Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10526

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
14_3753 IBPVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:368, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

6.1 en 6.13 Wet IB 2001. Geen recht op aftrek specifieke zorgkosten en aftrek kosten levensonderhoud kinderen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.1, geldigheid: 2015-01-27
Wet inkomstenbelasting 2001 6.13, geldigheid: 2015-01-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/184

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/3753

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

21 augustus 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [P], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [Y], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 30 april 2014 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2011 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.247.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2014.

Eiser is daar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1.

Voor het jaar 2011 heeft eiser een aangifte IB/PVV (de aangifte) ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.270. In de aangifte heeft eiser een bedrag van € 9.922 in aanmerking genomen als onderhoudsverplichting, een bedrag van € 2.800 in aanmerking genomen als uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen en een bedrag van € 10.255 in aanmerking genomen als specifieke zorgkosten.

2.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de aftrek onderhoudsverplichtingen, de aftrek van kosten van levensonderhoud van kinderen en de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten niet geaccepteerd en het inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 38.247.

3.

In geschil is of verweerder de aanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd.

4.

Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

5.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a, in verbinding met artikel 6.3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2011, hierna: de Wet IB 2001) zijn aftrekbare onderhoudsverplichtingen voor zover hier van belang periodieke uitkeringen of verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting (tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn) en afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot.

6.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast in het onderhavige geschil bij eiser ligt. Het is dus aan eiser om aannemelijk te maken dat het bedrag van € 9.922 uit een onder 4 genoemde onderhoudsverplichting voortvloeit. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De enkele verklaring van eiser is daartoe onvoldoende en leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser heeft evenmin op enige andere wijze aannemelijk gemaakt dat er sprake was van enige onderhoudsverplichting.

7.

Op grond van artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 komen uitgaven voor levensonderhoud van kinderen die jonger zijn dan 30 jaar voor aftrek in aanmerking als de kinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.

8.

Met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij deze kosten heeft gemaakt. Eiser heeft geen bescheiden overgelegd en ook verder niets aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat de op eiser drukkende bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de in Canada woonachtige dochter meer heeft belopen dan € 690 per kwartaal.

9.

Artikel 6.1 van de Wet IB 2001 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en (…)

2.Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

(…) d. uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5); (…)”

10.

Met betrekking tot de specifieke zorgkosten heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij recht heeft op aftrek. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het door eiser in aanmerking genomen bedrag aan aftrek specifieke zorgkosten niet aannemelijk is gemaakt.

11.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard. Ten overvloede wijst de rechtbank eiser op de ter zitting door verweerder geboden mogelijkheid om, indien eiser nog enige bewijsstukken - zoals een verklaring van een Nederlandse arts met betrekking tot zijn aandoening - heeft, deze bewijsstukken aan verweerder te overleggen en daarbij te verzoeken om een ambtshalve vermindering op grond van artikel 65 van de Awr.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

21 augustus 2014.