Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10715

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
C-09-469604 - JE RK 14-1652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing ondertoezichtstelling; Zaak overgedrag op grond van art. 15 Brussel II-bis. Gewone verblijfplaats van de kinderen ligt sinds februari 2014 in Nederland. De Belgische rechter verzoekt de Nederlandse rechter om behandeling van de zaak. De ondertoezichtstelling wordt afgewezen. De kinderen verblijven nu bij de vader en maken het daar goed. In het kader van het belaste verleden is er voldoende hulp in het vrijwillige kader. Gedwongen hulpverlening vanwege de afwijzende houding van de moeder tegenover de hulpverlening is niet aan de orde. De moeder heeft nog niet te kennen gegeven open te staan voor begeleide omgang of daar een verzoek toe ingediend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/154 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 14-1652

Zaaknummer: C/09/469604

Datum beschikking: 11 augustus 2014

Afwijzing ondertoezichtstelling

Beschikking in de zaken van:

DE PROCUREUR DES KONINGS, als openbaar ministerie

met betrekking tot de minderjarigen:

1.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats],

2.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats],

kinderen uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[A],

de vader,

wonende te [woonplaats],

en

[B],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarigen verblijven thans bij de vader.

Procedure

Bij beschikking d.d. 29 juli 2014 van de kinderrechter in deze rechtbank is de bevoegdheid met betrekking tot de onderhavige zaak op grond van artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijk verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis) aanvaard.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

- voornoemde beschikking d.d. 29 juli 2014 waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd;

- de dossiers van de 9e kamer van de jeugdrechtbank in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel betreffende de minderjarigen, waaronder het verzoek van het openbaar ministerie met bijlagen d.d. 15 oktober 2013 en;

- het maatschappelijk onderzoek van de Sociale Dienst te België d.d. 25 april 2014.

-

Op 11 augustus is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw [X] namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad);

- mevrouw [Y] namens Bureau Jeugdzorg;

- de vader vergezeld door zijn echtgenote mevrouw [Z];

- de moeder.

Feiten

De kinderrechter verwijst voor de feiten naar de beschikking van 29 juli 2014.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot het treffen van een maatregel zoals voorzien in artikel 38 van het decreet d.d. 7 maart 2008 ten aanzien van voornoemde minderjarigen voor de periode van één jaar. De grond voor het verzoek van het openbaar ministerie is, blijkens de overgelegde stukken, gelegen in het volgende. Na de echtscheiding van de ouders bleef de moeder achter met de minderjarigen in België. De moeder was niet bekend met het Belgische systeem en had grote financiële problemen. Dit leidde ertoe dat basisvoorzieningen werden afgesloten en dat de moeder onvoldoende kon instaan voor de behoeften van haar kinderen. De minderjarigen kwamen onverzorgd over, hadden geen eten bij zich, liepen op te kleine schoenen en de school maakte zich daarover zorgen. Ook kwamen de minderjarigen niet alle dagen naar school.

Na het originele verzoek van het openbaar ministerie te België is aanvullende informatie naar voren gekomen met betrekking tot de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarigen. Deze is erin gelegen dat de minderjarigen sinds eind 2013bij de vader verblijven. Bij vonnis van 21 februari 2014 heeft de Belgische kinderrechter het hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader in Nederland vastgesteld. Voorts is getracht om onder begeleiding een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen op te starten, wat niet is gelukt.

De Raad, Bureau Jeugdzorg, de vader en de moeder hebben verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De Raad voert aan dat een ondertoezichtstelling op dit moment niet noodzakelijk is. Er zijn bij de Raad geen zorgmeldingen vanuit de politie, school of huisarts over de minderjarigen binnengekomen. Uit het verslag van 25 april 2014 blijkt dat de minderjarigen het goed doen in het gezin van vader. De vader is zelf in staat om hulp in het vrijwillige kader in te schakelen en de Raad heeft er vertrouwen in dat dit goed zal verlopen. Op dit moment is er geen omgangsregeling noch heeft moeder daartoe een verzoek gedaan, zodat er op dit moment geen taak voor de Raad is weggelegd om die omgangsregeling te begeleiden.

De vader heeft ter zitting gesteld dat er drie maal per week een belmoment is tussen de minderjarigen en hun moeder. Moeder heeft geen verzoek gedaan tot het vastleggen van een omgangsregeling. Met de minderjarigen gaat het op dit moment goed, ook op school. Er is al een kindercoach ingeschakeld om als objectieve derde de kinderen te kunnen begeleiden met wat zij hebben meegemaakt. Bij eventuele omgang is wel begeleiding nodig en eventueel in het gedwongen kader vanwege de moeder. In die situatie zou de vader wel hulp van Bureau Jeugdzorg willen. Dit is echter nu nog niet aan de orde waardoor een ondertoezichtstelling op dit moment niet noodzakelijk is.

De moeder heeft ter zitting gesteld een vriendschappelijke relatie te willen met de vader in het belang van de minderjarigen. Zij wil hen graag zien maar zal beslist niet meewerken aan omgang onder begeleiding.

Beoordeling

Krachtens artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, Trb 1997, 299, waarbij Nederland en België partij zijn, wordt de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen sinds februari 2014 in Nederland is, is Nederlands recht van toepassing.

De kinderrechter begrijpt de vordering aldus dat verzocht wordt de minderjarigen onder toezicht te stellen, als bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat op dit moment binnen het gezin van de vader waar de minderjarigen opgroeien geen sprake is van een ernstige bedreiging van hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid. Hoewel uit het verslag van het maatschappelijk onderzoek van 25 april 2014 volgt dat de minderjarigen veel hebben meegemaakt en tijdens hun verblijf bij moeder in België sprake was van een zeer zorgelijke opvoedsituatie, lijken zij binnen het gezin van vader hun plek te hebben gevonden. Uit het verslag blijkt niet van kindsignalen die op dit moment duiden op een ernstige ontwikkelingsbedreiging terwijl bovendien geen zorgelijke signalen vanuit school of maatschappelijke instanties bij de Raad zijn gemeld. Voorts duidt de omstandigheid dat vader op eigen initiatief een kindercoach voor de minderjarigen heeft ingeschakeld erop dat hij in staat is om hulp in het vrijwillig kader in te schakelen indien nodig.

Nu moeder ter zitting heeft aangegeven pertinent niet mee te werken aan begeleide omgang en zij geen verzoek tot het opleggen van een omgangsregeling heeft ingediend, ziet de kinderrechter ook geen aanleiding om vanuit dat oogpunt gedwongen hulpverlening aan de ouders op te leggen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2014 in tegenwoordigheid van D.A.H.J. van Leeuwen als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.