Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10476

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
22-08-2014
Zaaknummer
SHE 13/30982
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1673, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardonregeling. Voorwaarde onttrekken aan toezicht niet kennelijk onredelijk. Uit beeld zijn en onttrekken aan. Contra-indicatie meerdere identiteiten terecht tegengeworpen.

De rechtbank stelt voorop dat de Kinderpardonregeling begunstigend beleid is dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is verklaard. Bij het vaststellen van dit beleid komt verweerder een grote mate van discretie toe ten aanzien van het bepalen welke (groepen) van personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder het beleid vallen, onrechtmatig moet worden geacht (zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1082 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 7 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8527).

In hetgeen eisers hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in de Kinderpardonregeling gestelde voorwaarde dat de vreemdeling zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid, kennelijk onredelijk is (zie ook de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen). Het betoog van eisers dat voor het onderscheid dat de regeling hiermee maakt tussen vreemdelingen die contact hebben gehad met de in de regeling genoemde overheidsinstanties en vreemdelingen die contact hebben gehad met andere instanties, geen objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid erin is gelegen dat de in de regeling genoemde instanties zijn belast met het toezicht op vreemdelingen. Deze instanties zijn bij uitstek opgericht en ingericht om toezicht op vreemdelingen te houden, zodat ook kan worden vastgesteld of een vreemdeling al dan niet steeds in Nederland heeft verbleven. In aanmerking genomen dat verweerder in de Kinderpardonregeling ervoor heeft gekozen de eenheid van het kerngezin als uitgangspunt te nemen, welk uitgangspunt ook vanuit de belangen van het kind bezien niet onbegrijpelijk is, bestaat geen grond voor het oordeel dat de toerekening van de gedragingen van ouders aan het kind kennelijk onredelijk is. Het beroep van eisers op artikel 2, eerste lid, van het IVRK, faalt omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod niet eraan in de weg staat dat binnen één juridische categorie – de groep van kinderen die langdurig in Nederland verblijven doch niet zijn toegelaten – op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid (IND, COA, DT&V en de Vreemdelingenpolitie) en kinderen van ouders, zoals eiser I en eiser II, die daaraan niet voldoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524). Om dezelfde reden faalt reeds het beroep van eisers op artikel 2, tweede lid, van het IVRK, de artikelen 8 en 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geldigheid: 2014-08-22
Verdrag inzake de rechten van het kind, geldigheid: 2014-08-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/30982

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser 1], eiser I,

[naam 1] alias [naam 2] alias [naam 3], eiseres,

[eiser 2], eiser II,

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.M. Leijtens).

Procesverloop

Bij besluiten van 29 juli 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen” (de Kinderpardonregeling) afgewezen.

Bij besluit van 19 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 24 december 2013 hebben eisers de gronden van het beroep ingediend.

Bij brieven van 1 april 2014 en 9 mei 2014 hebben eisers de gronden van beroep nader toegelicht en nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres is op 20 augustus 2002 Nederland binnengekomen. In 2002 heeft zij een eerste asielaanvraag ingediend onder de naam [naam 2], geboren op [geboortedatum 1] 1981, met de Ivoriaanse nationaliteit. De tweede asielaanvraag heeft zij ingediend in 2003 onder de naam [naam 3], geboren op [geboortedatum 2] 1984, met de Burkinabese nationaliteit. De derde asielaanvraag heeft eiseres in 2006 ingediend onder de naam [naam 1], geboren op

[geboortedatum 2] 1983, met de Ivoriaanse nationaliteit. De asielaanvragen hebben niet geleid tot een verblijfsvergunning.

Eiseres is de moeder van eiser I en eiser II. Eiser I is geboren op [geboortedatum 3] 2004 in Nederland. Gesteld is dat hij de Ivoriaanse nationaliteit heeft. Eiser II, de halfbroer van eiser I, is geboren op [geboortedatum 4] 2002 in Duitsland. Gesteld is dat ook hij de Ivoriaanse nationaliteit heeft. Eiser II verblijft sinds 2003 in Nederland.

Op 26 april 2013 heeft eiser I een aanvraag ingediend tot het verlenen van een

verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Kinderpardonregeling. Eiser I is hierbij aangemerkt als de hoofdaanvrager. Op het aanvraagformulier zijn eiseres en eiser II ook als aanvragers vermeld.

Verweerder heeft de aanvragen bij de primaire besluiten afgewezen. Deze afwijzingen

heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers niet voldoen aan de voorwaarde in de Kinderpardonregeling dat zij zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de in de regeling genoemde instanties IND, DT&V, COA, Nidos of de Vreemdelingenpolitie. Ook heeft eiseres volgens verweerder meerdere keren een onjuiste identiteit of nationaliteit opgegeven. Omdat eisers volgens verweerder niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het vereiste om in het bezit te zijn van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) heeft hij de aanvragen van eisers afgewezen vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf.

3.

Eisers hebben aangevoerd dat de voorwaarde in de Kinderpardonregeling dat vreemdelingen zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de in de regeling genoemde instanties, disproportioneel en onrechtvaardig is. Er bestaat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid dat de regeling hiermee maakt tussen vreemdelingen die contact hebben gehad met de in de regeling genoemde overheidsinstanties en vreemdelingen die contact hebben gehad met andere instanties. Eisers hebben in dit verband gewezen op de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Ook hebben eisers gewezen op artikel 2, eerste en tweede lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Verder hebben eisers gewezen op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Sejdic en Finci tegen Bosnië en Herzegovina (22 december 2009, nrs. 27996/06 en 34836/06) en Neulinger en Shuruk tegen Zwitserland (6 juli 2010, nr. 41615/07) (www.echr.coe.int). Volgens eisers is het doel van deze voorwaarde om niet te gedogen dat vreemdelingen zich hebben onttrokken aan toezicht en daarmee aan hun uitzetting uit Nederland. Eisers betogen dat aan de omstandigheid dat zij geen contact hebben gehad met voormelde instanties maar met andere overheidsinstanties, niet de conclusie mag worden verbonden dat zij zich hebben onttrokken aan toezicht. Hierbij is volgens eisers van belang dat bij het debat over de Kinderpardonregeling niet alleen is gesproken over ‘onttrekken aan toezicht’, maar ook over ‘in beeld zijn bij de Rijksoverheid’. Onttrekken aan toezicht impliceert volgens eisers een actieve handeling; eisers hebben zich niet actief onttrokken aan toezicht. Eisers hebben ook aangevoerd dat verweerder ten onrechte de handelingen van eiseres heeft toegerekend aan eiser I en eiser II. Eisers hebben daarbij gewezen op de arresten van het EHRM inzake Butt tegen Noorwegen (4 december 2012, nr. 47017/09), Nunez tegen Noorwegen (28 juni 2011, nr. 55597/09) en Ponomaryovi tegen Bulgarije (21 juni 2011, nr. 5335/05) (www.echr.coe.int).

4.

Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

5.

Ingevolge het ter zake geldende beleid (paragraaf B22/3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000) verleent verweerder een vergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Kinderpardonregeling als hoofdpersoon kan worden aangemerkt en – voor zover hier van belang – zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de overheid. De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht indien de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DT&V, COA of Vreemdelingenpolitie (in het kader van de opgelegde meldplicht) of Nidos en niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest. Verder is in deze paragraaf bepaald dat de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Kinderpardonregeling wordt aangemerkt als een bijzondere groep aan wie vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend in het kader van de hardheidsclausule. Als de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv.

6.

De rechtbank stelt voorop dat de Kinderpardonregeling begunstigend beleid is dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is verklaard. Bij het vaststellen van dit beleid komt verweerder een grote mate van discretie toe ten aanzien van het bepalen welke (groepen) van personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder het beleid vallen, onrechtmatig moet worden geacht (zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1082 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 7 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8527).

7.

In hetgeen eisers hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in de Kinderpardonregeling gestelde voorwaarde dat de vreemdeling zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid, kennelijk onredelijk is (zie ook de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen). Het betoog van eisers dat voor het onderscheid dat de regeling hiermee maakt tussen vreemdelingen die contact hebben gehad met de in de regeling genoemde overheidsinstanties en vreemdelingen die contact hebben gehad met andere instanties, geen objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid erin is gelegen dat de in de regeling genoemde instanties zijn belast met het toezicht op vreemdelingen. Deze instanties zijn bij uitstek opgericht en ingericht om toezicht op vreemdelingen te houden, zodat ook kan worden vastgesteld of een vreemdeling al dan niet steeds in Nederland heeft verbleven. In aanmerking genomen dat verweerder in de Kinderpardonregeling ervoor heeft gekozen de eenheid van het kerngezin als uitgangspunt te nemen, welk uitgangspunt ook vanuit de belangen van het kind bezien niet onbegrijpelijk is, bestaat geen grond voor het oordeel dat de toerekening van de gedragingen van ouders aan het kind kennelijk onredelijk is. Het beroep van eisers op artikel 2, eerste lid, van het IVRK, faalt omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod niet eraan in de weg staat dat binnen één juridische categorie – de groep van kinderen die langdurig in Nederland verblijven doch niet zijn toegelaten – op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid (IND, COA, DT&V en de Vreemdelingenpolitie) en kinderen van ouders, zoals eiser I en eiser II, die daaraan niet voldoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524). Om dezelfde reden faalt reeds het beroep van eisers op artikel 2, tweede lid, van het IVRK, de artikelen 8 en 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Anders dan eisers betogen, is overigens het gewraakte onderscheid niet zozeer gelegen in een door artikel 14 van het EVRM genoemde grond of andere status (‘other status’ dan wel ‘toute autre situation’) maar in het gedrag van de ouders.

8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers zich gedurende de periode van verblijf in Nederland langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid (IND, COA, DT&V, Nidos en de Vreemdelingenpolitie). Uit de Kinderpardonregeling blijkt duidelijk dat het er daarbij om gaat dat vreemdelingen niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden uit beeld mogen zijn geweest bij die instanties. Aangezien eisers langer dan een periode van drie maanden bij die instanties uit beeld zijn geweest, kan hun betoog dat van onttrekken aan toezicht alleen sprake is bij een actieve handeling en zij zich niet actief hebben onttrokken aan het toezicht omdat zij wel bekend waren bij andere instanties, hen niet baten. Aldus voldoen zij niet aan de voorwaarden van de Kinderpardonregeling.

9.

De beroepsgrond slaagt dus niet.

10.

Eisers hebben ook aangevoerd dat verweerder in hun geval ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiseres meerdere keren een onjuiste identiteit of nationaliteit heeft opgegeven. Volgens eisers is geen sprake van het willens en wetens gebruik maken van een onjuiste identiteit. Ook in dit verband hebben eisers betoogd dat verweerder het gedrag van eiseres niet aan eiser I en eiser II mag tegenwerpen.

11.

Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

12.

In de Kinderpardonregeling is onder meer als contra-indicatie voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van die regeling opgenomen dat de vreemdeling of één van de gezinsleden twee keer of meer een onjuiste identiteit of nationaliteit heeft opgegeven. Gezien de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat eiseres drie verschillende namen en geboortedata heeft gebruikt en twee verschillende nationaliteiten. Verweerder heeft zich in het besluit in de derde procedure ook op het standpunt gesteld dat eiseres haar identiteit en nationaliteit nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit besluit is in rechte vast komen te staan met de ongegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 7 februari 2006. De stelling van eisers dat [voornaam 3] een koosnaampje is voor [voornaam 1] en de geboortedatum [geboortedatum 2] 1984 een verschrijving betreft omdat zij in 1983 is geboren en zij dus niet willens en wetens meerdere identiteiten heeft gebruikt, kan niet worden gevolgd. Eiseres had bovendien de mogelijkheid om na de gehoren in voormelde asielprocedures aanvullingen en correcties in te dienen en op deze manier deze gestelde verschrijvingen te herstellen. De stelling dat eiseres nagenoeg analfabeet is, maakt dit niet anders aangezien eiseres in die procedures werd bijgestaan door een gemachtigde. Daarnaast hebben eisers geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat eiseres in de tweede asielprocedure heeft opgegeven de Burkinabese nationaliteit te hebben. Verweerder heeft dus terecht vastgesteld dat eiseres meerdere keren een onjuiste identiteit of nationaliteit heeft opgegeven.

13.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen over het toerekenen van de keuze van eiseres om geen contact te hebben met de in de Kinderpardonregeling genoemde instanties aan eiser I en eiser II, overweegt de rechtbank dat verweerder ook het gebruik van meerdere verschillende identiteiten en nationaliteiten door eiseres aan eiser I en eiser II heeft mogen toerekenen. Ook in die zin voldoen eisers dus niet aan de voorwaarden van de Kinderpardonregeling.

14.

Ook deze beroepsgrond faalt.

15.

Eisers hebben voorts aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan verweerder het onttrekken aan het toezicht van meergenoemde instanties en het bestaan van de contra-indicatie niet had mogen tegenwerpen. Zij hebben hierbij gewezen op een uitspraak van de ABRvS van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:531) waarin is overwogen dat bij de vraag of van beleid moet worden afgeweken ook van belang is wat de redelijke doelstelling van dit beleid is. Eisers hebben aangevoerd dat op dit moment geen onduidelijkheid bestaat over de identiteit van eiseres en dat eisers altijd in beeld zijn geweest van overheidsinstanties. Gelet op de doelstelling van deze voorwaarden dienen deze omstandigheden tot afwijking van de Kinderpardonregeling te leiden. Verder hebben eisers gewezen op de medische situatie van eiser I en eiser II; zij hebben door hun autistische stoornis bijzondere aandacht nodig en zullen schadelijke gevolgen ondervinden van een terugkeer naar het land van herkomst van eiseres.

16.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen, bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de in de Kinderpardonregeling vermelde voorwaarde van het onttrekken aan het toezicht van de genoemde instanties en heeft verweerder deze voorwaarde en het gebruik maken van verschillende identiteiten in redelijkheid kunnen tegenwerpen aan eisers. Het tegenwerpen van die voorwaarden is in overeenstemming met de doelstelling van het beleid. Reeds daarom kan de verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 19 februari 2014 niet tot het oordeel leiden dat verweerder had moeten afwijken van de Kinderpardonregeling. Hetgeen eisers hebben aangevoerd over de medische situatie van eiser I en eiser II en de gevolgen bij terugkeer, kan niet worden gerelateerd aan de door verweerder tegengeworpen afwijzingsgronden en is om die reden geen bijzondere omstandigheid die tot afwijking van het terzake geldende beleid noopt.

17.

De conclusie is dat verweerder in het kader van de hardheidsclausule geen vrijstelling hoefde te verlenen van het mvv-vereiste.

18.

Eisers hebben verder aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM en de artikelen 6 en 8 van het IVRK.

19.

Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

20.

Bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven moet een 'fair balance' worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Dit volgt uit de jurisprudentie van het EHRM – onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, voormeld arrest Nunez en voormeld arrest Butt (www.echr.coe.int) – en de jurisprudentie van de ABRvS – bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527).

21.

Uit het arrest Butt kan worden afgeleid dat slechts onder bijzondere omstandigheden sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM, indien de desbetreffende vreemdeling of diens ouders konden of hadden moeten weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was (rechtsoverwegingen 78 en 79).

22.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de belangenafweging in het kader van de vraag of sprake is van schending van het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het privéleven van eisers, alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrokken. Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van eisers en meer in het bijzonder de belangen van eiser I en eiser II, gelegen in het hier te lande kunnen uitoefenen van het privéleven, niet opwegen tegen het algemeen belang, welk belang onder meer wordt gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank dat slechts in bijzondere omstandigheden sprake zal zijn van schending van het recht op eerbiediging van het privéleven en dat in het geval van eisers daarvan geen sprake is. Het privéleven van eiser I en eiser II is ontstaan in een periode dat eiseres – wier handelen of nalaten aan eiser I en eiser II kan worden tegengeworpen – wist, althans behoorde te weten, dat hun verblijfssituatie onzeker was. De banden die eiser I en eiser II in Nederland hebben opgebouwd, zijn dus aangegaan tijdens illegaal verblijf. Hoewel het vooral voor eiser I en eiser II lastig zal zijn om een leven op te bouwen in Ivoorkust omdat eiser I sinds zijn geboorte en eiser II sinds 2003 in Nederland wonen, Nederlands spreken en hier naar school gaan, moet worden geoordeeld dat deze omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat op grond daarvan uit het recht op respect voor hun privéleven de positieve verplichting voortvloeit hun hier te lande verblijf toe te staan. In dit verband is van belang dat verweerder ervan uitgaat dat eiser I en eiser II samen met hun moeder (eiseres) terugkeren naar Ivoorkust, dat de moeder naar zij stelt daar is geboren en getogen en daar tot haar komst naar Nederland heeft gewoond. Verder heeft verweerder ook de medische situatie van eiser I en eiser II niet als bijzondere omstandigheid hoeven aanmerken.

23.

Verweerder heeft zich dus op het standpunt mogen stellen dat de uitzetting van eisers niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

24.

Eisers hebben geen zelfstandige argumenten aangevoerd ter ondersteuning van hun beroep op artikel 6 en 8 van het IVRK.

25.

Ook deze beroepsgrond faalt.

26.

Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat verweerder hen ten onrechte niet heeft gehoord op hun bezwaar.

27.

Vaste jurisprudentie van de ABRvS (onder meer de uitspraak van 8 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9745) is dat van horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om van het horen af te zien, moet worden genomen op grond van de inhoud van het bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, op grond van wat eisers in hun bezwaarschrift hebben aangevoerd het standpunt kunnen innemen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en daarom mogen afzien van horen van eisers. De beroepsgrond faalt.

28.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzitter, en mr. J.M.H. Rijken-Lie en mr. A. Venekamp, leden, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2014.

De griffier is buiten staat voorzitter

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hoger beroep vreemdelingenzaken. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.