Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10789

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
C-09-469562 - 14-829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De gevorderde intrekking van de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis wordt afgewezen. Van schending van artikel 5 EVRM is geen sprake, noch is de tenuitvoerlegging anderszins onrechtmatig jegens eiser. De aangeboden betalingsregeling leidt niet tot voldoening binnen een redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/469562 / KG ZA 14-829

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.A.C. Sandberg te Vorden,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (Miniserie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 juli 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij inmiddels onherroepelijk vonnis van 23 april 2013 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, aan [eiser] wegens medeplegen van (poging tot) oplichtingen onder meer schadevergoedingsmaatregelen opgelegd voor een bedrag van in totaal € 34.030,--, te vermeerderen met wettelijke rente, bij gebreke van betaling te vervangen door in totaal 259 dagen vervangende hechtenis.

1.2.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft [eiser] op 18 juni 2013 een ‘Aanschrijving onherroepelijk vonnis/arrest schadevergoedingsmaatregel’ toegezonden. Deze aanschrijving is gericht aan het adres: PI Achterhoek – Ooyerhoekseweg, Postbus 90, 7000 AB te Doetinchem. Dit is het adres van de Penitentiaire Inrichting (PI) waar [eiser] op dat moment gedetineerd was. Naar hetzelfde adres zijn op 3 augustus 2013 en 16 september 2013 aanmaningen gestuurd.

1.3.

Bij brief van 18 juli 2013 heeft de advocaat van [eiser] het volgende aan het CJIB meegedeeld:

“De heer [eiser], thans gedetineerd te Zutphen, heeft zich tot mij gewend naar aanleiding van de hierbij in kopie gevoegde brieven. (toevoeging voorzieningenrechter: onder meer de hiervoor in 1.2. genoemde brief van het CJIB van 18 juni 2013 behoort tot de bijgevoegde stukken.) U hebt bemerkt dat cliënt gedetineerd is. Hij heeft inkomen, noch vermogen en hij is in elk geval tot eind 2013 gedetineerd en mogelijk, wegens hangende strafzaken, nog (veel) langer. Cliënt deelt mij mede geen enkele mogelijkheid te hebben de gevorderde bedragen te voldoen en hij verzoekt u dan ook de kostenverhogende maatregelen achterwege te laten, tot hij niet meer gedetineerd is.

(…)”.

1.4.

Omdat betaling van de onderhavige schadevergoedingsmaatregelen uitbleef is de zaak van [eiser] op 3 november 2013 voor aansluitende executie aangeboden aan de PI waar hij gedetineerd was.

1.5.

Bij brief aan het CJIB van 3 december 2013 heeft de advocaat van [eiser] namens zijn cliënt een betalingsregeling aangeboden ter voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen, inhoudende betaling van een bedrag van € 1.000,-- ineens en vervolgens van € 100,-- per maand na de invrijheidstelling van [eiser].

1.6.

Het CJIB heeft bij brief van 4 december 2013 aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de zaak van [eiser] met betrekking tot de onderhavige schadevergoedingsmaatregelen reeds voor tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is aangeboden en dat deze hechtenis slechts kan worden voorkomen door het openstaande bedrag volledig te voldoen.

1.7.

Sinds 14 december 2013 is [eiser] gedetineerd in verband met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis van 259 dagen.

1.8.

Bij brief van 17 december 2013 heeft de advocaat van [eiser] bij het CJIB bezwaar gemaakt tegen de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, aangezien [eiser] nimmer een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen. Het CJIB heeft de advocaat van [eiser] in een brief van 20 januari 2014 meegedeeld dat alle stukken met betrekking tot de onderhavige zaak (een drietal acceptgiro’s) gezonden zijn naar de postbus van de PI waar [eiser] verbleef en dat geen betalingsregeling meer kan worden toegestaan omdat de zaak reeds aan de PI is aangeboden in verband met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

1.9.

Bij brieven van 14 april 2014 heeft de advocaat van [eiser] het CJIB en het Openbaar Ministerie (OM) er op gewezen dat in de PI waar [eiser] verblijft sprake is geweest van een persoonsverwisseling, als gevolg waarvan post [eiser] niet tijdig heeft bereikt, en heeft hij verzocht de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis van [eiser] te schorsen. Nadien heeft de advocaat van [eiser] nog diverse brieven van gelijke strekking aan het CJIB en aan het OM gezonden.

1.10.

Bij brief van 2 mei 2014 heeft het CJIB aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de zaak van [eiser] met betrekking tot de onderhavige schadevergoedingsmaatregel ter aansluitende vervangende hechtenis aan de PI is aanboden, maar dat het CJIB desondanks bereid is een betalingsregeling met [eiser] te treffen, inhoudende betaling van een bedrag van € 20.000,-- ineens en van € 643,19 per maand ter voldoening van het resterende bedrag.

1.11.

De beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de PI Achterhoek, locatie Ooyerhoek, heeft op 23 juni 2014 – voor zover hier van belang – een klacht van [eiser] met betrekking tot de postafhandeling in de PI gegrond verklaard en hem een financiële tegemoetkoming toegekend.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen om de opdracht tot executie van de schadevergoedingsmaatregelen in te trekken, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt [eiser] primair het volgende. De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] door de wijze waarop de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis tot stand is gekomen. Over de zogenoemde incassofase heeft [eiser] nooit informatie gekregen, zodat hem de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen is ontnomen. Vast staat dat de postverzending aan [eiser] tijdens zijn verblijf in de Penitentiaire Inrichting in verband met een persoonswisseling en slordige postafhandeling niet goed is verlopen. Weliswaar heeft [eiser] de aanschrijving van 18 juni 2013 ontvangen, maar de aanmaning van 3 augustus 2013 heeft hij op 29 of 30 april 2014 beschadigd op zijn cel ontvangen, terwijl hij de aanmaning van 16 september 2013 in het geheel niet heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande dient [eiser] een ‘herkansing’ te krijgen vanaf de tweede aanmaning. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat er geen kenbare beslissing van het Openbaar Ministerie of het CJIB is waarin omzetting van de schadevergoedingsmaatregel in vervangende hechtenis heeft plaatsgevonden. Hierdoor moet de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel feitelijk beschouwd worden als een vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging voorzienbaar is. Tijdens detentie is het voor [eiser] immers niet mogelijk om inkomen te verwerven, zodat aan het doel van de schadevergoedingsmaatregel – financiële genoegdoening van benadeelden – voorbij wordt gegaan. Het beleid van het CJIB lijkt er op gericht te zijn dat een veroordeelde zo spoedig mogelijk in vervangende hechtenis wordt genomen, aangezien de kans om deze hechtenis te voorkomen door integrale betaling zeer gering is. Het CJIB is echter niet bevoegd een vrijheidsbenemende straf op te leggen. Een en ander is in strijd met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en daarmee onverbindend. Daarbij komt dat de draagkracht van de veroordeelde een ondergeschikte rol speelt en dat een onvermogende veroordeelde ten opzichte van meer draagkrachtigen ernstig wordt benadeeld. Bovendien is het [eiser] bekend dat twee medegedetineerden, met vergelijkbare schadevergoedingsmaatregelen, wel een betalingsregeling hebben mogen treffen, zodat sprake is van ongelijke behandeling. Ten slotte heeft [eiser] betoogd dat de opgelegde schadevergoedingsmaatregel een hoofdelijke veroordeling met medeveroordeelden betreft en dat onbekend is in hoeverre incassomaatregelen tegen deze medeveroordeelden succesvol zijn geweest. De omzetting van de schadevergoedingsmaatregel in vervangende hechtenis is dan ook mogelijk prematuur.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Aangezien [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming van de vordering. [eiser] is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken – een verbod op tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis – geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ten dienste staat.

3.2.

Het primaire standpunt van [eiser] wordt verworpen. Hoewel aan [eiser] moet worden toegegeven dat zich tijdens zijn detentie in PI Achterhoek, locatie Ooyerhoek, onregelmatigheden hebben voorgedaan met betrekking tot de bezorging van zijn post, mede doordat zich in de PI Achterhoek een medegedetineerde met vrijwel dezelfde naam ([X]) bevond, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken dat [eiser] de voor deze procedure relevante stukken, waaronder de aanmaningen van 3 augustus 2013 en 16 september 2013, als gevolg daarvan niet tijdig heeft ontvangen. De Staat heeft in dit verband immers ongemotiveerd weersproken naar voren gebracht dat de betreffende medegedetineerde pas op 4 april 2014, derhalve ruim na de verzending van de aanmaningen, in de PI Achterhoek in detentie is gekomen. Bovendien staat vast dat [eiser] de aanschrijving van 18 juni 2013 wel degelijk tijdig heeft ontvangen. Dit kan immers worden afgeleid uit het door zijn advocaat bij brief van 18 juli 2013 tegen deze aanschrijving geuite bezwaar. Nu [eiser] er gelet op het voorgaande aantoonbaar van op de hoogte was dat de incasso van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen een aanvang had genomen, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zijn weg gelegen om op enig moment kort daarna het CJIB een betalingsvoorstel te doen. Dat hem geen gelegenheid is geboden om een betalingsregeling te treffen is gelet op het voorgaande niet gebleken, zodat het CJIB voorshands niet gehouden is [eiser] de door hem verlangde ‘herkansing’ te bieden.

3.3.

Ter zake van het subsidiaire standpunt van [eiser] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In het wettelijke stelsel ligt besloten dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd en wel zo spoedig mogelijk. Een en ander geldt ook voor de executie van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat uitstel van betaling kan worden verleend, dan wel betaling in termijnen kan worden toegestaan. In opdracht van het OM is het CJIB belast met de executie van een dergelijke maatregel. De wijze waarop het CJIB dat doet, is vastgelegd in de ‘Aanwijzing executie’ (tot 1 maart 2013: Stcrt. 2010, 20473, gerectificeerd in Stcrt. 2011, 20473; vanaf 1 maart 2013: Stcrt. 2013, 5107).

3.4.

Op voormelde regel dat een onherroepelijke beslissing moet worden ten uitvoer gelegd kan slechts een uitzondering worden aanvaard indien een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM'), waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing tot stand is gekomen in strijd met fundamentele mensenrechten, dan wel ingeval door de wijze van executie een zodanige schending van fundamentele mensenrechten dreigt te ontstaan, dat onverkorte tenuitvoerlegging niet meer kan worden beschouwd als krachtens het wettelijke stelsel toegelaten. Daarnaast is een uitzondering op de executieplicht mogelijk voor zover de wet daartoe een grondslag biedt (bijvoorbeeld in geval van gratie).

3.5.

[eiser] stelt in het bijzonder dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis – in zijn situatie – onrechtmatig is, maar in zijn stellingen ligt ook besloten dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, bij niet-betaling te vervangen door hechtenis, onrechtmatig is in die gevallen waarin de veroordeelde niet in staat is om de schade aan het slachtoffer te vergoeden. Deze discussie moet hier buiten beschouwing blijven. Ingevolge vaste jurisprudentie kan het gebrek aan draagkracht onder omstandigheden reden zijn voor de strafrechter om af te zien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, terwijl de situatie zich voor oplegging daarvan in beginsel wel leent. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vaststaat dat oplegging van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst ten uitvoer leggen van de vervangende hechtenis (zie o.a. HR 19-6-2007, LJN:AZ8788). Hiervan uitgaande lag het op de weg van [eiser] om destijds in de strafzaak daarop een beroep te doen. In dit kort geding moet er in ieder geval van worden uitgegaan dat de strafrechter destijds rekening heeft kunnen houden met het (eventuele) onvermogen van [eiser]. Desondanks heeft de strafrechter de schadevergoedingsmaatregelen, inclusief vervangende hechtenis, opgelegd. Zoals hiervoor overwogen, is het OM verplicht om tot executie van die maatregelen over te gaan. Anders dan [eiser] meent is van schending van artikel 5 EVRM geen sprake. De schadevergoedingsmaatregel moet worden aangemerkt als een overeenkomstig de wet door een bevoegde rechter gegeven bevel, dat bij niet naleving ervan wordt vervangen door vervangende hechtenis. Nu [eiser] dit bevel niet heeft nageleefd kan hem op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 1 onder (b) EVRM zijn vrijheid worden ontnomen. Dat de feitelijke tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is opgedragen aan het CJIB doet aan het voorgaande niet af. Gelet hierop en nu gesteld noch gebleken is dat het EHRM zich heeft uitgesproken in de hiervoor onder 3.4. vermelde zin, bestaat er voor de voorzieningenrechter geen ruimte die veroordeling te toetsen.

3.6.

Thans dient beoordeeld te worden of de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis jegens [eiser] onrechtmatig is. In bijlage 3 bij de Aanwijzing executie is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek, dat voorzien is van relevante stukken, op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Hierbij is bepaald dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling niet in behandeling wordt genomen indien voor de vorderingen een waarschuwing arrestatiebevel, dan wel een arrestatiebevel is uitgevaardigd of indien de veroordeelde de vervangende hechtenis reeds ondergaat. Bij de beoordeling van het verzoek geldt volgens bijlage 3 als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Voorts is bepaald dat de termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd in beginsel maximaal 12 maanden bedraagt doch dat in bijzondere gevallen de termijn kan worden verlengd tot maximaal 36 maanden en dat in uitzonderingsgevallen ook van de termijn van 36 maanden kan worden afgeweken en dat in die gevallen ‘maatwerk in het individuele geval’ wordt toegepast.

3.7.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu het in de Aanwijzing executie neergelegde beleid, gelet op het doel en de strekking van de wettelijke bepalingen betreffende de schadevergoedingsmaatregelen, als alleszins redelijk moet worden beschouwd, kan het de Staat (het CJIB) niet worden verweten dat hij ten aanzien van [eiser] niet (verder) heeft willen afwijken van de in de Aanwijzing executie neergelegde maximale betalingstermijnen van 12 en 36 maanden. De door [eiser] aangeboden betalingsregeling van € 1.000,-- ineens en van € 100,-- per maand na zijn invrijheidstelling zou er immers toe leiden dat het openstaande bedrag niet binnen een redelijke termijn wordt voldaan, terwijl naar voorlopig oordeel niet is gebleken dat zich een uitzonderingsgeval als hiervoor bedoeld voor doet. De stelling van [eiser] dat de Staat ten opzichte van medegedetineerden wel betalingsregelingen heeft geaccepteerd, is in dit verband niet relevant nu [eiser] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd en binnen het kader van dit kort geding niet beoordeeld kan worden in hoeverre sprake is van gelijke omstandigheden, die gelijke behandeling noodzakelijk maken. Tegenover het verweer van de Staat dat eventuele betaling van de schadevergoedingsmaatregelen door medeveroordeelden bij de beslissing om tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis over te gaan pleegt te worden meegewogen, heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Staat dit in zijn situatie heeft nagelaten, zodat aan de stelling van [eiser] dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis mogelijk prematuur is voorbij wordt gegaan. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het CJIB de zaak van [eiser] op goede gronden ter executie heeft aangeboden en dat het CJIB op grond van het in de Aanwijzing executie neergelegde beleid geen betalingsregeling meer behoeft toe te staan. [eiser] dient de vervangende hechtenis, die onderdeel is van de onherroepelijk aan hem opgelegde straf, dan ook onverkort te ondergaan.

3.8.

Slotsom van het voorgaande is dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2014.

mvt