Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10450

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_1332
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op artikel 35, tweede lid, van de Wwb, in samenhang met de toepasselijke beleidsregels van verweerder, was verweerder bevoegd om het daarin opgenomen drempelbedrag als eigen bijdrage in mindering te brengen op de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd verleend. Niet is gesteld of gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb om van het beleid af te wijken is evenmin gebleken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:1a, geldigheid: 2014-08-22
Algemene bijstandswet 41, geldigheid: 2004-01-01
Algemene wet bestuursrecht 4:84, geldigheid: 2014-08-22
Participatiewet 35, geldigheid: 2014-08-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/1332

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2014 in de zaak tussen

Stichting Humanitas, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over [A], eiseres

(gemachtigde: P.M. Hoornweg),

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. van Dalsum).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend voor de kosten van bewindvoering over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 ten bedrage van € 896,-.

Partijen hebben ingevolge artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingestemd met rechtstreeks beroep. Het door verweerder op 9 januari 2014 ontvangen bezwaarschrift is ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar deze rechtbank en ingekomen op 20 februari 2014.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken overgelegd.

Het beroep is op 26 juni 2014 behandeld door een enkelvoudige kamer. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Partijen hebben ermee ingestemd een nadere zitting achterwege te laten.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiseres heeft op 18 november 2013 gevraagd om toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering door Stichting Humanitas te Rotterdam over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 ten bedrage van € 1.228,80. Blijkens de factuur bedraagt het basistarief bewindvoering € 1.024,- en de meerpersoonstoeslag € 204,80.

1.3.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit rekening gehouden met de kosten van bewindvoering tot een bedrag van maximaal € 1.024,-. Op dit bedrag heeft verweerder een drempelbedrag van € 128, - in mindering gebracht. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet in aanmerking komt voor kosten van een meerpersoonstoeslag ten bedrage van € 204,80, omdat eiseres een alleenstaande ouder betreft.

2.

Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij betoogt dat verweerder ten onrechte een drempelbedrag van € 128, - in mindering heeft gebracht op de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend. Eiseres wijst op de tekst van artikel 35, tweede lid, van de Wwb, waaruit volgens eiseres niet volgt dat verweerder bevoegd is een drempelbedrag als eigen bijdrage te hanteren. Voorts betoogt eiseres, onder verwijzing naar de toelichting bij artikel 35, tweede lid, van de Wwb, dat het daarin vermelde drempelbedrag slechts is bedoeld om kruimelvoorzieningen tegen te gaan. Nu de kosten van de bewindvoering het drempelbedrag te boven gaan, is volgens eiseres ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 35, tweede lid, van de Wwb.

3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de tekst van artikel 35, tweede lid, van de Wwb en de toelichting hierop suggereren dat de wetgever met de invoering van de Wwb in 2004 een andere invulling heeft willen geven aan het drempelbedrag dan voorheen onder de Algemene bijstandswet (Abw) het geval was. Het drempelbedrag zou onder de vigeur van de Wwb een administratieve drempel zijn geworden in plaats van een eigen bijdrage. Desondanks constateert verweerder dat de wetgever in de toelichting niet expliciet heeft vermeld dat een breuk bij de uitleg van het begrip drempelbedrag is beoogd. Daarnaast is verweerder van mening dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het begrip drempelbedrag in de Wwb nog op dezelfde wijze uitlegt als voorheen in de Abw. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat hij bevoegd is om, conform zijn beleidsregels, een deel van de kosten ter hoogte van het drempelbedrag, voor rekening van eiseres te laten en te beschouwen als een eigen bijdrage, ook als de kosten meer bedragen dan de drempel.

4.

In geschil is of verweerder op grond van het bepaalde in artikel 35, tweede lid, van de Wwb, in samenhang met zijn beleidsregels, bevoegd is om het in dat artikel vermelde bedrag als eigen bijdrage in mindering te brengen op de kosten die voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komen.

5.1.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wwb heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

5.2

Ingevolge het tweede lid van dat artikel, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2014, kan het college bijzondere bijstand weigeren, indien de in het eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van € 128,00 niet te boven gaan.

5.3.

In de Memorie van Toelichting bij de Vaststelling van de Wwb (TK, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 39) bij artikel 35 van de Wwb is ter zake van het tweede lid opgenomen: ‘Om bijzondere bijstandsverlening in kruimelvoorzieningen tegen te gaan hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een wettelijk gemaximeerd drempelbedrag toe te passen.

5.4

Verweerder heeft beleidsregels vastgesteld voor de gevallen waarin en de wijze waarop verweerder bij de toekenning van bijzondere bijstand gebruik maakt van een drempelbedrag. In deze beleidsregels is onder meer opgenomen:

Met ingang van 1 januari 2004 wordt bij aanvragen voor bijzondere bijstand een drempelbedrag gehanteerd van € 128,00 per jaar (geldt per 1 januari 2014). Dit betekent dat, voordat er sprake kan zijn van verlening van bijzondere bijstand, de betreffende kosten meer moeten bedragen dan het drempelbedrag. De eerste € 128,00 zijn voor rekening van belanghebbende en kan worden beschouwd als een eigen bijdrage.

6.1

De rechtbank stelt voorop dat uit de tekst van artikel 41 van de Abw, zoals die gold tot 1 januari 2004, valt af te leiden dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd was om het daarin vermelde drempelbedrag geheel of gedeeltelijk in mindering te brengen op de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd toegekend. Dit vindt tevens bevestiging in de Nota van Wijziging bij de Herinrichting van de Algemene Bijstandswet (TK, 1993-1994, 22 545, nr. 18, p. 45), waarin expliciet is opgenomen dat met het drempelbedrag in de Abw wordt aangegeven tot welk bedrag bijzondere bestaanskosten kunnen worden geacht uit het sociaal minimum te kunnen worden voldaan.

6.2

Weliswaar valt uit de expliciete bewoordingen van het thans geldende artikel 35, tweede lid, van de Wwb, op zichzelf niet af te leiden dat verweerder bevoegd is om het daarin vermelde drempelbedrag als eigen bijdrage in mindering te brengen op de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend, maar de rechtbank is van oordeel dat uitleg van genoemd artikel wel tot het aannemen van een zodanige bevoegdheid leidt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de tekst van artikel 35, tweede lid, van de Wwb zich hiertegen niet verzet. Voorts is het hanteren van een drempelbedrag in vorenbedoelde zin blijkens de wetsgeschiedenis steeds geoorloofd geweest. Uit de (hiervoor onder 5.3 genoemde) Memorie van Toelichting bij het thans geldende artikel 35, tweede lid, van de Wwb valt voorts niet af te leiden dat een andere uitleg of toepassing van het drempelbedrag beoogd is dan onder de vigeur van de Abw het geval was. Dat in genoemde toelichting ter zake van het tweede lid van artikel 35 van de Wwb slechts is vermeld dat met het drempelbedrag wordt beoogd om bijzondere bijstandsverlening in kruimelvoorzieningen tegen te gaan, maakt dit niet anders. Anders dan eiseres heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat het hanteren van het drempelbedrag als eigen bijdrage, ook in gevallen waarbij de kosten dit bedrag te boven gaan, een drukkend effect heeft op bijstandsverlening in kruimelvoorzieningen. Met de toepassing van het drempelbedrag als eigen bijdrage wordt derhalve niet voorbijgegaan aan het in de toelichting opgenomen doel van de wettelijke regeling.

6.3

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de jurisprudentie genoegzaam valt af te leiden dat het hanteren van een drempelbedrag, welke in mindering wordt gebracht op de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend, ook onder de vigeur van de Wwb geoorloofd is. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de door verweerder aangehaalde uitspraken van de CRvB van 27 maart 2007, 31 mei 2011 en 18 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA2794, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7744 en ECLI:NL:CRVB:2012:BY6644). Uit deze uitspraken valt af te leiden dat het hanteren van een drempelbedrag in gevallen waarin vaststaat dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend het drempelbedrag te boven gaan, door de CRvB wordt geaccepteerd. Ditzelfde geldt voor de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4699), waarnaar eiseres heeft verwezen. In deze uitspraak heeft de CRvB immers expliciet overwogen dat: ‘appellante recht heeft op bijzondere bijstand voor de gemaakte kosten behoudens voor zover het College gebruik maakt van de bevoegdheid tot toepassing van een drempelbedrag genoemd in artikel 35, tweede lid, van de Wwb en de grens van dit drempelbedrag nog niet is bereikt.’ Daarbij merkt de rechtbank op dat in laatstgenoemde uitspraak reeds was vastgesteld dat de gemaakte kosten het destijds geldende drempelbedrag te boven gingen. Dit stond echter naar het oordeel van de CRvB niet in de weg aan de eventuele toepassing van een drempelbedrag als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wwb.

6.4

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wwb bevoegd was om het daarin opgenomen drempelbedrag als eigen bijdrage in mindering te brengen op de kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Deze wetsuitleg past eveneens in het stelsel van bijzondere bijstand, waarin verweerder volledige vrijheid heeft in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. In lijn hiermee is verweerder eveneens bevoegd het drempelbedrag als eigen bijdrage te hanteren, welke eigen bijdrage wordt geacht uit het sociaal minimum te kunnen worden voldaan.

6.5

Gelet op artikel 35, tweede lid, van de Wwb, in samenhang met de toepasselijke beleidsregels van verweerder, was verweerder bevoegd om het daarin opgenomen drempelbedrag als eigen bijdrage in mindering te brengen op de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd verleend. Niet is gesteld of gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb om van het beleid af te wijken is evenmin gebleken.

7.

Het beroep van eiseres is ongegrond.

8.

Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en mr. J.L. Verbeek en mr. G.P. Verbeek, leden, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.