Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11140

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
12/36226
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tamils, herhaalde aanvraag, mishandeling bij terugkeer, ambtsbericht 2013, risicofactoren

Naar het oordeel van de rechtbank levert de vermelding van mishandeling na terugkeer in het ambtsbericht van 2013 een nieuw feit of veranderde omstandigheid op, waarvan niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het af kan doen aan het eerdere besluit. Verweerder heeft in de vorige procedures deze melding van mishandeling na terugkeer niet betrokken bij de beoordeling van alle door eiser naar voren gebrachte risicofactoren, in onderlinge samenhang bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka. Immers, ten tijde van het vorige besluit was dit gegeven voor partijen (nog) niet kenbaar. De rechtbank acht daarbij niet relevant of, zoals verweerder zonder nadere onderbouwing heeft gesteld, achteraf gezegd kan worden dat die controles eerder ook al plaatsvonden en dat de feitelijke situatie niet aantoonbaar is veranderd. Bepalend is naar het oordeel van de rechtbank dat het gesignaleerde risico bij het eerder besluit niet (kenbaar) kon worden meegewogen omdat dit risico toen nog niet gesignaleerd was.

Nu verweerder vasthoudt aan de stelling dat hetgeen in het ambtsbericht van 2013 staat vermeld geen aanleiding vormt om de risico’s bij terugkeer voor Tamils anders in te schatten dan voorheen, betekent dat ook dat verweerder ten onrechte niet alle risicofactoren in onderlinge samenhang heeft bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Tav instandlating rechtsgevolgen: Van een verhoogd risicoprofiel is in het geval van eiser geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat, nu het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden, niet is gebleken van kenbare betrokkenheid van eiser (dan wel zijn familie) bij de LTTE. Voorts kan de door eiser gestelde illegale uitreis, gelet op het in de eerdere asielprocedure ongeloofwaardig geachte asielrelaas, in twijfel worden getrokken. Evenmin is gebleken dat de autoriteiten van Sri Lanka op de hoogte zijn van eisers asielaanvraag in Nederland. Dat dit verhoogde risico zou blijken uit de omstandigheid dat eiser heeft verbleven in een land waar fondsenwerving plaatsvindt voor de LTTE, wordt niet gevolgd. Nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling staat vanwege separatistische activiteiten, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Nederland, evenals Londen, aangemerkt zou moeten worden als een zogenoemde ‘diaspora hotspot’: een plaats waar separatistische activiteiten plaatsvinden. Ten aanzien van het door eiser gestelde met betrekking tot de deelname aan de Heldendagen en de overgelegde foto’s van demonstraties, overweegt de rechtbank dat uit deze foto’s niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser de persoon is die op deze foto’s is afgebeeld en ook al zou eiser de persoon zijn die op deze foto’s is afgebeeld, daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat de Srilankaanse autoriteiten van deze foto’s en eisers deelname aan de Heldendagen op de hoogte zijn waardoor eiser bij terugkeer zou hebben te vrezen. Eiser heeft weliswaar littekens op zijn lichaam en het paspoort van eiser is verlopen maar het voorgaande leidt niet tot het oordeel dat de door eiser benoemde risicofactoren in onderlinge samenhang bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka, tot de conclusie leiden dat er in het geval van eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM. Rechtsgevolgen worden in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/36226

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser][eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Sri Lankaanse nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 november 2012 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij verzoek van 16 november 2012 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 5 december 2012 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegen-heid te stellen te reageren op de door de rechtbank ter zitting gestelde vragen. Bij brief van 23 oktober 2013 heeft de rechtbank deze vragen op schrift gesteld. Bij brief van

21 november 2013 heeft verweerder gereageerd op de vragen. Vervolgens heeft eiser op

5 december 2013 gereageerd.

Bij brief van 17 januari 2014 heeft de rechtbank de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) verzocht om inlichtingen te geven door het schriftelijk beantwoorden van vragen. De AIVD heeft bij brief van 12 februari 2014 op de vragen van de rechtbank gereageerd met het verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze rechtbank en zittingsplaats heeft vervolgens - in een andere samenstelling - bepaald dat de beperking van de kennisneming van deze informatie tot uitsluitend de rechtbank gerechtvaardigd is te achten. Verweerder en de gemachtigde van eiser hebben bij brieven van respectievelijk 26 maart 2014 en 1 april 2014 medegedeeld dat zij toestemming verlenen om uitspraak te doen op grondslag van de informatie welke de rechtbank verkregen heeft van de AIVD.

Bij brieven van respectievelijk 9 april 2014 en 13 april 2014 hebben verweerder en de gemachtigde van eiser de rechtbank toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank stelt vast dat het in de onderhavige procedure, met uitzondering van het in het onderhavige besluit opgelegde inreisverbod, de beoordeling betreft van een materieel vergelijkbaar besluit.

Uit het dossier blijkt dat eiser al eerder, op 28 oktober 2000, een aanvraag heeft gedaan om verlening van een verblijfsvergunning asiel. Bij uitspraak van 20 december 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Roermond, het door eiser ingestelde beroep, gericht tegen het besluit van 30 oktober 2000, ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Op

26 juli 2007 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel. Bij uitspraak van 21 augustus 2007 heeft de rechtbank

’s-Gravenhage, zittingsplaats Almelo, het door eiser ingestelde beroep, gericht tegen het besluit van 1 augustus 2007, ongegrond verklaard. Op 20 november 2007 heeft eiser opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij uitspraak van 8 februari 2008 heeft deze rechtbank en deze zittingsplaats het beroep, gericht tegen het besluit van 26 november 2007, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 januari 2009 heeft de AbRS deze uitspraak bevestigd. Op 14 mei 2009 heeft eiser wederom een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij uitspraak van

23 augustus 2011 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep, gericht tegen het besluit van 14 januari 2010, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 februari 2012 heeft de AbRS deze uitspraak bevestigd.

2.

Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandig-heden zijn aangevoerd, dan wel uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kan dat besluit door de bestuursrechter worden getoetst.

3.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit. Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van

19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, ECLI:NL:XX:1998:AG8817) voordoen.

4.

Gelet op dit beoordelingskader moet de rechtbank beoordelen of aan de huidige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

5.

Eiser betoogt dat hem ten onrechte geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, dan wel onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is verleend. Eiser heeft aan zijn (herhaalde) aanvraag ten grondslag gelegd dat het Wijzigings-besluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2012/10 voor hem een relevante wijziging van het recht oplevert. Voorts is volgens eiser de situatie voor terugkerende asielzoekers sinds de eerdere afwijzende besluiten verslechterd. Eiser vreest bij terugkeer in Sri Lanka door de autoriteiten herkend te worden omdat hij hier in Nederland heeft deelgenomen aan acties/ demonstraties tegen de Sri Lankaanse autoriteiten. Ook heeft eiser zijn mening verkondigd op Facebook. Tevens is eiser bang dat hij bij terugkeer gemarteld zal worden vanwege de littekens die hij heeft en het feit dat hij met een vals visum Sri Lanka heeft verlaten.

Eiser heeft ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag de volgende stukken overgelegd dan wel daarnaar verwezen:

1.

het ambtsbericht van augustus 2009;

2.

een rapport van de Schweizerischen Flüchtlingshilfe van 1 december 2010;

3.

diverse foto’s van eiser tijdens de Heldendagen en van zijn littekens;

4.

stukken aangaande de neef van eiser;

5.

een rapport van de KLPD van maart 2011, getiteld “Rapportage ten aanzien van het verstrekken van subsidies en het verlenen van vergunningen aan L.T.T.E. gerelateerde organisaties”;

6.

het stuk ‘Responses to information request’ van 22 augustus 2011 van het Immigration and Refugee Board of Canada;

7.

een rapport van de Schweizerischen Flüchtlingshilfe van 22 september 2011, getiteld “Sri Lanka: Situation für aus dem Norden oder Osten stammende Tamilinnen in Colombo und für Rückkehrerinnen nach Sri Lanka”;

8.

een rapport van Freedom from Torture van 7 november 2011, getiteld “Out of the Silence: New Evidence of ongoing Torture in Sri Lanka, 2009-2011”;

9.

een bericht van Human Rights Watch van 24 februari 2012, getiteld “UK: Halt Deportations of Tamils to Sri Lanka”;

10.

een rapport van Amnesty International van maart 2012, getiteld “Locked Away. Sri Lanka’s Security Detainees”;

11.

een rapport van de International Crisis Group van 16 maart 2012, getiteld “Sri Lanka’s North II: Rebuilding under the Military”;

12.

een artikel van TamilNet van 28 april 2012, getiteld “UK deportee killed while Tamil Nadu returnees arrested in Trincomalee”;

13.

een motie van het Britse parlement van 23 mei 2012 over de deportatie van Tamils;

14.

een bericht van Human Rights Watch van 29 mei 2012, getiteld “UK: Suspend

Deportations of Tamils to Sri Lanka ”;

15.

een rapport van Tamils Against Genocide van mei 2012, getiteld “Treatment of failed

asylum seekers: An overview of the persecution faced by failed asylum seekers returning

to Sri Lanka”;

16.

een bericht van de Independent van 31 mei 2012 en van 1 juni 2012;

17.

een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Arnhem, van 22 juni 2012 (Awb 12/17918 en 12/17917);

18.

een rapport van Human Rights Watch van 1 augustus 2012, getiteld “Sri Lankan deportees allegedly tortured on return from the UK and other countries”;

19.

een brief van Human Rights Watch van 7 augustus 2012 aan de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, inclusief bijlage betreffende teruggekeerde Tamils (Sri Lankan deportees allegedly tortured on return from the United Kingdom and other countries);

20.

een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, van 9 augustus 2012 (Awb 12/13859 en 12/13858);

21.

een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, van 28 augustus 2012 (Awb 12/24858 en 12/24857);

22.

de antwoorden van de Minister op Kamervragen omtrent twee uitzettingen door Nederland naar Sri Lanka van 12 september 2012;

23.

een rapport van Freedom from Torture van 13 september 2012, getiteld “Sri Lankan Tamils tortured on return from the UK”;

24.

een rapport van Tamils against Genocide van 16 september 2012, getiteld “Returnees at risk: detention and Torture in Sri Lanka”;

25.

een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Utrecht, van 27 september 2012 (Awb 12/28777 en 12/28778);

26.

een artikel uit The Sydney Morning Herald van 29 september 2012, getiteld “Lure of good life dashed on Nauru’s shores”;

27.

een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Zutphen, van 8 oktober 2012 (Awb 12/27647);

28.

een rapport van Human Rights Watch van 25 oktober 2012, getiteld “UK Halts deportations of some Tamil asylum seekers”;

29.

de zaak Paramananthan;

30.

artikelen van LankasriNews van 10 november 2012, 12 november 2012 en 13 november 2012;

31.

de ‘Eligibility Guidelines For Assessing The International Protection Needs Of Asylum Seekers From Sri Lanka’ van december 2012 van de United Nations High Commissioner for Refugees;

32.

een onderzoek van het Openbaar Ministerie van 17 januari 2013 naar de viering van de Heldendag Tamil Tijgers;

33.

het antwoord op het verzoek om informatie van Freedom from Torture aan UK Border Agency van 6 februari 2013;

34.

een rapport van Human Rights Watch van 26 februari 2013, getiteld “We Will Teach You a Lesson”;

35.

een rapport van Tamils Against Genocide van 26 februari 2013, getiteld “How many cases of torture of Tamils returning to Sri Lanka from the UK do we know of?”;

36.

een rapport van Tamils Against Genocide van 13 maart 2013, getiteld “Activist Intimidation Surveillance and Intimidation of Tamil Diaspora Activists and their Supporters”;

37.

een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 april 2013 (Awb 12/26942);

38.

een rapport van Amnesty International van 30 april 2013, getiteld “Assault on dissent”

39.

het ambtsbericht van juni 2013;

40.

een bericht van Foreign & Commonwealth Office van 30 juni 2013, getiteld ”Human Rights and Democracy, Country Updates, Sri Lanka” over het monitoren van sociale media;

41.

een uitspraak van het Upper Tribunal IAC AA/12647/2011, GJ and Others (post-civil war: returnees) Sri Lanka CG (2013) UKUT 319 (IAC) van 5 juli 2013;

42.

appendix en bijlagen bij de uitspraak van de Upper Tribunal van dr. David Rampton, dr. Chris Smith, ms. Charu Lata Hogg en professor Anthony Good van 5 juli 2013;

43.

een artikel van Tamilwin van 20 juli 2013;

44.

een rapport van de Schweizerischen Flüchtlingshilfe van 13 augustus 2013, getiteld ”Sri Lanka – Exilpolitische Aktivitäten – Auskunft”;

45.

een artikel in Tages Woche van 2 september 2013, getiteld “Tamilen werden vörlaufig nicht nach Sri Lanka zurückgeschafft”;

46.

een rapport van de Federal Office for Migration van 4 september 2013, getiteld “Federal Office for Migration temporarily suspends repatriation to Sri Lanka”;

47.

melding van gemachtigde van eiser bij de AIVD en bij de IND van spionage door inspecteurs van de Criminal Investigation Department en de ambassade in Nederland.

6.

De rechtbank stelt vast dat in eerdere procedures van eiser geoordeeld is dat niet geloof-waardig is dat hij activiteiten heeft verricht voor de militante Tamil beweging Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE).

7.

Met betrekking tot eisers betoog dat met het beleid zoals neergelegd in WBV 2012/10 sprake is van een wijziging van voor eiser relevant recht, overweegt de rechtbank als volgt.

In de toelichting bij WBV 2012/10 is het volgende opgenomen:

“De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in oktober 2011 een algemeen ambtsbericht over Sri Lanka uitgebracht. Het ambtsbericht beslaat de periode van juli 2010 tot en met juni 2011. In dit wijzigingsbesluit zijn enkele actualiseringen als gevolg van het ambtsbericht opgenomen. Voorts is aanleiding gezien om een aantal overwegingen van het EHRM in haar vijf uitspraken van 20 januari 2011, (N.S. t. Denemarken, nr 58359/08, T.N. t. Denemarken, nr. 20594/08, P.K. t. Denemarken, nr 54705/08, S.S. e.a. t. Denemarken, nr. 54703/08 en T.N. t. Denemarken, nr. 36517/08) en van 17 juli 2008 (NA t. Verenigd Koninkrijk, nr 5904/07) nadrukkelijker in dit wijzigingsbesluit op te nemen dan dit in het vorig wijzigingsbesluit het geval was. Hiermee wordt de bestaande praktijk verduidelijkt dat de overwegingen van het EHRM worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. In deze uitspraken geeft het EHRM weer op welke wijze een beroep op artikel 3 EVRM voor een Tamil bij terugkeer naar Sri Lanka dient te worden beoordeeld. Het EHRM bepaalt dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat hij of zij zodanig in de belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten dat er bij zijn of haar terugkeer een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM. Het EHRM benoemt hierbij een aantal risicofactoren die mede kunnen bepalen of sprake is van een reëel risico.”

Uit deze toelichting is af te leiden dat verweerder met WBV 2012/10 niet heeft beoogd nieuw beleid vast te stellen, maar het bestaande beleid te verduidelijken. Van een voor eiser relevante wijziging van recht is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake, zodat het in het WBV 2012/10 neergelegde beleid geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid is.

8.

Het in de opsomming onder 1 genoemde document, te weten het ambtsbericht van augustus 2009, dateert van vóór het besluit in de vorige procedure zodat eiser dit ambtsbericht aan die aanvraag ten grondslag had kunnen en moeten leggen. Dit document levert aldus geen rechtens relevant nieuw feit of gewijzigde omstandigheid op.

9.

De foto’s waarop de diverse littekens van eiser te zien zijn en de foto’s aangaande de demonstraties in de periode mei - juli 2009 (hiervoor genoemd onder 3) kunnen evenmin als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangemerkt. Eiser had deze foto’s tijdens zijn eerdere asielprocedure naar voren kunnen brengen. Ook de stellingen van eiser dat hij in het bezit is van een paspoort met een vals visum (hetgeen verweerder overigens betwist), dat hij familieleden heeft die lid zijn van de LTTE en dat hij op illegale wijze Sri Lanka uit is gereisd, zijn niet te kwalificeren als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, nu eiser deze (risico)factoren reeds in de vorige asielprocedures naar voren heeft gebracht, dan wel naar voren had kunnen brengen.

10.

Evenmin kunnen de door eiser genoemde uitspraken worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Jurisprudentie kan immers niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt.

11.

De melding (hiervoor genoemd onder 47) van de gemachtigde van eiser bij de AIVD en bij verweerder van een geïnfiltreerde CID-agent die informatie over in Nederland verblijvende Sri Lankanen zou verstrekken aan de Sri Lankaanse autoriteiten, kan ook niet worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid nu de rechtbank niet gebleken is dat van spionage hier te lande sprake is.

12.

Ten aanzien van de overige stukken die door eiser zijn overgelegd dan wel waarnaar eiser heeft verwezen om zijn stelling dat de situatie in Sri Lanka verslechterd is nader te onderbouwen, overweegt de rechtbank als volgt.

13.

Bij uitspraak van 9 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:115, heeft de AbRS - samengevat weergegeven - overwogen dat de situatie in Sri Lanka ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere besluit in die zaak (van 10 december 2009) niet zodanig is verslechterd dat iedere Tamil die een lange periode buiten Sri Lanka heeft verbleven en hier een asielaanvraag heeft ingediend, bij terugkeer reeds om die reden negatief in de belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten komt te staan, zodat op voorhand is uitgesloten dat de in die zaak overlegde documenten kunnen afdoen aan eerdere besluitvorming en daarom niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden kan worden aangemerkt. Deze uitspraak is bevestigd door de AbRS in een uitspraak van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1605, een uitspraak van

21 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1698, een uitspraak van 5 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2315, een uitspraak van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:833 en een uitspraak van 20 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2351.

Nu de aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegde, in rechtsoverweging 12 genoemde, stukken door de AbRS in bovenvermelde uitspraken niet aangemerkt zijn als nieuw gebleken feiten en omstandigheden, dan wel deze stukken geen wezenlijk ander beeld geven van de veiligheidssituatie dan de stukken die de AbRS heeft beoordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om in onderhavige procedure hieromtrent anders te oordelen.

14.

De rechtbank stelt echter wel vast dat in het laatste ambtsbericht, anders dan in de voorafgaande ambtsberichten, melding wordt gemaakt van mishandeling na terugkeer.

In het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2010 is op pagina 69/70 vermeld:

“Na aankomst op het vliegveld worden de meeste repatrianten gecontroleerd door de Sri Lankaanse immigratiemedewerkers. Voor zover bekend wordt bij de inreiscontrole geen onderscheid gemaakt naar afkomst. Er worden volgens een bron wel vragen gesteld in verband met voormalige LTTE betrokkenheid. Als er twijfel bestaat over de identiteit van de betrokken persoon, dan wordt deze door de Immigratiedienst doorverwezen naar de CID. Ook wordt soms bij het National Intelligence Bureau (NIB) gecontroleerd of de betrokken persoon voorkomt in de registers. Bij de CID ondergaan de repatrianten een identiteitsonderzoek waarbij de personalia van betrokkene worden onderzocht en wordt nagegaan of de desbetreffende repatriant in het verleden betrokken is geweest bij criminele activiteiten. Deze controle kan meer dan 24 uur duren. Afhankelijk van de situatie wordt de repatriant daarna doorverwezen naar de State Intelligence Service (SIS) en/of de Terrorist Investigation Departement (TID) voor ondervraging. Repatrianten die betrokken zijn geweest bij criminele activiteiten en zij die banden hebben met de LTTE, worden verder ondervraagd of vastgehouden. Daarbij wordt ook gelet op een eventueel eerder illegaal vertrek uit Sri Lanka en betrokkenheid bij de media of bij NGO’s. Tamils uit het noorden en oosten worden hierbij nauwkeuriger ondervraagd dan andere personen. De geautomatiseerde databases van de CID, NIB en de Immigration and Emigration Department zijn met elkaar verbonden. Sinds 2001 mag het merendeel van de repatrianten na controle van de identiteitsgegevens het vliegveld verlaten. Een repatriant kan zich in beginsel direct na aankomst in Sri Lanka identificeren met een laissez-passer of een nationale identiteitskaart. Acceptatie van andere documenten is bij een controle afhankelijk van de controlerende autoriteiten. Er zijn geen aanwijzingen dat terugkerende Sri Lankanen negatief in de belangstelling staan van de Sri Lankaanse autoriteiten. Het aanvragen van asiel in het buitenland wordt niet gezien als oppositie tegen de staat. Bij terugkeer worden voor zover bekend geen maatregelen genomen tegen afgewezen asielzoekers. De mogelijkheid bestaat dat ze kort worden ondervraagd, maar er is geen aanwijzing dat ze worden mishandeld vanwege hun verblijf in het buitenland.”

In het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van februari 2011 is op pagina 62/63 vermeld:

“Na aankomst op het vliegveld worden de meeste repatrianten gecontroleerd door de Sri Lankaanse immigratiemedewerkers. Voor zover bekend wordt bij de inreiscontrole geen onderscheid gemaakt naar afkomst. Er worden volgens een bron wel vragen gesteld in verband met voormalige LTTE betrokkenheid. Als er twijfel bestaat over de identiteit van de betrokken persoon, dan wordt deze door de Immigratiedienst doorverwezen naar de CID. Ook wordt soms bij het National Intelligence Bureau (NIB) gecontroleerd of betrokken persoon voorkomt in de registers. Bij de CID ondergaan de repatrianten een identiteitsonderzoek waarbij de personalia van betrokkene worden onderzocht en wordt nagegaan of de desbetreffende repatriant in het verleden betrokken is geweest bij criminele activiteiten. Deze controle kan meer dan 24 uur duren. Ook worden er foto’s genomen en vingerafdrukken gemaakt. Afhankelijk van de situatie wordt de repatriant daarna doorverwezen naar de State Intelligence Service (SIS) en/of de Terrorist Investigation Departement (TID) voor ondervraging. Repatrianten die betrokken zijn geweest bij criminele activiteiten en zij die banden hebben met de LTTE, worden verder ondervraagd of vastgehouden. Daarbij wordt ook gelet op een eventueel eerder illegaal vertrek uit Sri Lanka en betrokkenheid bij de media of bij NGO’s. Tamils uit het noorden en oosten worden hierbij nauwkeuriger ondervraagd dan andere personen. Sinds begin 2010 zouden de CID-procedures voor het vasthouden van repatrianten echter minder streng worden toegepast.”

Tot slot is in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2013 is op pagina 62 vermeld:

“Personen die gedwongen terugkeren met een nooddocument werden doorgaans ondervraagd door de douaneautoriteiten, de CID, de TID en de SIS (State Intelligent Service). Volgens een bron zou verificatie van hun identiteit langer kunnen duren, er wordt onder andere gebeld naar het lokale politiebureau. Ook zou worden gecontroleerd of een repatriant op de zwarte lijst staat (betrokkenheid bij de LTTE) of op de lijst van gezochte personen (voor een misdaad) en inderdaad in het bezit is van de Sri Lankaanse nationaliteit. De procedure van het Department of Immigration and Emigration (DIE) op het vliegveld zou voor alle repatrianten hetzelfde zijn geweest aldus de Canadian High Commission in Colombo. De BHC, die wordt geciteerd in een UKBA-rapport, geeft echter aan dat de autoriteiten niet elk individu consequent op dezelfde wijze behandelden en dat sommigen bijvoorbeeld niet werden geïdentificeerd. Eenmaal terug in hun dorpen zouden repatrianten worden gecontroleerd door het Criminal Intelligence Department (CID), onder andere door bezoeken van het CID bij de vluchteling thuis, aldus een bron.

Berichten van mishandeling na terugkeer.

Er waren tijdens de verslagperiode meldingen van mishandeling van repatrianten. Met name repatrianten met (vermeende) banden met Tamil Tijgers zouden bij terugkeer gevaar lopen en Tamils die in het buitenland politiek actief zijn tegen het Sri Lankaanse overheidsbeleid. Volgens de in het UKBA-rapport geciteerde BHC zou de Sri Lankaanse overheid openlijk hebben toegegeven lichamelijk onderzoek te hebben gebruikt om te verifiëren of verdachten een militaire training hadden ondergaan. Men zou aanwijzingen hebben gezocht dat een verdachte betrokken was bij gevechten en/of een militaire opleiding.”

De rechtbank is van oordeel dat het ambtsbericht van 2013 op grond van artikel 83 van de Vw 2000 kan worden betrokken bij de beoordeling maar dat vervolgens wel beoordeeld dient te worden of het stuk een nieuw feit of veranderde omstandigheid is.

In het (destijds geldende) landgebonden asielbeleid zoals vastgelegd in de Vreemdelingen-circulaire 2000 staat dat verweerder een verzoek om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 van Srilankaanse Tamils mede beoordeelt aan de hand van de door het EHRM - de uitspraken van 20 januari 2011 (N.S. t. Denemarken (nr.58359/08) en van 17 juli 2008 (nr.25904/07) NA t. Verenigd Koninkrijk) - benoemde risicofactoren. De genoemde risicofactoren vormen geen checklist en zijn niet uitputtend bedoeld. Iedere genoemde individuele risicofactor hoeft op zich geen aanleiding te geven om er van uit te gaan dat er bij terugkeer naar Colombo sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mensen en fundamentele vrijheden (EVRM). Zij kunnen dit wel cumulatief zijn in combinatie met enkele andere risicofactoren. De door het EHRM benoemde risicofactoren moeten in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka in onderlinge samenhang worden bezien.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de vermelding van mishandeling na terugkeer in het ambtsbericht van 2013 een nieuw feit of veranderde omstandigheid op. Verweerder heeft in de vorige procedures deze melding van mishandeling na terugkeer niet betrokken bij de beoordeling van alle door eiser naar voren gebrachte risicofactoren, in onderlinge samenhang bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka. Immers, ten tijde van het vorige besluit was dit gegeven voor partijen (nog) niet kenbaar. De rechtbank acht daarbij niet relevant of, zoals verweerder zonder nadere onderbouwing heeft gesteld, achteraf gezegd kan worden dat die controles eerder ook al plaatsvonden en dat de feitelijke situatie niet aantoonbaar is veranderd. Bepalend is naar het oordeel van de rechtbank dat het gesignaleerde risico bij het eerder besluit niet (kenbaar) kon worden meegewogen omdat dit risico toen nog niet gesignaleerd was.

15.

De rechtbank ziet zich, nu de melding van mishandeling na terugkeer in het ambtsbericht van 2013 nieuw is, ambtshalve gesteld voor de vraag of op voorhand is uit te sluiten dat deze melding kan afdoen aan het eerdere besluit, de motivering daarvan en de wijze waarop het tot stand is gekomen.

16.

Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat de individuele omstandigheden in samenhang moeten worden bezien met de algemene situatie in het land van herkomst. Zoals het EHRM heeft geoordeeld, moet aannemelijk worden dat er serieuze redenen zijn om te geloven dat eiser in een dusdanige belangstelling van de autoriteiten staat in verband met de strijd tegen de LTTE, dat eiser zal worden onderworpen aan detentie en ondervraging. De beoordelingen van de individuele omstandigheden kan plaatsvinden aan de hand van de eerdergenoemde risicofactoren. Hoewel deze risicofactoren afzonderlijk bezien wellicht geen risico opleveren, moeten zij gezamenlijk en in het licht van de algemene situatie worden gezien, waardoor wel degelijk sprake kan zijn van een risico.

17.

Gelet op het vorenstaande kan de melding van mishandeling in het ambtsbericht van juni 2013 afdoen aan de eerdere besluiten, de motivering daarvan en de wijze waarop het tot stand is gekomen. Zodoende is er sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

18.

In de onderhavige procedure heeft verweerder de aanvraag van eiser, ondanks de omstandigheid dat sprake is van een herhaalde aanvraag, inhoudelijk beoordeeld. Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een nieuw feit dat, of een veranderde omstandigheid die, aanleiding kan geven tot een andere inhoudelijke beoordeling, kan de rechtbank in zoverre het besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

19.

Volgens eiser zijn de volgende risicofactoren op hem van toepassing: hij is een Tamil uit het Noorden, hij heeft littekens, hij keert terug uit een land waar fondsen worden geworven voor de LTTE, hij heeft Sri Lanka verlaten met een vals visum in zijn paspoort, hij beschikt niet over een paspoort, noch over een identiteitsdocument, hij heeft deelgenomen aan demonstraties in Nederland, hij heeft tijdens het gewapende conflict Sri Lanka verlaten en kan zijn jarenlange verblijf in het buitenland niet anders verklaren dan dat hij een asielaanvraag heeft ingediend, hij heeft een asielaanvraag in Nederland ingediend, hij heeft familieleden die actief waren voor de LTTE, hij heeft familieleden die buiten Sri Lanka wonen, hij heeft actief deelgenomen aan de Heldendagen en hij heeft via Facebook kritiek geuit op de Sri Lankaanse autoriteiten.

20.

Nu verweerder vasthoudt aan de stelling dat hetgeen in het ambtsbericht van 2013 staat vermeld geen aanleiding vormt om de risico’s bij terugkeer voor Tamils anders in te schatten dan voorheen, betekent dat ook dat verweerder ten onrechte niet alle risicofactoren in onderlinge samenhang heeft bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

21.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of het mogelijk is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij zal de rechtbank in aanmerking nemen dat het onderzoek reeds geschorst is geweest en dat het aangewezen is het geschil finaal te beslechten.

22.

In het arrest van het EHRM van 30 april 2013 (Mo. P. v. Frankrijk, application no. 55787/09; www.echr.coe.int) is overwogen dat het gegeven dat iemand Tamil is en in het buitenland asiel heeft gevraagd, onvoldoende is om tot schending van artikel 3 van het EVRM te concluderen. Het EHRM overweegt dat daar pas sprake van zou kunnen zijn, als de vreemdeling aantoont dat de autoriteiten specifieke belangstelling voor hem hebben, bijvoorbeeld vanwege een strafbaar feit of omdat het een invloedrijk persoon binnen de LTTE betreft.

In de uitspraak van het Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) van het Verenigd Koninkrijk van 5 juli 2013 (GJ a.o., UKUT 319 (IAC); https://tribunalsdecisions.service.gov.uk) is ingegaan op de vraag welke risico’s Tamils lopen bij terugkeer naar Sri Lanka. Het Upper Tribunal komt op basis van uitgebreid bronnenonderzoek en het horen van deskundigen tot de conclusie dat er geen algemeen risico geldt voor een Tamil die terugkeert, maar dat dit afhankelijk is van individuele factoren. Met name Tamils die een gevaar vormen voor de stabiliteit of eenheid van Sri Lanka staan in de negatieve belangstelling van de autoriteiten. Een belangrijke aanwijzing voor die negatieve aandacht is te vinden in de activiteiten die de betreffende vreemdeling heeft verricht in de diaspora. Betrokkenheid bij separatistische activiteiten, zoals bijvoorbeeld fondsenwerving voor de LTTE, is hier een voorbeeld van.

In het geval van eiser geldt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot de categorie repatrianten die de aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten oproept. Van een verhoogd risicoprofiel is in het geval van eiser geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat, nu het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden, niet is gebleken van kenbare betrokkenheid van eiser (dan wel zijn familie) bij de LTTE. Voorts kan de door eiser gestelde illegale uitreis, gelet op het in de eerdere asielprocedure ongeloofwaardig geachte asielrelaas, in twijfel worden getrokken. Evenmin is gebleken dat de autoriteiten van Sri Lanka op de hoogte zijn van eisers asielaanvraag in Nederland. Bovendien blijkt uit het ambtsbericht van 6 juni 2013 dat het aanvragen van asiel in het buitenland niet wordt gezien als oppositie tegen de staat. Dat dit verhoogde risico zou blijken uit de omstandigheid dat eiser heeft verbleven in een land waar fondsenwerving plaatsvindt voor de LTTE, wordt niet gevolgd. Nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling staat vanwege separatistische activiteiten, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Nederland, evenals Londen, aangemerkt zou moeten worden als een zogenoemde ‘diaspora hotspot’: een plaats waar separatistische activiteiten plaatsvinden. De rechtbank verwijst op dit punt naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 15 oktober 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:14533). Ten aanzien van het door eiser gestelde met betrekking tot de deelname aan de Heldendagen en de overgelegde foto’s van demonstraties, overweegt de rechtbank dat uit deze foto’s niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser de persoon is die op deze foto’s is afgebeeld en ook al zou eiser de persoon zijn die op deze foto’s is afgebeeld, daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat de Srilankaanse autoriteiten van deze foto’s en eisers deelname aan de Heldendagen op de hoogte zijn waardoor eiser bij terugkeer zou hebben te vrezen.

Eiser heeft weliswaar littekens op zijn lichaam en het paspoort van eiser is verlopen maar het voorgaande leidt niet tot het oordeel dat de door eiser benoemde risicofactoren in onderlinge samenhang bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka, tot de conclusie leiden dat er in het geval van eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM.

23.

Ten aanzien van het inreisverbod overweegt de rechtbank als volgt.

24.

Met betrekking tot de verkorting van de vertrektermijn en het opgelegde inreisverbod heeft eiser aangevoerd dat niet is onderbouwd dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat verweerder eisers verzoek om gehoord te worden over zijn persoonlijke omstandigheden niet naast zich neer heeft kunnen leggen. Verder heeft verweerder volgens eiser niet onderbouwd waarom de maximale duur van het inreisverbod is opgelegd.

25.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen een vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.

26.

Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan verweerder bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten onder andere indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft in het voornemen, welke als ingelast in het bestreden besluit moet worden beschouwd, de omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat een dergelijk risico bestaat. Eiser heeft deze omstandigheden niet weersproken. Zijn enkele stelling in beroep dat er geen risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, omdat hij zich destijds bij de autoriteiten in België heeft gemeld, is niet afdoende. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hem op basis hiervan een vertrektermijn onthouden. Gelet op het vorenstaande was verweerder gehouden om eiser op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod op te leggen. Ten aanzien van de duur van het aan eiser opgelegde inreisverbod verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de AbRS van 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9112.

27.

Eiser heeft aangevoerd dat hij, in strijd met het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, en artikel 4:9 van de Awb, niet in de gelegenheid is gesteld om de individuele omstandigheden, die aanleiding kunnen geven van het opleggen van een inreisverbod af te zien, dan wel de duur ervan kunnen verkorten, in een gehoor naar voren te brengen.

Niet in geschil is dat eiser in staat is gesteld om bij wijze van zienswijze schriftelijk individuele omstandigheden aan te voeren. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat hij niet met gegevens of bescheiden heeft toegelicht waarom deze gelegenheid om individuele omstandigheden aan te voeren voor hem niet volstond en hij ook in persoon diende te worden gehoord, biedt de omstandigheid dat eiser niet in persoon is gehoord geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2013, ECLI, NL”RVS:2013:BZ86733.

28.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het nieuw te nemen besluit slechts tot één uitkomst kan leiden. De rechtbank zal daarom bepalen dat overeenkomstig artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

29.

De rechtbank ziet aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten van eiser in beroep worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op totaal € 974,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; wegingsfactor 1; waarde per punt € 487,--)

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 november 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 974,--, te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, voorzitter, en mr. P.H. Banda en mr. W.P.M. Elderman, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Westerbeek-Nette, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.