Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11165

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
AWB 14-306
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardon, geen asielaanvraag namens kind ingediend, contra-indicatie familielid, opgave onjuiste identiteiten, 8 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/306

V-nrs: [nummer 1] en[nummer 2]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum], eiseres I,

en

[naam 1],

geboren op [geboortedatum 1], eiseres II,

beiden van Nigeriaanse nationaliteit, samen te noemen: eiseressen

(gemachtigde: mr. E.M.M. Wantenaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres I[naam]mede ingediend ten behoeve van eiseres II (haar moeder), tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen” afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 december 2013 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 2 januari 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseressen ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2014. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig E.O. Tackey, tolk in het Pidgin Engels.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De moeder van [naam] is in november 1999 naar Nederland gekomen. Zij heeft op 11 juli 2000 asiel aangevraagd onder de naam [naam 1], geboren op [geboortedatum 1], van Soedanese nationaliteit. De afwijzing van deze aanvraag is onherroepelijk geworden met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 5 oktober 2000. De moeder heeft vanaf dat moment onbekende tijd illegaal in Nederland verbleven. Uit dactyloscopisch onderzoek en contact met de Franse autoriteiten is gebleken dat de moeder op 4 maart 2004 in Frankrijk asiel heeft aangevraagd onder de naam [naam 2], geboren op [geboortedatum 2], van Nigeriaanse nationaliteit. Deze asielaanvraag is op 25 januari 2005 afgewezen. De moeder is op enig moment weer naar Nederland teruggekeerd. Sinds 2010 is zij in het bezit van een geldig paspoort, met de personalia: [naam 1], geboren op [geboortedatum 1], van Nigeriaanse nationaliteit.

1.2 Op [geboortedatum] is [naam] in Nederland geboren. Op [geboortedatum 3] is de moeder bevallen van [naam 3], dochter van de heer [naam 4].

1.3 Tussen 28 mei 2009 en 26 mei 2011 heeft de moeder vergeefs een procedure doorlopen om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet.

1.4 Op 27 september 2011 heeft de moeder aangifte gedaan van mensenhandel. Zij is vanaf 27 september 2011 (gedurende het strafrechtelijke onderzoek) in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier op grond van wat destijds de B9-regeling heette. Op 19 oktober 2012 is deze verblijfsvergunning ingetrokken en is tegelijkertijd de ingediende aanvraag om voortgezet verblijf afgewezen. Op dezelfde datum is een aanvraag ten behoeve van [naam] voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging bij haar moeder afgewezen. De beroepen in deze procedures en een verzoek om een voorlopige voorziening zijn aanhangig bij deze rechtbank en zittingsplaats onder de zaaknummers AWB 13/17855, AWB 12/35903 en AWB 12/35904.

1.5 Op 31 mei 2013 hebben [naam] en haar moeder onderhavige aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen ingediend.

1.6 Op 10 januari 2012 is [naam 3] in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij vader, de heer [naam 4]. Op 15 augustus 2012 is de heer [naam 4] tijdens een verblijf in Nigeria overleden. [naam 3] is op 24 oktober 2013 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, geldig van 8 april 2013 tot 8 april 2018, vanwege het overlijden van haar vader.

2.1 De Regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (de Kinderpardonregeling) omvat een definitieve regeling en een overgangsregeling. De overgangsregeling is neergelegd in paragraaf B22/3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, zoals deze paragraaf luidde ten tijde van belang. Op grond van deze paragraaf verleent verweerder op grond van de overgangsregeling een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende

procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend indien een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.

2.2 Paragraaf B22/3.2 van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van belang, bepaalt dat de verblijfsvergunning niet wordt verleend als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van - voor zover van belang - de contra-indicatie dat de vreemdeling of één van de gezinsleden twee keer of meer een onjuiste identiteit of nationaliteit heeft opgegeven.

3.1 Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten eerste ten grondslag gelegd dat [naam] geen onafgebroken verblijf van vijf jaar of langer heeft sinds indiening van een asielaanvraag in Nederland. Haar moeder heeft vóór de geboorte van [naam] wel asiel voor zichzelf aangevraagd, maar heeft daarna haar hoofdverblijf naar Frankrijk verplaatst. Zij heeft sinds haar terugkomst nooit meer een asielaanvraag in Nederland ingediend. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze afwijzingsgrond aldus moet worden begrepen dat nooit door of mede ten behoeve van [naam] een asielaanvraag is ingediend, zoals vereist in paragraaf B22/3.1, onder b. van de Vc 2000.

3.2 Namens eiseressen wordt hieromtrent aangevoerd dat verweerder het beleid over verplaatsing van het hoofdverblijf onjuist uitlegt. Verder voldoet [naam] wel aan de letterlijke tekst van B22/3.1 van de Vc 2000, nu de moeder in 2000 een asielaanvraag heeft ingediend en [naam] na de start van de asielaanvraag is geboren. Subsidiair voeren eiseressen aan dat de aanvraag van de moeder op grond van de B9-regeling en de aanvraag daarna om voortgezet verblijf vergelijkbaar zijn met een asielprocedure, gelet op de vrees voor mensenhandelaren en voor represailles bij terugkeer en gelet op de verantwoordelijkheid die de overheid neemt voor slachtoffers van mensenhandel, in de vorm van het (aan)bieden van opvang en inburgeringscursussen. Verweerder dient daarom op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op dit punt af te wijken van zijn beleid.

4.1 De rechtbank is allereerst van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft in het bestreden besluit namelijk de nadruk gelegd op de verplaatsing van het hoofdverblijf door de moeder naar Frankrijk, terwijl, zoals door verweerder in het verweerschrift en ter zitting is toegelicht, de afwijzingsgrond inhoudt dat nooit door of namens [naam] asiel is aangevraagd. De beroepsgrond is daarom terecht voorgedragen. Reeds hierom is het beroep gegrond. De rechtbank zal echter, zoals door verweerder verzocht, onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, zoals bepaald in artikel 8:72, derde lid van de Awb.

4.2 De rechtbank stelt vast dat nooit door of namens [naam] een asielaanvraag is ingediend. De rechtbank volgt verweerder voorts in het standpunt dat [naam] niet valt onder de tekst van B22/3.1 van de Vc 2000. [naam] is weliswaar geboren na de start van de asielprocedure van haar moeder, maar ook pas nadat die procedure al lange tijd was afgerond. De uitleg van verweerder dat het kind weliswaar na de start van de asielprocedure maar niet pas na afloop van de asielprocedure mag zijn geboren, acht de rechtbank geen onredelijke uitleg van het beleid en bovendien ook in overeenstemming met de tekst daarvan. Bovendien heeft verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat ook wanneer aan de ouders een asielvergunning wordt verleend, een kind dat nadien wordt geboren geen asielvergunning krijgt, maar een vergunning onder de beperking ‘verblijf bij ouders’. Ook daaruit volgt dat een asielaanvraag niet kan worden geacht te zijn ingediend ten behoeve van een na afronding van de asielprocedure geboren kind. Dit betoog slaagt daarom niet.

4.3.1 Het betoog dat [naam] valt onder de ratio van de Kinderpardonregeling omdat een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling, dan wel om voortgezet verblijf daarna, vergelijkbaar is met een asielaanvraag, en verweerder om die reden van het beleid had moeten afwijken, slaagt evenmin. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

4.3.2 Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is voor een geslaagd beroep op dat artikel vereist, dat de aangevoerde omstandigheden binnen de strekking en reikwijdte vallen van het gevoerde beleid, alsmede dat omstandigheden die bij de totstandkoming van het gevoerde beleid zijn betrokken niet als bijzondere omstandigheden zijn aan te merken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3878). De rechtbank overweegt dat reeds bij de totstandkoming van het beleid is betrokken dat vreemdelingen die nooit een asielaanvraag hebben ingediend niet onder de Kinderpardonregeling vallen, zodat dit daarom niet als bijzondere omstandigheid is aan te merken.

4.3.3 Dat dit anders zou zijn bij vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben gehad in het kader van de B9-regeling, volgt de rechtbank niet. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de verantwoordelijkheid die de Nederlandse overheid heeft voor slachtoffers van mensenhandel niet op één lijn kan worden gesteld met de verantwoordelijkheid die zij heeft voor asielzoekers en hun minderjarige kinderen. Uit verschillende internationale verdragen volgt dat asielzoekers en hun minderjarige kinderen bijzondere bescherming en bijstand dienen te krijgen. Op grond van deze verdragen is de Nederlandse Staat voor hen verschillende internationale verplichtingen aangegaan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG5060). Dat de Nederlandse staat op basis van internationale verdragen ter voorkoming en bestrijding van mensenhandel ook verplichtingen is aangegaan voor slachtoffers van mensenhandel, betekent niet dat sprake is van dezelfde verantwoordelijkheid. De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat de B9-procedure wezenlijk verschilt van de asielprocedure, nu aan vreemdelingen die aangifte doen van mensenhandel direct een verblijfsvergunning wordt verleend en aldus geen sprake is van een langslepende procedure en langdurige onzekerheid. Verder wordt enkel tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar de mensenhandelaren opvang en bescherming geboden, zodat ook op dat punt sprake is van wezenlijke verschillen met de asielprocedure.

4.3.4 Voor zover eiseressen hebben bedoeld aan te voeren dat de procedure tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ na een B9-procedure vergelijkbaar is met een asielprocedure omdat in die procedure het risico op represailles een rol speelt, overweegt rechtbank als volgt. Allereerst is van belang dat het risico op represailles slechts één van de mee te wegen omstandigheden is bij de beantwoording van de vraag of van de vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. Bovendien speelt de verantwoordelijkheid voor slachtoffers van mensenhandel op grond van internationale verdragen hier geen rol meer. Ook heeft de aanvrager hangende een dergelijke procedure geen recht op opvang. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een dergelijke procedure niet kan worden gelijkgesteld met een asielprocedure. De omstandigheid dat in beide procedures sprake is van vrees voor terugkeer naar het land van herkomst, acht de rechtbank in dat verband onvoldoende.

4.3.5 Uit het voorgaande volgt bovendien dat niet aan de redelijke doelstelling van het beleid wordt voorbij gegaan door geen verblijfsvergunning op grond van de Kinderpardonregeling te verlenen, zodat ook het beroep van eiseressen op de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:531) niet slaagt.

4.4 Ook de stelling dat [naam] onder de ratio van de Kinderpardonregeling valt omdat zij het kind is van een moeder met een asielachtergrond, die jarenlang in procedure en dus in onzekerheid is geweest, en omdat zij altijd van haar moeder heeft begrepen dat het in Nigeria niet veilig is, kan niet slagen. De enkele omstandigheid dat [naam] de vrees van haar moeder voor terugkeer naar Nigeria heeft meegekregen, acht de rechtbank in dat verband onvoldoende. Namens [naam] zijn enkel reguliere aanvragen ingediend, die onvoldoende vergelijkbaar zijn met een asielaanvraag. Verweerder heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om van de voorwaarde dat in het verleden door of namens de hoofdpersoon een asielaanvraag moet zijn ingediend, af te wijken.

5.1 Verweerder heeft daarnaast aan eiseressen tegengeworpen dat sprake is van een contra-indicatie, nu de moeder twee keer of meer een onjuiste identiteit of nationaliteit heeft opgegeven. De verstrekking van onjuiste gegevens omtrent identiteit of nationaliteit is niet beperkt tot de hoofdpersoon en evenmin beperkt tot in Nederland gevoerde toelatingsprocedures.

5.2 Eiseressen voeren hiertegen aan dat de moeder al in 2010 een paspoort heeft overgelegd en dat haar identiteit en nationaliteit sindsdien vaststaan. Deze gegevens komen, behoudens de nationaliteit, ook overeen met de verklaringen bij haar asielaanvraag in Nederland. Er wordt voorts voldaan aan de voorwaarde in de definitieve regeling, dat de vreemdeling de identiteit en nationaliteit in beginsel moet aantonen met documenten dan wel daarover consistent en naar waarheid moet hebben verklaard. Uit het beleid valt niet op te maken dat wordt uitgesloten dat op een later moment de identiteit met documenten komt vast te staan. De overgangsregeling is op dit punt volgens eiseressen strenger de definitieve regeling. Eiseressen achten het onredelijk dat een contra-indicatie ten aanzien van de moeder ook aan [naam] wordt tegengeworpen. Het handelen van de moeder vóór de geboorte van [naam] kan bovendien niet aan [naam] worden toegerekend. Als strikt gezien al sprake is van een contra-indicatie, doet [naam] ook in dit kader een beroep op artikel 4:84 van de Awb vanwege strijd met het doel van de Kinderpardonregeling.

5.3.1 De rechtbank stelt vast dat, zoals onder overweging 1.1 weergegeven, de moeder sinds haar eerste aankomst in Nederland drie verschillende identiteiten heeft opgegeven. Bovendien blijkt uit paragraaf B22/3.1 dat deze contra-indicatie niet alleen wordt tegengeworpen wanneer deze zich voordoet bij de hoofdpersoon, maar ook wanneer deze zich voordoet bij één van diens gezinsleden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het beleid moet worden gezien in de context van het gezin, en dat daarom ook contra-indicaties ten aanzien van de gezinsleden worden tegengeworpen. De rechtbank acht het beleid, gelet op deze toelichting niet onredelijk.

5.3.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit, aangevuld bij verweerschrift, uiteengezet dat het beleid in de definitieve regeling erop ziet dat de vreemdeling de identiteit en nationaliteit in den beginne, reeds bij de asielaanvraag, met documenten aantoont dan wel daarover naar waarheid en consistent verklaart. Volgens verweerder is de overgangsregeling daarom gunstiger, omdat daarin wel onder bepaalde voorwaarden eenmalig de mogelijkheid tot identiteitsherstel is opgenomen. In de definitieve regeling is die mogelijkheid er niet en dient vanaf dag één de juiste identiteit te zijn opgegeven. De rechtbank volgt verweerder in deze uitleg, nu deze overeenkomt met de tekst van het beleid.

5.3.3 De rechtbank volgt eiseressen voorts niet in het betoog dat het handelen van de moeder niet aan [naam] mag worden tegengeworpen. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Butt tegen Noorwegen (4 december 2012, nr. 47017/09, www.echr.coe.int, rechtsoverweging 79) kan worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding kunnen zijn om het gedrag van de ouders van een vreemdeling toe te rekenen aan de desbetreffende vreemdeling in verband met het risico dat ouders de positie van hun kinderen misbruiken om een verblijfsrecht te verkrijgen. Ook uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2085) leidt de rechtbank af dat in de situatie waarin het verblijfsrecht van de ouders afhankelijk is van dat van hun kinderen, de keuzes van ouders mogen worden toegerekend aan hun kinderen. Wanneer in het kader van de Kinderpardonregeling aan het kind een vergunning wordt verleend, wordt deze automatisch ook aan de ouders verleend. Daarmee doet zich dus de situatie voor dat het verblijfsrecht van de ouders direct afhankelijk is van dat van het kind. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat een ouder in het verleden verschillende identiteiten heeft opgegeven bij een beroep op de Kinderpardonregeling mag worden tegengeworpen aan het kind, in dit geval [naam]. Dat [naam 3] al in het bezit is van een zelfstandige verblijfsvergunning op een andere grond en de moeder wellicht ook verblijf bij [naam 3] kan aanvragen, maakt dit niet anders, omdat dit niet afdoet aan het van [naam] afhankelijke verblijfsrecht van de moeder op grond van de Kinderpardonregeling.

5.3.4 Dat sinds 2010 de identiteit van de moeder vaststaat, heeft verweerder terecht niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt op grond waarvan hij had moeten afwijken van het beleid. Immers, bij de totstandkoming van het beleid is verdisconteerd dat de vreemdeling en diens gezinsleden maar één keer een onjuiste identiteit of nationaliteit hebben mogen opgegeven en dat bij herhaling daarvan identiteitsherstel niet meer mogelijk is.

6.1 Eiseressen voeren verder aan dat verweerder ten aanzien van de aangevoerde schrijnende omstandigheden voorbij gaat aan zijn eigen toezegging in het parlementaire debat om waar mogelijk gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Dat verweerder daar daadwerkelijk gebruik van maakt, is in de praktijk gebleken. Ook is bekend dat sommige aanvragers de mogelijkheid wordt geboden een nieuwe aanvraag onder de beperking “conform beschikking Staatssecretaris” in te dienen, met de toezegging dat die wordt ingewilligd. Voor beoordeling van schrijnende omstandigheden is daarom wel ruimte in het kader van een aanvraag op grond van de Kinderpardonregeling. Er is in onderhavig geval sprake van een grensgeval waarbij, gelet op de achtergrond van [naam], inwilliging naar de geest van de Kinderpardonregeling en met toepassing van de discretionaire bevoegdheid in de rede zou liggen.

6.2 De rechtbank is van oordeel dat ook dit betoog niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat [naam] voor een beroep op de discretionaire bevoegdheid van verweerder een aanvraag onder de beperking “conform beschikking Staatssecretaris” dient in te dienen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij in het debat in de Tweede Kamer niet heeft gezegd dat hij in elke aanvraag die wordt ingediend op grond van de Kinderpardonregeling individueel zal bekijken of aanleiding bestaat om van de discretionaire bevoegdheid gebruik te maken. Indien niet aan de hoofdvereisten wordt voldaan, zal verweerder dit niet ambtshalve doen. Er kunnen ook daarbuiten altijd zaken aan hem worden voorgelegd, door de IND, door de burgemeester of door organisaties die zich voor een vreemdeling inzetten. Als een zaak echter niet is voorgelegd, wordt in het besluit op de aanvraag op grond van de Kinderpardonregeling niet ambtshalve een beoordeling over de discretionaire bevoegdheid gegeven, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er in een situatie als deze, nu niet aan één van de hoofdvereisten wordt voldaan, in redelijkheid ervoor heeft mogen kiezen om pas na een daartoe strekkende aanvraag te bezien of aanleiding bestaat om van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken.

7.1 Eiseressen voeren voorts aan dat in het bestreden besluit geen volledige afweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft plaatsgevonden omdat verweerder slechts heeft verwezen naar de besluiten in de procedures van [naam] en haar moeder inzake de aanvragen om gezinshereniging, respectievelijk voortgezet verblijf, die bovendien inmiddels zijn ingetrokken. In die besluiten is bovendien te weinig aandacht besteed aan de positie van [naam]. De keuze van haar moeder om illegaal gezinsleven in Nederland op te bouwen mag [naam] voorts niet worden tegengeworpen, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2069). Eiseressen hebben tot slot ook aangevoerd dat verweerder de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden.

7.2 De rechtbank is met eiseressen van oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden en dat aan het besluit een motiveringsgebrek kleeft ten aanzien van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt eiseressen in hun betoog dat gelet op de inhoudelijke gronden met betrekking artikel 8 van het EVRM geen sprake kon zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar. Daarnaast heeft verweerder erkend dat in de eerdere besluiten inzake de procedures over voortgezet verblijf en gezinshereniging, die inmiddels zijn ingetrokken, sprake was van motiveringsgebreken. Met de verwijzing naar die besluiten bevat het bestreden besluit reeds daarom een motiveringsgebrek. Ook daarom dient het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder heeft echter verzocht de motivering van de nieuwe besluiten in de andere procedures van 24 december 2013 (betreffende de moeder) en 10 januari 2014 (betreffende [naam]) bij de onderhavige procedure mee te nemen en als aanvullende motivering te zien, en heeft ook in dit kader verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

7.3.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de huidige motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering om eiseressen verblijf in Nederland toe te staan geen schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat verweerder altijd een ‘fair balance’ dient te vinden tussen het belang van de Staat en de persoonlijke belangen van eiseressen. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van het familieleven van [naam] en haar moeder het volgende van belang kunnen achten. In het nadeel van [naam] heeft verweerder meegewogen dat zij nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Verder is de verblijfsvergunning van haar moeder inmiddels verlopen, zodat ook de moeder Nederland zal moeten verlaten. Zij zullen dus niet gescheiden worden. Hoewel [naam 3] wel in het bezit is van een verblijfsvergunning en de Nederlandse overheid haar het verblijf hier te lande niet ontzegt, strekt de bescherming die artikel 8 van het EVRM niet zo ver dat deze het recht geeft op domiciliekeuze. [naam], [naam 3] en hun moeder worden geacht het gezinsleven gezamenlijk in Nigeria uit te kunnen oefenen. Niet is gebleken van objectieve belemmeringen daartoe. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat het feit dat [naam 3] in het bezit is van een verblijfsvergunning, geen objectieve belemmering oplevert. De verblijfsvergunning is verleend vanwege zeer specifieke omstandigheden. De schrijnendheid van het overlijden van de vader van [naam 3] is niet gerelateerd aan het land van herkomst en vormt naar het oordeel van de rechtbank geen belemmering voor terugkeer van het hele gezin naar dat land. De enkele niet onderbouwde stelling dat de vader juist daar onder mysterieuze omstandigheden het leven heeft gelaten, maakt dit niet anders. Ook heeft verweerder, gelet op de zeer jeugdige leeftijd van [naam 3], kunnen overwegen dat van haar kan worden verwacht [naam] en haar moeder te volgen naar Nigeria. Zij hebben allen de Nigeriaanse nationaliteit en [naam] en [naam 3] kunnen zich met behulp van hun moeder aanpassen aan de maatschappij en omstandigheden in Nigeria. Hun moeder is bekend met de Nigeriaanse taal, cultuur en gebruiken. De eenheid van het gezin, die artikel 8 van het EVRM beoogt te beschermen, blijft op deze manier beschermd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich aldus niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ‘fair balance’ tussen het belang van de Staat het belang van eiseressen om hun gezinsleven in Nederland uit te kunnen oefenen in het nadeel van eiseressen uitvalt.

7.3.2 Ten aanzien van het in Nederland opgebouwde privéleven van de moeder overweegt de rechtbank dat niet is onderbouwd waaruit dat privéleven bestaat. Hoewel de moeder sinds 1999 voor het grootste deel in Nederland heeft verbleven, is het enkele verblijf in Nederland niet voldoende voor het oordeel dat sprake is van beschermingswaardig privéleven in Nederland.

7.3.3 Ten aanzien van het in Nederland opgebouwde privéleven van [naam] heeft verweerder in dit geval als uitgangspunt kunnen nemen dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden op deze grond een verblijfsvergunning wordt verleend aan vreemdelingen die nooit rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad. De rechtbank verwijst naar eerdergenoemde uitspraak inzake Butt tegen Noorwegen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden. [naam] is weliswaar in Nederland geboren en hier opgegroeid en nog nooit in Nigeria geweest, maar zij heeft ook nooit rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Dat [naam] in Nederland naar school gaat en dat zij Nederlands spreekt heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, nu dat inherent is aan het feit dat zij leerplichtig is en zij daarin bovendien niet verschilt van leeftijdsgenoten. [naam] heeft de Nigeriaanse nationaliteit en niet is gebleken dat zij haar moedertaal niet spreekt. Haar moeder spreekt nauwelijks Nederlands, is als volwassene naar Nederland gekomen en is bekend met de Nigeriaanse taal, cultuur en gebruiken. Daarom kan er ook van uit worden gegaan dat [naam] nog banden heeft met Nigeria. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze omstandigheden niet ten onrechte ten nadele van [naam] heeft meegewogen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder de keuze van haar moeder om het illegaal verblijf in Nederland aan te gaan en voort te zetten aan [naam] heeft kunnen toerekenen. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in dit verband in rechtsoverweging 5.3.3 heeft overwogen. Indien naast [naam 3] ook [naam] in het bezit zou worden gesteld van een verblijfsvergunning, bestaat immers het risico dat de moeder de positie van de kinderen zou misbruiken om zelf een verblijfsrecht te krijgen. De verwijzing van eiseressen naar de Afdelingsuitspraak van 13 november 2013 slaagt daarom niet. Het beroep van eiseressen op diverse arresten van het EHRM slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin, nu in alle gevallen sprake was van andere omstandigheden dan die van eiseressen. Verweerder heeft op grond van het vorenstaande niet ten onrechte geoordeeld dat het belang van de Staat zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van [naam].

8.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseressen een toevoeging is verleend moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op aan eiseressen het betaalde griffierecht van € 160,-- te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 974,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, en mrs. M.J. van den Bergh en H.B. van Gijn, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.