Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10609

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
AWB-14_1564
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 1.5, geldigheid: 2014-08-05
Wet studiefinanciering 2000 9.9, geldigheid: 2014-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/1564

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde [A])

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 4 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 13 februari 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is niemand ter zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft op 10 juli 2014 telefonisch laten weten wegens ziekte verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen en heeft aangegeven er mee akkoord te gaan dat de zitting doorgang vindt.

Overwegingen

Feiten

1.

Bij besluit van 15 maart 2013 is aan eiseres met ingang van 1 maart 2013 studiefinanciering toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Het aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) opgegeven woonadres is [adres] te [Z]. Op dit adres staat eiseres ook ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (hierna: GBA-adres).

2.

Op 7 oktober 2013 is door de controleurs [B] en [C] in het kader van een controle een huisbezoek uitgevoerd op voornoemd adres. Van dit huisbezoek is op 8 oktober 2013 een rapport opgemaakt.

3.

Bij besluit van 5 november 2013 is met ingang van 1 maart 2013 tot en met oktober 2013 de hoogte van de studiefinanciering van eiseres aangepast naar de norm voor een thuiswonende studerende. De teveel uitgekeerde studiefinanciering van € 1560 is als schuld aangemerkt.

4.

Bij besluit van 8 november 2013 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat hij voornemens is om een boete ter hoogte van 50 % van de teveel toegekende studiefinanciering op te leggen, dat wil zeggen een bedrag van € 780.

5.

Bij een niet gedagtekende brief, ingekomen bij verweerder op 2 december 2013, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit “Voornemen opleggen boete” van 8 november 2013.

6.

Verweerder heeft bij brief van 4 december 2013 aangegeven dat hij de onder 5 vermelde brief (mede) opgevat heeft als een bezwaarschrift tegen de herziening van de uitwonendenbeurs.

7.

Bij besluit van 29 november 2013 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat hij heeft besloten om aan eiseres een boete op te leggen van € 780.

Geschil

8.

In geschil is of verweerder eiseres met ingang van 1 maart 2013 terecht heeft aangemerkt als thuiswonende studerende.

9.

Eisereses stelt zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar in strijd is met de wet en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De bestreden beschikking is tot stand gekomen zonder hoor en wederhoor. De uitspraak op bezwaar is onvoldoende gemotiveerd. In het advies van de controleurs zijn een aantal feiten opgenomen, op basis waarvan men tot de conclusie komt dat het GBA-adres niet overeenkomt met het feitelijk woon- en verblijfadres van eiseres. Eiseres weerspreekt die feiten.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar en toekenning van een uitwonende beurs.

10.

Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres niet woonachtig is op het adres waar zij ingeschreven staat in de GBA. Eiseres heeft geen eigen slaapplek. Verder zijn er ook geen spullen aangetroffen die duidden op een structureel verblijf. Eiseres voldoet daarmee niet aan het bepaalde in artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000).

Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

Beoordeling van het geschil

11, Artikel 1.5 van de Wsf 2000 luidt voor zover hier van belang:

“Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

  1. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, en

  2. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven.”

12.

Artikel 9.9 van de Wsf 2000 luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 9.9. Niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende

1. Indien een studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen, maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

2. De herziening vindt plaats met ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. (. . .)”

13.

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiser belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het GBA-adres waarop zij staat ingeschreven rust dan ook in eerste instantie op verweerder en niet op eiseres. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres niet woont op het adres waarop zij in de GBA staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van eiseres de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

De vraag of eiseres woont op het adres waarop zij in de GBA staat ingeschreven dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

14.

In de door verweerder overgelegde rapportage van de controleurs is als conclusie vermeld dat het door studente (eiseres) opgegeven studieadres niet in overeenstemming is met haar feitelijke woon- en verblijfplaats. Tot deze conclusie zijn de controleurs gekomen vanwege de volgende feiten:

- Er is geen eigen bed van eiseres aangetroffen op het studieadres.

- Er zijn geen kleren, die aantoonbaar van eisers zijn, aangetroffen op het studieadres.

- Er is geen laptop aangetroffen op het studieadres.

- Er zijn geen verzorgingsspullen, die aantoonbaar van eiseres zijn, op het studieadres aanwezig.

- Er zijn geen verzorgingsspullen, die aantoonbaar van eiseres zijn, op het studieadres aanwezig.

- Er konden geen schoenen en ondergoed van eiseres worden getoond.

- Er zijn geen persoonlijke spullen van eiseres op het studieadres aangetroffen.

- Er is, buiten de brief van het CAK, geen administratie en/of post van eiseres aangetroffen op het studieadres.

- Er waren geen schoolboeken van eiseres aangetroffen op het studieadres.

- Er zijn maar 5 slaapplaatsen, echter staan er 6 personen ingeschreven.

Uit het rapport blijkt voorts het volgende.

De deur werd geopend door een persoon die desgevraagd opgaf te zijn de hoofdbewoonster (. . .). Zij heeft de controleurs vrijwillig toestemming verleend om de woning te betreden. Zij heeft het volgende verklaard:

Eiseres is het nichtje van hoofdbewoonster en woont er ongeveer 3 maanden. De reden dat eiseres hier woont is dat zij meer op zichzelf wil zijn. Ze zou beschikken over een eigen sleutel en helpt af en toe met de boodschappen. Verder betaalt zij geen huur. Eiseres slaapt bij de dochter van hoofdbewoonster op de kamer. Eiseres heeft haar kleren daar in de kast van de dochter. Zij heeft daar haar schoolboeken en haar post gooit ze altijd weg.

De controleur zag onder andere het volgende.

- Een volledig ingerichte slaapkamer 3 (waar eiseres zou slapen) met een eenpersoonsbed. Dit bed zou eiseres delen met een dochter van de hoofdbewoonster (. . . ). Een bureau en een kast, waarin zowel kleren van eiseres als de dochter zouden zitten. Het betrof alleen kleren met dezelfde maat.

Hoofdbewoonster toonde ons een bak met verzorgingsspullen die onder andere van eiseres zouden zijn. De tandenborstel van eiseres bevindt zich in de badkamer.

Hoofdbewoonster toonde een tas met kleren die van eiseres zouden zijn. Verder konden er geen schoenen of ondergoed van eiseres worden getoond en heeft eiseres geen persoonlijke spullen op het betreffende adres.

Er zijn tijdens het huisbezoek 5 slaapplaatsen geconstateerd, er staan 6 mensen ingeschreven. De hoofdbewoonster is hiermee geconfronteerd maar blijft volhouden dat iedereen er woont.

15.

De rechtbank is gelet op bovenstaande bevindingen van de controleurs in het rapport van oordeel dat verweerder op basis van het hierboven genoemde onderzoek terecht heeft geoordeeld dat eiseres feitelijk niet op het GBA-adres woont. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat eiseres in de woning geen eigen bed heeft, maar een bed deelt met de dochter van de hoofdbewoonster, dat er geen schoenen of ondergoed van eiseres konden worden getoond, dat er geen persoonlijke spullen van eiseres werden aangetroffen en dat er alleen kleding met dezelfde maat is aangetroffen in een kast waarin zowel kleren van eiseres als van haar nichtje van 13 jaar zouden zitten.

16.

Met hetgeen eiseres heeft gesteld, maakt zij het tegendeel niet aannemelijk. De stelling van eiseres dat zij wel woonachtig was op het GBA-adres wordt niet ondersteund door objectief verifieerbare (bewijs)stukken. Eiseres heeft zodra zij 18 werd haar ouders te kennen gegeven weg te willen uit het ouderlijk huis om meer vrijheid te hebben. Zelf geeft zij in haar aanvraag studiefinanciering aan op 27 oktober 2012 uitwonend te zijn. Uiteindelijk is zij volgens het GBA in maart 2013 op het adres van haar tante ingeschreven. Ter zitting heeft eiseres nog nader verklaard dat zij na een eerder verblijf bij tante op haar achttiende gelijk uit huis is gegaan. De rechtbank acht deze verklaringen van eiseres niet geloofwaardig, mede gelet op de tegenstrijdigheid met de door de tante van eiseres tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring waarin deze aangeeft dat eiseres op dat moment drie maanden bij haar woont. Ten aanzien van de bevindingen van de controleurs in het rapport verklaart eiseres dat de controleurs niet kunnen beoordelen dat de kleding niet aantoonbaar van eiseres is. De rechtbank acht het evenwel niet geloofwaardig dat een studente van 18 dezelfde kleding draagt als een scholiere van 13. Eiseres stelt dat zij slaapt op een matras op de grond. Deze wordt met het beddengoed opgeruimd in een kast in de woning. Gelet op hetgeen de controleurs ten tijde van het controle onderzoek hebben aangetroffen, acht de rechtbank de later afgelegde verklaring van eiseres niet aannemelijk.

17.

Eiseres voert aan dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgehad ten tijde van de controle door de controleurs.

De rechtbank merkt dit aan dat eiseres zich erop beroept dat er geen sprake is van “ïnformed consent”.

De rechtbank stelt vast dat de ” verklaring toestemming huisbezoek” is ondertekend door [D], een bewoner van de woning, waarin zij toestemming verleent om de woning te betreden. Dit impliceert dat er in beginsel geen inbreuk wordt gemaakt op het huisrecht van de overige bewoners. Hoor en wederhoor tussen de controleurs en eiseres is hier dan ook niet vereist bij het door hen gedane huisbezoek.

18.

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de uitspraak op bezwaar niet voldoende is gemotiveerd en in strijd is met algemene beginselen van bestuur, oordeelt de rechtbank als volgt. De uitspraak op bezwaar is voldoende gemotiveerd nu verweerder in de uitspraak in voldoende mate op de grieven van eiseres is ingegaan. Dat de uitspraak op bezwaar in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is door eiseres niet voldoende geconcretiseerd, met name niet welke beginselen van behoorlijk bestuur dan wel geschonden zijn.

19.

Voor zover eiseres een beroep doet op de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 levert een wettelijk vermoeden op dat de op een bepaald moment vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 bestaat vanaf het moment waarop de studerende zijn laatste adreswijziging in de GBA heeft ingeschreven.

Het wettelijk vermoeden kan door de studerende worden weerlegd. Daarvoor is vereist dat de studerende bewijs levert waarmee onomstotelijk wordt aangetoond dat hij gedurende (een deel van ) de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf feitelijk wel woonde op het betreffende GBA-adres. Slaagt de studerende in dat bewijs, dan moet de Minister onder toepassing van de hardheidsclausule afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en daarmee over die periode van herziening afzien. (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2014, 13-4353 WSF, ECLI:NL:CRVB:2014:1626). Tussen partijen is, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet in geschil dat eiseres ten tijde van de controle niet woonde op het GBA-adres.

De voormelde stelling van eiseres kan niet slagen, omdat eiseres er niet in is geslaagd, gelet op de eisen die aan het bewijs ter zake worden gesteld, aan te tonen dat zij op enig eerder moment (wel) op haar GBA-adres heeft gewoond. Eiseres heeft namelijk geen objectief verifieerbare (bewijs)stukken ter onderbouwing van haar standpunt overgelegd.

20.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. -

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroe