Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10961

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_7037
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Inkomstenregeling militairen; diensttijdgratificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/160

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/7037

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. F. IJsendorn),

en

de minister van Defensie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.L. Visser).

Procesverloop

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de salarisspecificaties van 12 juli 2012, 14 november 2012 en 12 december 2012 omdat daarmee de uitbetaling van zijn diensttijdgratificatie naar een te laag bedrag zou zijn vastgesteld.

Bij besluit van 17 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Op 28 november 2013 heeft de behandeling van het beroep ter zitting plaatsgevonden en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft op 27 februari 2014 het onderzoek heropend.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2014. Eiser heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 14 mei 2014 heeft de rechtbank partijen bericht dat het beroep meervoudig wordt behandeld en het onderzoek gesloten. Partijen hebben ter zitting op 2 april 2014 reeds toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting.

Overwegingen

1

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Bij besluit van 4 juni 2012 is aan eiser een diensttijdgratificatie toegekend ter gelegenheid van zijn 35-jarige ambtsjubileum ten bedrage van 100% van het salaris. Blijkens de salarisspecificatie van 12 juli 2012 is eiser een brutobedrag van € 7.564,66 uitgekeerd, zijnde een netto uitkering van € 4.387,50. Dit bedrag is samengesteld uit bezoldiging (€ 3.597,52), VEB (€ 277,01), vakantie-uitkering (€ 287,80) en eindejaarsuitkering (€ 223,05). Verweerder heeft, teneinde de hoogte van de uit te betalen diensttijdgratificatie vast te stellen, aansluiting gezocht bij het Handboek Loonheffingen 2013 (het Handboek) uitgegeven door de Belastingdienst. Daarin is vermeld dat indien sprake is van een bijzondere beloning en de betreffende werknemer het gehele voorgaande kalenderjaar loon heeft ontvangen van de uitbetalende werkgever, bij de vaststelling van het toepasselijke belastingtarief uitgegaan moet worden van de hoogte van het loon dat in dat voorgaande jaar is uitbetaald. Verweerder is naar aanleiding hiervan uitgegaan van het in 2011 door eiser genoten jaarloon en heeft de gratificatie van eiser om die reden gebruteerd tegen een belastingtarief van 42%. Uit de aanslag inkomstenbelasting die eiser is opgelegd blijkt evenwel dat over 2012 een hoger belastingtarief (52%) toepasselijk is geworden als gevolg van de uitbetaalde gratificatie.

2

Ingevolge artikel 33, zevende lid, van de Inkomstenregeling militairen (IRM) – voor zover hier van belang – komen de loonheffing en inhoudingen die in een voorkomend geval zijn verschuldigd over de diensttijdgratificatie wegens 35 jaar trouwe dienst voor rekening van Defensie.

3

Verweerder heeft de termijnoverschrijding van het instellen van bezwaar in het geval van eiser verschoonbaar geacht. Daartoe acht verweerder redengevend dat er geen rechtsmiddelenclausule onder de in geding zijnde salarisspecificaties staat en eiser op dat moment geen bijstand had van een professioneel gemachtigde. De rechtbank heeft geen aanleiding hier anders over te oordelen.

4

Vaststaat dat de uiteindelijke loonheffing over het kalenderjaar 2012 (deels) op grond van een hoger tarief is vastgesteld dan het tarief waarmee rekening is gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de diensttijdgratificatie. De kern van het onderhavige geschil is de vraag of verweerder in een dergelijk geval op grond van artikel 33, zevende lid, van de IRM gehouden is de gratificatie naar evenredigheid te verhogen, nu in genoemd artikellid is aangegeven dat de loonheffing die is verschuldigd over de gratificatie voor zijn rekening komt. Eiser stelt zich in dit verband – kort gezegd – op het standpunt dat bedoeld artikellid niet anders gelezen kan worden dan dat de volledige loonheffing voor rekening van verweerder komt hetgeen met zich brengt dat als deze later hoger blijkt te zijn dan bekend was ten tijde van de uitbetaling, een correctie achteraf dient plaats te vinden. Verweerder stelt hiertegenover dat hij met de gevolgde handelwijze opgenomen in het Handboek heeft voldaan aan zijn verplichting uit hoofde van dit artikellid. Dit temeer nu het uiteindelijk toegepaste belastingtarief ook van andere factoren afhankelijk is die losstaan van de hoogte van de gratificatie, zodat verweerder aan de uiteindelijke vaststelling van dat tarief door de Belastingdienst geen doorslaggevende betekenis hoeft toe te kennen.

5

Alvorens de rechtbank evenwel aan de beantwoording van deze vraag toe kan komen, dient te worden bezien of deze rechtsvraag aan de orde kan komen in een procedure die is gericht tegen de salarisspecificaties van juli, november en december 2012. Ter zitting heeft eiser hierover opgemerkt dat bewust is gekozen bezwaar te maken tegen deze specificaties, nu in een eerdere soortgelijke zaak is getracht dezelfde vraag aan de orde te stellen door middel van een verzoek aan verweerder om terug te komen op de eerder vastgestelde in rechte vaststaande specificaties – voor zover deze als besluit gelden – dan wel op de toekenning van de gratificatie. Deze rechtbank heeft in die zaak bij uitspraak van 6 juni 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:11290) geoordeeld dat bezwaar had kunnen worden gemaakt tegen de salarisspecificatie en de toekenning van de gratificatie en dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gesteld die aanleiding hadden kunnen zijn voor verweerder om te bezien of teruggekomen diende te worden op deze in rechte vaststaande besluiten. Aangezien het verhandelde ter zitting aanleiding heeft gegeven tot twijfel over de juistheid van dat oordeel, is de onderhavige zaak – met instemming van partijen – doorverwezen naar de meervoudige kamer. De rechtbank overweegt hierover thans als volgt.

6

Allereerst geldt dat op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO2027) de rechtsgeldigheid van een reeds eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, niet bij elke betaling opnieuw (integraal) aan de orde kan worden gesteld. Voor zover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al bij een eerdere (beslissing tot) betaling is beslist en dit element toen niet is aangevochten, is die salaris- of uitkeringsvaststelling in zoverre in rechte onaantastbaar geworden. Indien bij een gebruikelijke periodieke betaling geen wijziging optreedt ten opzichte van de vorige betaling is in het algemeen geen sprake van een besluit. Dit is anders indien en voor zover die niet-wijziging een weigering impliceert van een besluit dat genomen had behoren te zijn.

7

Naar het oordeel van de rechtbank volgt reeds uit deze jurisprudentie dat de salarisspecificaties van november en december 2012 geen onderdelen bevatten die in het onderhavige kader als besluit moeten worden aangemerkt. De gratificatie is immers geheel in juli 2012 uitbetaald. Voor zover het gaat om de gebruikelijke periodieke betaling treden geen wijzigingen op. Voorts geldt dat het bezwaar en beroep zich niet richten tegen eventuele incidentele uitkeringen die hierbij zijn uitbetaald zoals de eindejaarsuitkering. De reden die eiser heeft aangevoerd voor het maken van bezwaar tegen deze specificaties, te weten dat met deze uitbetalingen duidelijk is geworden wat de daadwerkelijke grondslag is voor de loonheffing over het jaar 2012 en dat dit aanleiding had moeten zijn voor een correctie van de gratificatie, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij is van belang dat eerst bij de vaststelling van de loonheffing over het jaar 2012 door de Belastingdienst vast komt te staan welk belastingtarief wordt toegepast en dat verweerder in dit kader niet verplicht is een voorschot te nemen op die vaststelling. Verweerder had het bezwaar dan ook voor zover het is gericht tegen de specificaties van november en december 2012 niet-ontvankelijk moeten verklaren. Reeds hierom is het beroep voor zover dat ziet op de genoemde specificaties gegrond en dienen de betreffende onderdelen van het bestreden besluit te worden vernietigd.

8

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar voor zover gericht tegen de salarisspecificaties van november en december 2012 niet-ontvankelijk te verklaren.

9

Voor zover het beroep ziet op de salarisspecificatie van juli 2012 overweegt de rechtbank als volgt. Deze salarisspecificatie is, in ieder geval voor zover daarbij de diensttijdgratificatie is uitbetaald, gelet op de eerdergenoemde maatstaf, wél aan te merken als een besluit. De vraag of deze uitbetaling dan wel dit besluit rechtmatig is, dient evenwel naar het oordeel van de rechtbank beoordeeld te worden aan de hand van de gegevens die op dat moment bekend waren. Niet betwist is dat verweerder ter vaststelling van de hoogte van de gratificatie aansluiting heeft gezocht bij het eerdergenoemde Handboek, dat voorschrijft dat bij de uitbetaling uitgegaan wordt van de loonheffing en het toegepaste belastingtarief over het voorgaande kalenderjaar. Deze handelwijze is terecht gevolgd en heeft als achtergrond dat op het moment van uitbetalen het in het voorgaande kalenderjaar toepasselijke tarief een goede, zo niet de beste, indicatie is voor het tarief dat van toepassing zal zijn over het lopende kalenderjaar. Niet in geschil is immers dat de uitbetaling van de gratificatie niet noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de hoogte van het inkomen dusdanig toeneemt dat een hoger tarief van toepassing wordt zoals bij eiser is gebeurd. Hieruit vloeit voort dat verweerder de uitbetaling naar het toen geldende recht en de toen bekende gegevens rechtens juist heeft verricht. De gedane uitbetaling wordt niet onrechtmatig door de latere vaststelling door de Belastingdienst dat een hoger belastingtarief van toepassing is, reeds nu verweerder hier ten tijde van belang (12 juli 2012) geen rekening mee kon houden. Deze latere vaststelling van het toepasselijk belastingtarief kan dan ook in dit beoordelingskader niet leiden tot een gegrond beroep.

10

Het voorgaande laat onverlet dat de vaststelling van het toepasselijk belastingtarief aanleiding kan zijn een verzoek om herziening van de uitbetaling bij verweerder in te dienen, indien eiser meent dat als gevolg van die vaststelling duidelijk is geworden dat de gratificatie tegen een te laag tarief gebruteerd is en de uitbetaling daarvan bijgevolg lager ligt dan volgens hem op grond van artikel 33, zevende lid, van het IRM het geval zou moeten zijn. Anders dan deze rechtbank in de eerdergenoemde uitspraak heeft geoordeeld is de rechtbank dan ook thans van oordeel dat een dergelijk verzoek de aangewezen wijze is om het inhoudelijke geschilpunt aan de orde te stellen en dat niet valt in te zien waarom de vaststelling van het toepasselijk belastingtarief door de Belastingdienst in dit verband niet kan gelden als nieuw feit dan wel een veranderde omstandigheid. Weliswaar kan voordien al een inschatting gemaakt worden op grond van de gegevens die voorhanden zijn, maar dit laat onverlet dat een daarop gebaseerde stelling naar zijn aard speculatief is en dat de daadwerkelijke loonontwikkeling over een kalenderjaar en eventuele andere factoren die van invloed kunnen zijn op het toepasselijke tarief voor de loonheffing eerst met de aanslag inkomstenbelasting voldoende duidelijk zijn, zoals hiervoor ook onder 6 is overwogen. Als gevolg hiervan kan in beginsel niet geoordeeld worden dat het een stelling betreft die eerder had kunnen en moeten worden ingenomen. De beoordeling van een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit van 12 juli 2012 ligt evenwel in deze procedure niet voor, zodat de rechtbank hier geen oordeel ten gronde over kan geven.

11

Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de salarisspecificatie van 12 juli 2012.

12

De rechtbank komt – zoals volgt uit het voorgaande – bij de beoordeling van het bestreden besluit niet toe aan de vraag naar de uitleg van artikel 33, zevende lid, van het IRM die partijen verdeeld houdt. De rechtbank geeft partijen in overweging in het geval naar aanleiding van een mogelijk door eiser in te dienen verzoek om herziening van het besluit van 12 juli 2012, blijkt dat partijen op gelijke wijze verdeeld blijven over deze rechtsvraag, aan te sturen op een rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelet op het feit dat de geschilpunten en de daaraan ten grondslag liggende feiten voldoende duidelijk zijn.

13

Nu het beroep deels gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 28 november 2013 en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting (anders dan na tussenuitspraak) op 2 april 2014, met een waarde van € 487,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit inzake de salarisspecificaties van november 2012 en december 2012 gegrond;

- vernietigt deze onderdelen van het bestreden besluit van 17 juli 2013;

- verklaart het bezwaar voor zover gericht tegen de salarisspecificaties van november 2012 en december 2012 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit van 17 juli 2013 voor zover dit is vernietigd;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 17 juli 2013 inzake de salarisspecificatie van juli 2012 ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 1.217,50;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, mr. B. Meijer, lid, en mr. S. van Groningen, militair lid, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.