewezen. Er ligt een beslissing en daartegen is – anders dan eiser meent – geen hoger beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/469393 / KG ZA 14-816

Vonnis in kort geding van 5 september 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. V.G. Kraal te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te Den Haag.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 augustus 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Op 25 januari 2013 heeft plaatsgevonden de behandeling ter terechtzitting van de politierechter Noord-Holland van het aan eiser ten laste gelegde feit van opzettelijk handelen in strijd met een in de Opiumwet gegeven verbod. Zowel eiser als zijn advocaat waren ter terechtzitting aanwezig. In het proces-verbaal van deze terechtzitting staat onder meer vermeld dat de officier van justitie de vordering voorleest en ten aanzien van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijke verkregen voordeel opmerkt dat “gezien de bewezenverklaarde kortere periode, het onder verdachte te ontnemen bedrag € 13.789,76 bedraagt”. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de politierechter direct mondeling uitspraak gedaan.

1.2.

In de schriftelijke aantekening van het mondelinge vonnis van 25 januari 2013 staat als beslissing vermeld dat eiser wordt veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis (hierna: het vonnis van 25 januari 2013). In een afzonderlijke beschikking (hierna: de beschikking van 25 januari 2013) staat de uitspraak vermeld van de politierechter van diezelfde datum, inhoudende de beslissing tot ontneming aan eiser van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 13.789,76. Zowel het vonnis als de beschikking hebben het parketnummer [parketnummer].

1.3.

De advocaat van eiser heeft eveneens op 25 januari 2013 een akte rechtsmiddel ondertekend ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, waarin staat vermeld dat hij verklaart namens eiser “beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 25 januari 2013 in de zaak met bovenvermeld parketnummer gewezen door de Politierechter in deze rechtbank”.

1.4.

Het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) heeft ter terechtzitting van 15 januari 2014 het hoger beroep behandeld. Eiser en zijn advocaat waren ter terechtzitting aanwezig. In het (verkort) proces-verbaal van deze terechtzitting staat onder meer vermeld:

“De voorzitter deelt mede dat in eerste aanleg ook sprake was van een vordering tot ontneming van het wederrechtelijke verkregen voordeel. Hierop is door de politierechter geen beslissing genomen, voor zover uit het dossier blijkt. Een ontnemingsvordering is thans dus niet aan de orde.”

Bij thans onherroepelijk arrest van 29 januari 2014 heeft het Hof bewezen verklaard dat eiser het ten laste gelegde heeft begaan en eiser veroordeeld tot een geldboete van € 1.080,- te vervangen door twintig dagen hechtenis.

1.5.

Bij brief van 2 juni 2014 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau eiser gewezen op de door de rechter aan eiser opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.789,75 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel en eiser meegedeeld dat er conservatoir beslag is gelegd op een drietal onroerende zaken (hierna: het beslag), welk beslag zal worden opgeheven indien eiser voormeld bedrag betaalt.

2 Het geschil

2.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om de ontneming aan eiser van een bedrag van € 13.789,76 aan wederrechtelijk verkregen voordeel te verbieden, het beslag op te heffen en gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

Daartoe voert eiser, samengevat, het volgende aan. Hij gaat ervan uit dat er geen beslissing is genomen over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel. De voorzitter en de advocaat-generaal zijn daar ter terechtzitting van het Hof op 15 januari 2014 ook vanuit gegaan, zo blijkt uit het proces-verbaal van die zitting. Uit het vonnis van 25 januari 2013 blijkt ook niet van een beslissing op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel. De beschikking van 25 januari 2013 heeft eiser nooit ontvangen. Hij heeft deze onlangs pas voor het eerst gezien. Indien wel een beslissing zou zijn genomen over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel, dan heeft te gelden dat het hoger beroep ook gericht was tegen die beslissing. De omstandigheid dat de griffier van de rechtbank Noord-Holland ten onrechte de beschikking van 25 januari 2013 niet aan het Hof heeft toegestuurd, waardoor het Hof hierop niet heeft kunnen beslissen, kan niet aan eiser worden tegengeworpen. Het is dan ook onrechtmatig indien de incasso wordt doorgezet. Er is ook sprake van onrechtmatig handelen van gedaagde omdat bij eiser het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat er een vergissing in zijn voordeel was gemaakt.

2.3.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de beschikking van 25 januari 2013 volgt dat de politierechter op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel heeft beslist. Voor zover eiser zijn primaire standpunt, dat er geen beslissing is genomen over die vordering, heeft gehandhaafd, wordt dat standpunt verworpen. De omstandigheid dat eiser die beschikking mogelijk pas onlangs voor het eerst heeft gezien, kan dat niet anders maken. Overigens was eiser aanwezig ter zitting van de politierechter van 25 januari 2013, waar de politierechter mondeling uitspraak heeft gedaan. Hij moet dus reeds vanaf toen op de hoogte zijn geweest van de omstandigheid dat er een beslissing over die vordering is genomen, alsmede van de inhoud van die beslissing.

3.2.

Dat tegen de beslissing tot ontneming van wederrechtelijk voordeel hoger beroep is ingesteld, zoals eiser subsidiair stelt maar hetgeen gedaagde betwist, kan door de voorzieningenrechter niet worden aangenomen. De omstandigheid dat op de akte rechtsmiddel een parketnummer is vermeld dat ook het parketnummer is dat staat vermeld op de beschikking van 25 januari 2013 is daartoe niet doorslaggevend. Dit nummer heeft immers betrekking op de strafzaak van eiser. Daarin is enerzijds bij vonnis van 25 januari 2014 een veroordeling van eiser tot een taakstraf uitgesproken en anderzijds bij beschikking van 25 januari 2014 beslist tot ontneming van wederrechtelijk voordeel. Gezien de tekst van de akte ziet het ingestelde beroep enkel op het vonnis van 25 januari 2013. Indien eiser ook beroep had willen instellen tegen de beschikking van 25 januari 2013, had hij daartoe ook een akte moeten laten opstellen. Die wetenschap mag bij de advocaat van eiser bekend worden verondersteld en was overigens bij hem ook bekend, gelet op zijn verklaring dat hij normaal gesproken altijd door de griffiemedewerkster erop wordt gewezen dat hij twee aktes moet laten opstellen, voor een hoger beroep tegen beide beslissingen.

3.3.

Hier komt nog bij dat uit het handelen van eiser en zijn advocaat ter zitting bij het Hof ook niet kan worden afgeleid dat eiser tegen de beschikking van 25 januari 2013 hoger beroep heeft willen instellen. Bij de behandeling ter terechtzitting bij het Hof, waar eiser en zijn advocaat bij aanwezig waren, is immers expliciet aandacht besteed aan de omstandigheid dat in eerste aanleg ook sprake was van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel. De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal van de behandeling ter zitting daaraan gerefereerd en meegedeeld dat die vordering in hoger beroep niet aan de orde is. Eiser noch zijn advocaat hebben daarop gereageerd. De omstandigheid dat de voorzitter per abuis heeft geconcludeerd dat op die vordering door de politierechter geen beslissing is genomen, waarbij volgens eiser de advocaat-generaal slechts haar verbazing heeft uitgesproken over het ontbreken van een beslissing, doet daar niet aan af. Op de eerste plaats is door de voorzitter aan zijn conclusie toegevoegd “voor zover uit het dossier blijkt”, maar daarnaast moeten, zoals voormeld, eiser en zijn advocaat worden geacht ervan op de hoogte te zijn geweest dat op die vordering wel degelijk een beslissing was genomen. Het moet dus voor hen duidelijk zijn geweest dat de aanname van de voorzitter niet juist was. De advocaat van eiser heeft in dit kader toegelicht dat hij op dat moment ging twijfelen, maar dat hij zijn twijfel niet heeft geuit en veronderstelde dat de aanname van de voorzitter juist was, hetgeen in het voordeel zou zijn van zijn cliënt. Dat kan door de voorzieningenrechter echter niet worden gevolgd. De verkeerde aanname van de voorzitter kan er immers niet toe leiden dat er door de politierechter toch niet is beslist of dat de beslissing daardoor niet meer geldt. Van het opwekken van een gerechtvaardigd vertrouwen kan dan ook niet worden gesproken.

3.4.

De stellingen die eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, kunnen gezien het vorenstaande niet worden gevolgd. Voor toewijzing van de vordering is gelet daarop geen plaats.

3.5.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Ook als er sprake zou zijn van een ongelukkige gang van zaken, zoals eiser stelt, dan vormt dat nog geen aanleiding om ten aanzien van de kosten van deze procedure anders te beslissen. Van door gedaagde nodeloos veroorzaakte kosten is geenszins gebleken.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2014.

ts