Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:11021

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
C-09-466450 - KG ZA 14-609
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen groothandel en Inspectie van Leefomgeving en Transport over op de markt brengen van producten die door de inspectie (volgens eiser: ten onrechte) als verboden biociden worden aangemerkt en het handhavingsbeleid van de inspectie terzake. Volgens eiser handelt de Staat onrechtmatig jegens haar door niet vooraf te handhaven – door het opleggen van een verbod tot verkoop onder bestuursdwang –, doch slechts achteraf een boete op te leggen en wel al waarschuwingen naar de afnemers van eiser te sturen. De inspectie benadert hiermee reeds de afnemers van eiser en deelt hen mede dat eiser een verboden biocide op de markt brengt voordat jegens eiser een formele handhavingsbeslissing is genomen waartegen rechtsbescherming open staat. De voorzieningenrechter overweegt dat het de inspectie vrijstaat handhavend op te treden, zowel tegen eiser als tegen haar afnemers. Die afnemers brengen immers ook mogelijk verboden biociden op de markt. De wijze waarop en de middelen waarmee wordt gehandhaafd vallen onder de beleidsvrijheid van de inspectie, ook als de inspectie er daarbij voor kiest jegens eiser anders op te treden dan jegens haar afnemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/466450 / KG ZA 14-609

Vonnis in kort geding van 15 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Haveco B.V.,

gevestigd te Hoorn,

eiseres,

advocaat mr. J. Happé te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen:

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Infrastructuur en Milieu – de Staatssecretaris – de Inspectie van Leefomgeving en Transport),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. D.S.P. Roelands-Fransen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Haveco’ en ‘de Staat’, althans ‘de inspectie’.

1 Procesverloop

Haveco heeft de Staat op 3 juni 2014 doen dagvaarden om op 2 juli 2014 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld.

De Staat heeft bezwaar gemaakt tegen de ter zitting door Haveco ingediende eiswijziging. Deze eiswijziging strekt er ertoe dat de voorzieningenrechter een zodanige andere of aanvullende maatregel beveelt als hij in goede justitie mag vermenen te behoren. Nu deze eiswijziging niet voorafgaand aan de zitting schriftelijk is medegedeeld en omdat de vordering daarmee zodanig onbepaald wordt dat de Staat in zijn verdedigingsbelangen wordt geschaad, wordt de eiswijziging vanwege strijd met de goede procesorde niet toegestaan. Dit laat overigens onverlet dat het de voorzieningenrechter – in algemene zin – vrijstaat bij zijn beslissing het mindere van het gevorderde toe te wijzen.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 2 juli 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Haveco is een groothandel in onder meer scheepsbenodigdheden en visserijartikelen.

2.2.

In Nederland geldt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Wgb) en de Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en gebruiken van biociden (hierna: de verordening). Artikel 3, lid 1, onder a, van de verordening luidt als volgt:

“1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) “biociden” :

- alle stoffen of mengsels die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, uit een of meer werkzame stoffen bestaan dan wel die stoffen bevatten of genereren, met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden;

- alle stoffen of mengsels die worden gegenereerd door stoffen of mengsels die zelf niet vallen onder het eerste streepje, en die gebruikt worden met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden.

Behandelde voorwerpen waarvan de primaire werking een biocidale werking is, worden beschouwd als biociden;”

Ingevolge artikel 17 lid 1 van de verordening in samenhang met artikel 43 lid 1 en 3 en artikel 72 van de Wgb mogen alleen biociden waarvoor overeenkomstig de verordening een toelating is verleend op de markt worden aangeboden en gebruikt en is het verboden zonder toelating die producten op de markt aan te bieden en deze producten aan te prijzen. Toelating kan op aanvraag worden verleend door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Ctgb). Het Ctgb beoordeelt alvorens toelating te verlenen de risico’s van de betreffende biocide, waarbij een hoog niveau van bescherming van mens, dier en milieu het uitgangspunt is. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is belast met de handhaving van de Wgb. Het toezicht op de naleving van de biocidewet- en regelgeving en de bevoegdheid tot handhaving daarvan is gemandateerd aan de inspectie. Het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en juridische zaken van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: VWA) is terzake gemachtigd tot het opleggen van een boete.

2.3.

Tot medio maart 2014 bracht Haveco de producten “Pura Tank” en “Aqua Clean” op de markt. Haveco heeft de verkoop van deze producten (vrijwillig) gestaakt, naar aanleiding van een op 25 februari 2014 door de inspectie geconstateerde overtreding van bij of krachtens de Wgb gestelde voorschriften. Bij beslissing van 30 mei 2014 is in verband hiermee door de Staat een boete aan Haveco opgelegd. Haveco is voornemens tegen deze beslissing bezwaar in te dienen. Geschilpunt tussen Haveco en de Staat is dat de Staat genoemde producten als biociden aanmerkt, terwijl het volgens Haveco geen biociden zijn. Voor genoemde producten is door het Ctgb geen toelating verleend; Haveco heeft ook niet om toelating verzocht.

2.4.

Bij schrijven van 29 maart 2014 heeft Haveco aan haar relaties bericht dat zij voor de onder 2.3. bedoelde (vloeibare) producten een nieuwe formule, te weten “Pura Tank nieuwe formule”(leverbaar vanaf 7 april 2014) en “Aqua Rein” (leverbaar van 14 april 2014), heeft gevonden en dat deze nieuwe producten niet in strijd zijn met “de vernieuwde biocide richtlijn”. Haveco heeft deze producten ook daadwerkelijk op de markt gebracht. Haveco’s afnemers van deze producten zijn (in elk geval) winkels op het gebied van watersport en kamperen (waaronder Dekker Watersport B.V. (hierna: Dekker Watersport) en De Kampeermarkt B.V. (hierna: de Kampeermarkt)).

2.5.

Bij e-mailberichten van 10 april 2014 en 15 april 2014 heeft de inspectie Haveco verzocht en bij e-mailbericht van 17 april gevorderd inlichtingen te verstrekken over de samenstelling van Pura Tank nieuwe formule en Aqua Rein. Vervolgens is bij brief van 24 april 2014 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aangekondigd, te voorkomen door de bij e-mail van 17 april 2014 gevorderde inlichtingen te verstrekken. Vervolgens is op 29 april 2014 door Haveco informatie verstrekt over de samenstelling van de bedoelde producten.

2.6.

Op 6 mei 2014 heeft de inspectie een bezoek gebracht aan Dekker Watersport en aldaar geconstateerd dat de producten Pura Tank en Aqua Rein in de verkoopruimte stonden. Nadat aan de directeur was medegedeeld dat deze producten naar de mening van de inspecteur biocidenhoudend zijn, heeft de directeur de producten uit de winkelruimte gehaald en aan de inspecteur medegedeeld dat hij de producten zou retourneren naar Haveco.

2.7.

Per e-mailbericht van 6 mei 2014 heeft de inspectie als volgt aan Haveco bericht:

“(…)

Inmiddels heb ik van een ILT-collega vernomen dat u de “nieuwe” producten op de Nederlandse markt heeft gebracht.

(…)

U bestemt beide producten om de drinkwatertank te behandelen. U bestemt Aqua Rein als een product dat kiemvorming voorkomt in het drinkwater.

(…)

Door mij worden Pura Tank – Nieuwe Formule – 500 ml en Aqua Rein – Nieuwe Formule – 100 ml. aangemerkt als biociden. Deze producten zijn niet door het Ctgb toegelaten.

U bent wederom in overtreding met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Ik deel u mede dat ik een opnieuw een boeterapport zal opstellen en dat ik deze zal indienen bij het Team Bestuurlijke Maatregelen van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit.

(…)

Ook dient u alle afnemers van uw producten Pura Tank – Nieuwe Formule – 500 ml en Aqua Rein – Nieuwe Formule – 100 ml. Te berichten dat ook met deze middelen sprake is van een overtreding en hen in de gelegenheid stellen deze naar u te retourneren.

(…)”

2.8.

Bij brief van 8 mei 2014 heeft de inspectie de Kampeermarkt (voor zover nu relevant) bericht dat zij handelt in strijd met artikel 17 lid 1 van de Biocidenverordening (hierna: de verordening) door niet toegelaten biociden, namelijk Pura Tank nieuwe formule en Aqua Rein, op de markt aan te bieden, hetgeen op grond van artikel 43 lid 1 van de Wgb verboden is. De inspectie heeft de Kampeermarkt daarbij gewaarschuwd de genoemde overtreding te beëindigen, herhaling te voorkomen en de gevolgen van de overtreding weg te nemen, en medegedeeld dat bij gebreke van voorgaande handeling de inspectie bestuursrechtelijk kan optreden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom en het opleggen van een bestuursrechtelijke boete.

2.9.

Bij brief van 15 mei 2014 heeft mr. Happé namens Haveco aan de inspectie een sommatie en aansprakelijkheidstelling toegezonden. Voor zover nu relevant is daarbij als volgt aan de inspectie bericht:

“(…)

Inmiddels is ter zake de oude receptuur [toevoeging voorzieningenrechter: hiermee worden Pura Tank en Aqua Clean bedoeld] een boeterapport opgesteld (…), doch heeft u gemeend om ook tegen de nieuwe receptuur te moeten optreden door systematisch de afnemers (…) van Haveco te benaderen en hen daarbij de stuipen op het lijf te jagen door hen met dwangsommen te dreigen omdat wederom (volgens u) sprake is van een niet toegelaten biocide.

Tegen dat optreden staat voor Haveco geen rechtsbescherming open, doch kan niet van haar worden verlangd dat u zonder een (rechterlijke) toets de afzetmarkt van Haveco de nek omdraait. Immers, wij twisten over de vraag of de producten aan te merken zijn als een (verboden) biocide. (…)

(…)

Het is van tweeën/ één;

dan wel u treedt jegens cliënte op met bestuursdwang ter zake een verbod genoemde producten in de markt te brengen, zodat uw oordeel kan worden getoetst in de bestuursrechtelijke rechtsgang, eventueel na bezwaar en voorlopige voorziening;

dan wel u onthoudt zich (intussen) van het verder in diskrediet brengen van Haveco en haar producten bij haar afnemers op slechts aannamen die nog niet hebben opengestaan aan rechtsbescherming.

(…)

Ik verwacht namens cliënte uiterlijk aanstaande maandag 19 mei voor 12.00 uur uw bevestiging (dan wel van uw dienst) dat u geen klanten van cliënte meer zult benaderen in verband met genoemde producten en indien u over gaat tot bestuursdwang dan verwacht ik het besluit daartoe uiterlijk volgende week.

(…)”

2.10.

Bij brief van 21 mei 2014 heeft de inspectie als volgt aan mr. Happé bericht, voor zover nu relevant:

“(…)

In antwoord op uw brief d.d. 15 mei 2014 bericht ik u als volgt. (…) Uit toezicht op de naleving van de Wgb is gebleken dat uw cliënte niet-toegelaten biociden op de markt heeft aangeboden. Ten aanzien van deze overtreding is een boeterapport opgemaakt. Enige tijd later is geconstateerd dat uw cliënte opnieuw vergelijkbare producten heeft aangeboden. Uw cliënte is medegedeeld dat een wijziging van de receptuur niet betekent dat geen sprake meer is van een biocide. De nieuwe producten zijn op de markt aangetroffen. Voor deze nieuwe overtreding zal opnieuw handhavend worden opgetreden. Tegen de besluiten die daaruit voortvloeien, kunt u namens uw cliënte bezwaar instellen. U zult hierover door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op de hoogte worden gesteld.

Niet alleen uw cliënte overtreedt de Wgb, maar ook de afnemers van uw cliënte, die de niet-toegelaten biociden tevens op de markt aanbieden. Tegen hen kan en zal dan ook handhavend worden opgetreden, teneinde de overtredingen ongedaan te maken en in de toekomst te voorkomen. (…) Het (handhavend) optreden tegen uw cliënte en haar afnemers is gebaseerd op de bevoegdheden die de toezichthouders ter beschikking staan. Hier wordt dan ook niet van afgezien. Er zijn geen aanwijzingen dat de toezichthouder zijn toezichtbevoegdheden in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 5:13 Algemene wet bestuursrecht heeft toegepast. Dat biociden een toelating nodig hebben, indien deze op de markt worden gebracht, heb ik uw cliënte reeds bij brief van 14 juni 2012 aangegeven. Als biociden zijn toegelaten, hoeven deze niet van de markt te worden gehaald.

(…)”

2.11.

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de inspectie aan Haveco bericht dat het verzoek om handhaving, althans het verzoek om de oplegging van een last onder bestuursdwang – als neergelegd in de brief van 15 mei 2014 – wordt afgewezen, omdat de inspectie geen reden zag om af te wijken van de Sanctiestrategie Biocidentoezicht van de inspectie. Ingevolge deze strategie wordt bij een overtreding van het verbod op het op de markt aanbieden van niet-toegelaten biociden door een leverancier gekozen voor een bestraffende sanctie.

2.12

Bij brief van 17 juni 2014 heeft de VWA een voornemen tot boeteoplegging toegezonden aan Haveco. In deze brief is aangekondigd dat de VWA het voornemen heeft een boete op te leggen aan Haveco in verband met, blijkens het als bijlage meegezonden boeterapport opgemaakt naar aanleiding van een inspectie op 6 mei 2014, het aanprijzen en op de markt aanbieden van biociden zonder toelating, zoals Aqua Rein en Pura Tank. Haveco is in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na 17 juni 2014 haar zienswijze op het voornemen naar voren te brengen, waarna een besluit genomen zal worden in de vorm van een boetebeschikking. Tegen die boetebeschikking zal bezwaar gemaakt kunnen worden.

3 Het geschil

3.1.

Haveco vordert – zakelijk weergegeven:

de inspectie te verbieden om voor of hangende het afkomen van een formele handhavingsbeslissing waartegen rechtsbescherming mogelijk is niet (meer) de afnemers van Haveco te benaderen met mededelingen of beweringen omtrent de toelaatbaarheid van de producten op grond van de biocidewetgeving;

de inspectie te gebieden eerst jegens Haveco te handhaven en pas daarna (of alleen tegelijk) haar afnemers;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de buitengerechtelijke kosten en in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert Haveco het volgende aan. Nadat Haveco vrijwillig de producten Pura Tank en Aqua Fris uit de markt heeft genomen, is zij te weten gekomen dat de inspectie stelselmatig klanten van Haveco benadert en hen mededeelt en aanschrijft dat Haveco met de nieuwe producten Pura Tank – nieuwe formule en Aqua Rein wederom een verboden biocide op de markt brengt en dat de verkoop onmiddellijk moet worden gestaakt. Haveco heeft de inspectie een ultimatum gesteld om dan wel over te gaan tot handhaving, zodat de opvatting van de inspectie in rechte kan worden getoetst voor de bestuursrechter middels een appellabel besluit, dan wel zich te onthouden van het systematisch benaderen van de afzetmarkt van Haveco en daar slechts onjuiste feitelijke mededelingen te doen. Gezien de beweringen van de inspectie moet Haveco de mogelijkheid krijgen zich in rechte te verweren. Dat kan alleen als er een besluit wordt genomen. Dit laat de inspectie, ook na de sommatie, na. De inspectie handelt in strijd met de wet en dus onrechtmatig als zij haar bestuursrechtelijke bevoegdheden ondanks sommatie of aanvraag daartoe niet aanwend en intussen wel de afzetmarkt van Haveco benadert met mededelingen die niet openstaan voor rechtsbescherming.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Haveco heeft voor de producten Aqua Rein en Pura Tank nieuwe formule geen toelating als hiervoor omschreven gevraagd, omdat zij zich – anders dan de Staat – op het standpunt stelt dat de producten geen biociden zijn. Die vraag, of de producten biociden zijn (en of het op de markt brengen ervan zonder toelating dientengevolge verboden is), is de kern van het (onderliggende) geschil tussen partijen.

4.2.

Haveco legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens haar onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.3.

Als meest verstrekkende verweer voert de Staat aan dat (inmiddels) aan Haveco een voornemen tot oplegging van een boete bekend is gemaakt en dat hieraan spoedig vervolg zal worden gegeven door het opleggen van een boete. Tegen dit besluit kan Haveco rechtsmiddelen instellen en zij heeft daarmee de gelegenheid om de beoordeling door de inspectie van de producten te laten toetsen. Gezien deze administratieve rechtsbescherming, is aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter niet aan de orde. Met betrekking tot dit geschilpunt overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.4.

Op zichzelf is tussen partijen niet in geschil dat de vraag of terecht een boete is (althans, wordt) opgelegd in de bestuursrechtelijke procedure moet worden beantwoord. Echter, niet kan worden aangenomen dat Haveco met die procedure het door haar beoogde doel in onderhavige procedure kan bereiken. Haveco wenst op korte termijn een rechterlijke uitspraak waarin (voorlopig) kan worden uitgemaakt of de inspectie terecht oordeelt of sprake is van biocide en of Haveco (en haar afnemers) de verkoop moet (moeten) staken. Ten aanzien van het besluit om boeteoplegging kan weliswaar – zodra dat besluit is genomen en bezwaar daartegen is ingesteld – een voorlopige voorziening van de bestuursrechter worden gevraagd, doch die procedure zal (slechts) gaan over de vraag of de opgelegde boete moet worden geschorst. Weliswaar kan de bestuursrechter ook een andere beslissing nemen dan (uitsluitend) schorsing van het bestreden besluit, doch, zoals ook door Haveco is gesteld, onaannemelijk is dat de bestuursrechter bij een voorlopige voorziening ten aanzien van het boetebesluit een zo vergaande beslissing zal nemen dat daarmee het door Haveco beoogde doel kan worden bereikt. Dit alles overigens nog daargelaten dat feitelijk nog geen boetebesluit is genomen, zodat deze rechtsgang thans voor Haveco niet open staat. Het besluit van de Staat om niet tot handhaving over te gaan (besluit van 27 mei 2014) is wel voor bezwaar vatbaar (geweest) en daarin heeft wel de mogelijkheid bestaan om een voorlopige voorziening te treffen. Met Haveco is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat met deze procedure evenmin het door Haveco beoogde doel kon worden bereikt: in beginsel zou in die procedure schorsing van het besluit tot niet handhaven aan de orde zijn en ook in die voorlopige voorzieningen geldt dat niet aannemelijk is dat de bestuursrechter een zo vergaande beslissing in de voorlopige voorziening zal nemen dat daarmee het door Haveco beoogde doel kon worden bereikt. Gezien deze situatie is, anders dan de Staat stelt, dan ook niet aan de orde dat de administratiefrechtelijke rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt. Haveco kan dan ook worden ontvangen in haar vordering.

4.5.

Haveco stelt ter onderbouwing van haar vordering, kort gezegd, dat de Staat onrechtmatig jegens haar handelt door niet vooraf te handhaven – door het opleggen van een verbod tot verkoop onder dwangsom –, doch slechts (achteraf) een boete op te leggen en wel (al) waarschuwingen naar de afnemers van Haveco te sturen, ten aanzien van de producten Pura Tank – nieuwe formule en Aqua Rein, die niet als biociden zijn aan te merken.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vraag of genoemde producten als biociden zijn aan te merken in deze procedure niet te beantwoorden is. Dat is een vraag die – uiteindelijk – in een (bestuursrechtelijke) bodemprocedure beantwoord moet worden en beantwoording daarvan vergt zodanig nader onderzoek dat dit kort geding zich daarvoor niet leent. Voor een voorlopig oordeel over deze vraag is – mede gezien het risico wat het gebruik van biociden voor mens, dier en milieu met zich kan brengen – slechts ruimte indien Haveco met bijzonder grote mate van waarschijnlijkheid aannemelijk kan maken dat de bestuursrechter zal oordelen dat de middelen niet als biociden zijn aan te merken. Hierin is Haveco, gezien de stellingen van de Staat hieromtrent, niet geslaagd.

4.7.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor de vraag of de Staat onrechtmatig handelt jegens Haveco door, voorafgaand aan feitelijk handhavend optreden jegens Haveco, reeds de afnemers van Haveco te benaderen en te waarschuwen. In dit verband geldt dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is belast met de handhaving van de Wgb. Het toezicht op de naleving van de biocidewet- en regelgeving en de bevoegdheid tot handhaving daarvan is gemandateerd aan de inspectie. Voor wat betreft de wijze waarop de inspectie uitvoering geeft aan dit toezicht en deze handhaving, komt haar een grote (beleids)vrijheid toe. Dit brengt mee dat – in beginsel – slechts aanleiding kan zijn voor ingrijpen door de voorzieningenrechter in geval van (het nalaten van) een handeling waartoe geen redelijk denkend en handelend ambtenaar van de inspectie zou kunnen komen. Diens optreden moet onmiskenbaar onjuist of onterecht zijn, zodat met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de bestuursrechter zal oordelen dat een boetebeschikking of anderszins handhavend optreden jegens Haveco niet in stand kan blijven. Daarbij geldt in deze concrete situatie – gezien de vorderingen van Haveco en de door haar beoogde rechtsgevolgen – nog dat het oordeel van de bestuursrechter dan een zodanige grondslag moet hebben dat dientengevolge handhavend optreden jegens de afnemers van Haveco ook onrechtmatig jegens Haveco is. Zoals door de Staat terecht naar voren is gebracht, kan in deze procedure – waarin de afnemers van Haveco geen partij zijn – niet worden beoordeeld of handhavend optreden jegens de afnemers op zichzelf wel of niet rechtmatig is.

4.8.

De inspectie merkt de producten aan als biociden. Zoals uit het onder 4.6 overwogene volgt handelt zij hiermee niet onmiskenbaar onjuist of onterecht. Gelet hierop, gezien de aan de inspectie toekomende beleidsvrijheid – waarbij gesteld noch gebleken is dat de inspectie niet heeft gehandeld overeenkomstig afdeling 5.2 van de Awb en de daaruit voortvloeiende, van toepassing zijnde, Sanctiestrategie biocidentoezicht – staat het haar vrij om handhavend op te treden, zowel jegens Haveco, als jegens haar afnemers. Die afnemers kunnen immers ingevolge de Wgb en de verordening – ervan uitgaande dat de producten biociden zijn – ook als overtreders worden aangemerkt. De wijze waarop en de middelen waarmee vervolgens wordt gehandhaafd vallen onder de beleidsvrijheid van de inspectie, óók als zij er daarbij voor kiest jegens Haveco anders op te treden dan jegens haar afnemers, eens te meer omdat Haveco als groothandel een andere positie op de markt inneemt dan haar afnemers. Niet gebleken is dat het handelen van de inspectie hierin onmiskenbaar onjuist of onterecht was. De omstandigheid dat afnemers van Haveco reeds zijn gewaarschuwd voordat een (voor bezwaar en beroep vatbare) handhavingsbeslissing jegens Haveco is genomen maakt dit niet anders. Een boetebeschikking vergt een langere voorbereidingstijd dan het geven van een waarschuwing, deze omstandigheid maakt de inzet van verschillende handhavingsmiddelen voor verschillende overtreders niet onrechtmatig. De omstandigheid dat afnemers van Haveco het product na de waarschuwing niet meer willen verkopen komt voor rekening en (ondernemers)risico van Haveco en kan niet aan de Staat worden tegengeworpen, eens te minder omdat Haveco dit alles had kunnen voorkomen door vooraf toelating van de producten te verzoeken. Dat zij die keuze niet heeft gemaakt omdat er – volgens haar geen sprake is van biociden – staat haar vrij, maar brengt voor haar rekening komende risico’s met zich.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat het optreden van de inspectie c.q. de Staat niet als onmiskenbaar onjuist of onterecht is aan te merken. De vorderingen van Haveco zullen worden afgewezen. Haveco zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, met de wettelijke rente, zoals in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering van Haveco af;

- veroordeelt Haveco in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,=, waarvan € 816,= aan salaris advocaat en € 589,= aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

idt