Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11166

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_3290
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair ambtenarenrecht; Regeling Ereschuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/3290

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.R.C. Adang).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een eenmalige bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld (hierna: bijzondere uitkering).

Bij besluit van 16 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014.

Eiser is verschenen, vergezeld door [A].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen de zaak intern nog eens te bespreken in het licht van het feit dat in het rapport van de psychiater-psychoanalyticus M.J. van Weers (hierna: Van Weers) van 28 augustus 2008 de mate van invaliditeit van eiser gebaseerd op psychische gronden gerelateerd aan de posttraumatische stressstoornis wordt ingeschat op 15%.

Verweerder heeft bij brief van 22 juli 2014 medegedeeld dat het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een bijzondere uitkering wordt gehandhaafd.

Eiser heeft daarop bij brief van 4 augustus 2014 gereageerd.

Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser, geboren op [datum] 1941, is in de periode 1961-1962 uitgezonden geweest naar voormalig Nederlands Nieuw Guinea en in de periode 1990-1991 naar Libanon. In voormalig Nederlands Nieuw Guinea is hij blootgesteld geweest aan meerdere schokkende gebeurtenissen en in mindere mate was dat ook het geval in Libanon. Per 1 december 1993 is eiser functioneel leeftijdsontslag verleend. Op 3 februari 2008, op zesenzestigjarige leeftijd dus, heeft hij een militair invaliditeitspensioen aangevraagd. Bij besluit van 13 maart 2008 is deze aanvraag afgewezen, omdat ingevolge het Besluit bijzondere militaire pensioenen toekenning, wijziging of intrekking van een militair invaliditeitspensioen niet meer kan plaatsvinden na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Op 11 juli 2008 heeft Van Weers een psychiatrisch onderzoek bij eiser verricht naar aanleiding van een aanvraag om een vervoersvoorziening. Hij stelde de diagnose chronisch posttraumatische stressstoornis (PTSS) met verlaat begin en schatte de mate van invaliditeit gerelateerd aan de PTSS in op 15%. Naar zijn mening kon daarbij gesproken worden van een relatieve medische eindtoestand. Bij besluiten van 4 november 2008 en 15 december 2008 is eiser een vervoersvoorziening toegekend, waarbij verband is aanvaard tussen de uitoefening van de militaire dienst en de PTSS. Bij besluit van 25 mei 2009 is aan eiser door verweerder het draaginsigne gewonden toegekend.

Eiser heeft bij brief van 2 januari 2013 verzocht, de hiervoor vermelde feiten in aanmerking genomen, hem in aanmerking te brengen voor een bijzondere uitkering.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering om eiser een bijzondere uitkering toe te kennen gehandhaafd.

Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser vóór 1 juni 2012 geen militair invaliditeitspensioen is toegekend. Bij besluit van 13 maart 2008 is immers eisers aanvraag om een militair invaliditeitspensioen afgewezen, omdat eiser toen de leeftijd van 65 jaar reeds had bereikt en toekenning van een militair invaliditeitspensioen niet kan plaatsvinden na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Daaraan doet volgens verweerder niet af dat eiser op 11 juli 2008 door Van Weers in het kader van de aanvraag om een vervoersvoorziening is onderzocht en door hem is geconcludeerd dat dienstverband voor wat betreft de PTSS aannemelijk is, aangezien dit niet heeft geleid tot toekenning van een militair invaliditeitspensioen.

3.

Eiser voert in beroep aan dat het door verweerder in het besluit op bezwaar gehanteerde criterium in zijn geval onredelijk is. Het uitgaan van een vastgesteld recht op militair invaliditeitspensioen kan weliswaar de uitvoering van de Regeling Ereschuld vergemakkelijken, maar voor een bepaalde groep militairen waartoe eiser behoort, namelijk de groep die ondanks hun trauma gewoon in dienst is gebleven tot aan het functioneel leeftijdsontslag en op 65-jarige leeftijd aanspraak heeft kunnen maken op ouderdomspensioen, is het niet redelijk te eisen dat een militair invaliditeitspensioen is toegekend.

Eiser stelt dat hem tenminste één geval bekend is waarin in de hiervoor geschetste omstandigheden toch een bijzondere uitkering is toegekend. Het betreft de situatie van [A], die met eiser is meegekomen naar de zitting om de rechtbank daarover desgewenst te informeren.

4.1.

De Regeling Ereschuld is van toepassing op gewezen militairen die voor 1 juli 2007 ontslagen zijn en bij wie als gevolg van oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie invaliditeit met dienstverband is vastgesteld, voor zover zij op 1 juni 2012 in verband daarmee aanspraken genoten of voor die datum een eerste aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen hebben ingediend. Het betreft veteranen waarbij als gevolg van oorlogsomstandigheden of van een crisisbeheersingsoperatie invaliditeit met dienstverband is vastgesteld. De bijzondere uitkering geldt als erkenning van hetgeen veteranen als militair is overkomen en de gevolgen die dat voor hen heeft gehad.

4.2.

Weliswaar is de Regeling Ereschuld nog niet in werking getreden, echter niet in geschil is dat verweerder deze regeling wel als beleid hanteert.

4.3.

Artikel I van het voorstel tot Wijziging van het Besluit luidt, voor zover van belang:

“Na artikel 21 wordt een nieuw artikel ingevoegd luidend:

Artikel 21a Bijzondere uitkering

1. De gewezen militair die voor 1 juli 2007 is ontslagen en bij wie als gevolg van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie op een daartoe voor 1 juni 2012 gedane eerste aanvraag, invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft aanspraak op een eenmalige bijzondere uitkering.

2. Het bedrag van de bijzondere uitkering is gelijk aan een percentage van de grondslag overeenkomend met de mate van invaliditeit.

3. Een mate van invaliditeit van minder dan 10% wordt voor de toekenning van de bijzondere uitkering afgerond op 5%.

4. In afwijking van het tweede en derde lid is het bedrag van de bijzondere uitkering gelijk aan een percentage van de grondslag overeenkomend met de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband indien deze hoger is dan de mate van invaliditeit met dienstverband.

5. Voor de vaststelling van de bijzondere uitkering wordt de definitieve mate van invaliditeit of de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband gehanteerd op de peildatum, 1 juni 2012. Indien er op het moment van de peildatum nog geen definitieve mate van invaliditeit is vastgesteld dan wordt de bijzondere uitkering vastgesteld nadat, vanwege het bereiken van een medische eindtoestand, de definitieve mate van invaliditeit is vastgesteld.

6. De bijzondere uitkering wordt eenmalig vastgesteld. In afwijking van artikel 15 vierde en vijfde lid leidt een latere wijziging in de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid met dienstverband niet tot aanpassing van de bijzondere uitkering.

7. In voorkomend geval wordt de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband bepaald op het hoogste percentage van de toepasselijke arbeidsongeschiktheidsklasse als bedoeld in artikel 21 tweede lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

8. De grondslag van de bijzondere uitkering is € 125.000,--. (…)”

4.4.

Volgens de Nota van toelichting bij de Regeling Ereschuld (versie 7 juni 2012) wordt aan de veteraan een bijzondere uitkering uitbetaald zodra aan hem een militair invaliditeitspensioen is toegekend of als is vastgesteld dat de mate van invaliditeit met dienstverband kleiner is dan 10%, en er sprake is van een medische eindsituatie. De aanspraak op een bijzondere uitkering is gekoppeld aan een recht op een militair invaliditeitspensioen met dien verstande dat er ook een aanspraak op de bijzondere uitkering bestaat als de mate van invaliditeit kleiner is dan 10%. De hoogte van de bijzondere uitkering is gekoppeld aan het ten behoeve van de vaststelling van het militair invaliditeitspensioen bepaalde definitieve invaliditeitspercentage dan wel, indien dat hoger is, het percentage arbeidsongeschiktheid (met dienstverband). De toekenning van de bijzondere uitkering is een louter administratieve procedure op basis van het pensioendossier.

5.

Tussen partijen is niet in geschil dat er naar aanleiding van de aanvraag van eiser om een vervoersvoorziening in ieder geval bij besluit van 4 november 2008 invaliditeit (PTSS) met dienstverband is aanvaard en dat door de onderzoekend psychiater is geadviseerd de mate van deze invaliditeit te bepalen op 15%. De vraag die partijen verdeeld houdt is of het feit dat door verweerder geen militair invaliditeitspensioen is toegekend, omdat eiser reeds de leeftijd van 65 jaar had bereikt, het recht op een bijzondere uitkering op grond van de Regeling in de weg staat.

6.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de letterlijke tekst van Artikel 21a, eerste lid, van de Regeling Ereschuld is het enkel op aanvraag vaststellen van invaliditeit met dienstverband voldoende om aanspraak te maken op een eenmalige bijzondere uitkering. Uit de Nota van Toelichting volgt echter dat, indien aan de veteraan een militair invaliditeitspensioen is toegekend of indien is vastgesteld dat de mate van invaliditeit met dienstverband kleiner is dan 10% en er sprake is van een medische eindsituatie, de bijzondere uitkering wordt uitgekeerd. Hieruit volgt dat de mate van invaliditeit moet zijn vastgesteld bij een besluit tot toekenning van een militair invaliditeitspensioen, wil een veteraan recht hebben op de bijzondere uitkering. Dat wordt ondersteund door de zin dat de bijzondere uitkering louter een administratieve procedure is op basis van het pensioendossier. Aan eiser is echter geen militair invaliditeitspensioen toegekend omdat hij dit eerst na het bereiken van zijn vijfenzestigste levensjaar heeft aangevraagd en de regelgeving uitsluit dat na het bereiken van het vijfenzestigste levensjaar voor het eerst een invaliditeitspensioen wordt toegekend. Omdat aan eiser geen militair invaliditeitspensioen is toegekend komt hij dus niet in aanmerking voor een bijzondere uitkering. Daaraan doet niet af dat ten aanzien van eiser, na het bereiken van zijn vijfenzestigste levensjaar, wel is vastgesteld dat hij lijdt aan PTSS in het kader van de aanvraag om een vervoersvoorziening. Aan het feit dat eiser het draaginsigne gewonden is toegekend, verbindt de Regeling Ereschuld evenmin een recht op een bijzondere uitkering.

7.

Het in de Regeling Ereschuld neergelegde beleid van verweerder acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk of onjuist. Verweerder heeft in overeenstemming met dat beleid in redelijkheid eiser een bijzondere uitkering kunnen weigeren. De door eiser aangevoerde omstandigheden acht de rechtbank niet zodanig bijzonder dat verweerder in afwijking van zijn beleid gehouden was eiser toch een bijzondere uitkering toe te kennen.

8.

Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Ter zitting is gebleken dat aan [A] vóór het bereiken van zijn vijfenzestigste levensjaar op zijn aanvraag die dateert van vóór 1 juni 2012 een militair invaliditeitspensioen is toegekend. Dit militair invaliditeitspensioen kwam echter niet tot uitkering omdat zijn UGM-uitkering hoger was. De situatie van [A] verschilt daarmee op dit essentiële punt van de situatie van eiser aan wie vóór het bereiken van zijn vijfenzestigste levensjaar geen militair invaliditeitspensioen is toegekend. Van gelijke gevallen is dus geen sprake.

9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzitter, mr. B. Meijer, lid, en mr. S. van Groningen, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.