Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10490

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_7364
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening: artikel 47a, eerste lid, van de Ziektewet (ZW).

Er is in casu geen geschil over het recht op loon ingeval van ziekte, maar over de beëindiging van een dienstbetrekking, als gevolg waarvan geen recht op bezoldiging meer bestaat. Dat verzoeker zijn ontslag heeft aangevochten, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat daarmee een onzekerheid over het recht op bezoldiging is ontstaan als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de ZW.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:95, geldigheid: 2014-08-22
Ziektewet 47a, geldigheid: 2014-08-22
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629, geldigheid: 2014-08-22
Ziektewet 76a, geldigheid: 2014-08-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/7364

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2014 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Spiering - Kalay).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de behandeling van verzoekers aanvraag om toekenning van een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangehouden en geweigerd hem een voorschot te verstrekken.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2014. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Verzoeker heeft gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening omdat hij als gevolg van zijn ontslag geen inkomen meer heeft. Hierdoor hebben hij en zijn gezin de afgelopen periode van de zeer geringe WW-uitkering van zijn partner en van hun spaargeld moeten leven. Zijn inmiddels door hun reserves heen, doordat de maandelijkse lasten hoger zijn dan de inkomsten. Verzoeker heeft de afgelopen drie maanden niet aan zijn hypothecaire verplichtingen kunnen voldoen. Verzoeker heeft een aanvraag gedaan om een bijstandsuitkering, maar deze is bij besluit van 10 juli 2014 afgewezen op de grond dat de ZW hier een voorliggende voorziening is.

2.2

Verweerder betwist dat er sprake is van een acute financiële noodzaak en verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1693).

2.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening nu uit de door hem overgelegde stukken voldoende is gebleken dat er (ten gevolge van zijn ontslag en het niet toekennen van een (voorschot op een) ZW-uitkering) ten aanzien van verschillende schuldeisers betalingsachterstanden zijn ontstaan en verzoeker over onvoldoende inkomsten beschikt om in zijn bestaan te voorzien. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verzoekers aanvraag om bijstand is afgewezen. De voorzieningenrechter zal, nu spoedeisend belang wordt aangenomen, het geschil inhoudelijk beoordelen.

3.

De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker is werkzaam geweest bij de gemeente [A] (hierna: de werkgever). Met ingang van 15 oktober 2013 heeft verzoeker zich ziek gemeld. Bij besluit van 9 april 2014 is aan verzoeker met ingang van 22 april 2014 disciplinair ontslag verleend wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Subsidiair is aan verzoeker per 22 april 2014 ontslag verleend wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk. Verzoeker heeft tegen het ontslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 17 juli 2014 van de rechtbank Noord-Holland heeft de voorzieningenrechter – voor zover hier van belang – het besluit van de werkgever om verzoeker met ingang van 22 april 2014 disciplinair ontslag te verlenen wegens plichtsverzuim geschorst tot op verzoekers bezwaar tegen dit besluit is beslist.

4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd om aan verzoeker een voorschot op een ZW-uitkering te verstrekken, op de grond dat onduidelijkheid bestaat over het recht op bezoldiging nu verzoeker zijn ontslag heeft aangevochten. Daarnaast heeft verweerder de behandeling van verzoekers aanvraag om een ZW-uitkering te verstrekken aangehouden.

5.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat op grond van de wet en op grond van de door hem genoemde uitspraken van de rechtbank Zwolle van 29 juli 2002 (ECLI:NL: RBZWO:2002:AE7090), de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2013 (ECLI:NL:RBZWB:2013:8008) en de rechtbank Gelderland van 29 juli 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:4781) wel degelijk voor verweerder de mogelijkheid bestaat om een ZW-uitkering toe te kennen of een voorschot te verstrekken. In deze uitspraken heeft de (voorzieningen)rechter – kort samengevat – geoordeeld dat een (voorschot op een) ZW-uitkering niet mag worden geweigerd om de enkele reden dat mogelijk een recht op loondoorbetaling bestaat wanneer het verleende ontslag (om andere reden dan wegens ziekte) na een bezwaar- of beroepsprocedure ongedaan zou kunnen worden gemaakt.

5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.1

Bij de beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat in artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan, vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom, een voorschot kan verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders in bepaald.

6.2

In afwijking daarvan is in artikel 47a, eerste lid, van de ZW bepaald dat geen voorschot wordt betaald indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of het recht op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de ZW, welke laatste bepaling ambtenaren als verzoeker betreft.

6.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient artikel 47a, eerste lid, van de ZW, gelet op het uitzonderingskarakter daarvan, strikt te worden uitgelegd. Blijkens de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 641, nr. 3) bij dit wetsartikel is het niet de bedoeling dat een voorschot wordt verleend ingeval twijfel bestaat over de vraag of betrokkene recht heeft op loon of onder de “vangnetvoorziening” valt. Dit zou volgens de wetgever niet aansluiten bij de gedachte achter de Wulbz om in gevallen waarin onzekerheid bestaat over het recht op loondoorbetaling tijdens ziekte geen voorschotbevoegdheid te geven. Gelet op deze bewoordingen en nu, in artikel 47a, eerste lid van de ZW wordt verwezen naar een tweetal artikelen waarin het recht op loon dan wel bezoldiging wordt geregeld tijdens ziekte, dient deze bepaling naar voorlopig oordeel zo te worden uitgelegd dat deze betrekking heeft op de situatie waarin tussen werkgever en werknemer strijd bestaat over de vraag of de werknemer wegens ziekte niet in staat is tot het verrichten van zijn arbeid, als gevolg waarvan de werkgever de loonbetaling heeft gestaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit het wetsartikel noch de wettekst worden opgemaakt dat de wetgever tevens het oog heeft gehad op een geval als het onderhavige, waarin geen geschil is over het recht op loon ingeval van ziekte, maar over de beëindiging van een dienstbetrekking, als gevolg waarvan geen recht op bezoldiging meer bestaat. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat de rechtsstrijd met betrekking tot het recht op loon of bezoldiging tijdens ziekte in de overgrote meerderheid van gevallen een aanzienlijk kortere tijd zal beslaan dat die met betrekking tot de rechtsstrijd over een al dan niet terecht gegeven ontslag. In het onderhavige geval bestond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bovendien geen onzekerheid over het recht op bezoldiging. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland het ontslagbesluit geschorst voor zover dat ziet op het strafontslag, maar niet voor zover dat ziet op het ontslag wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk. Dat verzoeker beide vormen van ontslag heeft aangevochten, maakt nog niet dat daarmee een onzekerheid over het recht op bezoldiging is ontstaan als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de ZW.

7.

Uit hetgeen onder 6.1 tot en met 6.3 is overwogen volgt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De voorzieningenrechter zal dan ook het verzoek toewijzen in die zin dat het besluit wordt geschorst.

8.

De bevoegdheid tot het verlenen van een voorschot zoals bedoeld in artikel 4:95 van de Awb kan slechts worden toegepast als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling wordt vastgesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoekers aanvraag nog niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wege van een voorlopige voorziening verweerder op te dragen om alsnog een inhoudelijke beslissing te nemen op de aanvraag van verzoeker om hem een (voorschot op een) ZW-uitkering toe te kennen.

9.

Gelet op de huidige financiële situatie van verzoeker en nu het nog onduidelijk is wanneer op het ontslagbesluit onherroepelijk zal zijn beslist, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een termijn van een maand te stellen voor het nemen van een besluit op verzoekers aanvraag. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,-- ineens alsmede een dwangsom van € 1.500,-- voor elke maand van overschrijding van deze termijn.

10.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst;

  • -

    draagt verweerder op om binnen een maand na verzending van deze uitspraak inhoudelijk op de ZW-aanvraag van verzoeker te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat verweer aan verzoeker een dwangsom verbeurt van € 1.500,-- (zegge: vijftienhonderd) ineens alsmede € 1.500,-- (zegge: vijftienhonderd) voor elke maand van overschrijding van deze termijn;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af voor zover meer of anders is gevraagd;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Willems-Gerritse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.