Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10408

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
AWB 13-11007, AWB 13-11009 en AWB 13-11011
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending onderzoeksplicht asielaanvragen homoseksuele asielzoekers

Asielaanvragen homoseksuele asielzoekers uit Trinidad en Tobago. Homoseksualiteit door verweerder geloofwaardig geacht. Eisers hebben onder meer aangevoerd dat als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 7 november 2013 (C-199 t/m C-201/12), verweerder grondiger onderzoek moet doen naar de situatie van LHBT’s in het land van herkomst, dan in hun zaken is gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank betrekt daarbij recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om onderzoek te doen naar de wijze waarop eisers na terugkeer in hun land van herkomst invulling aan hun seksuele gerichtheid zullen geven, dan wel waarom zij zich daar daarvan zullen onthouden. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderzocht wat de gevolgen zijn van de strafbaarstelling van homoseksuele handelingen in Trinidad en Tobago voor de maatschappelijke positie van homoseksuelen. Evenmin heeft verweerder onderzocht of eisers bescherming kunnen vragen bij de overheid tegen negatieve bejegening door derden, terwijl de relazen en overgelegde stukken aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat de autoriteiten geen bescherming bieden. Dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de incidenten uit het verleden onvoldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, is onvoldoende voor de conclusie dat ook de vermoedens over wat hen bij terugkeer te wachten staat, niet aannemelijk zijn. Daarbij is mede van belang dat van eisers niet meer mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer terughoudend opstellen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/337

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/11007

AWB 13/11009

AWB 13/11011

V-nr: [-], [-] en [-]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 juli 2014 in de zaken tussen

[eiser 1],

geboren op [geboortedag] 1980, eiser I,

[eiser 2],

geboren op [geboortedag] 1980, eiser II,

[eiser 3],

geboren op [geboortedag] 1974, eiser III,

allen burgers van Trinidad en Tobago, samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. P.J.T. de Kan),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: S.M.G. Bouma).

Procesverloop

Bij besluiten van 23 april 2013 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 16 april 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 23 april 2013 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen.

Bij uitspraak van 17 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken van eisers om voorlopige voorzieningen, die ertoe strekken de uitzetting van eisers te verbieden totdat op de beroepen is beslist, toegewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2014. Daarbij zijn de beroepen van eisers met instemming van alle partijen gevoegd behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig L. Lumsden, als tolk in de Engelse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij homoseksueel zijn en daardoor problemen hebben ondervonden in Trinidad en Tibago.

1.1

Eiser I is toen hij 19 jaar was onder bedreiging van geweld door een taxichauffeur seksueel misbruikt. Toen hij 23 of 24 jaar oud was (omstreeks 2003/2004) is hij door een onbekende persoon verkracht. Ongeveer een jaar later is hij opnieuw verkracht door twee onbekende mannen. Eiser I is nooit naar de politie gegaan omdat hij verwachtte daar te worden uitgelachen. Later is de flat waarin hij met zijn partner woonde met stenen en flessen bekogeld. De politie heeft na aangifte van de huisbaas weinig gedaan. Na dit incident is in juni/juli 2012 in een andere woning van eiser I en zijn partner ingebroken. Zijn partner is door de inbreker overmeesterd, maar eiser I weet niet wat er daarna met zijn vriend is gebeurd. Eiser I is daarnaast, in oktober 2012 voor het laatst, meer dan vijftien maal op straat het mikpunt geweest van gescheld en er werden dingen naar hem gegooid. Na het laatste incident in oktober 2012 hebben eiser I en zijn partner, die transseksueel is, samen besloten om naar Nederland te vertrekken. De partner is eerder naar Nederland vertrokken, omdat het vertrek voor hem als transseksueel urgenter was. Aan de partner is een verblijfsvergunning asiel verleend.

1.2

Eiser II is in 2005 op straat door onbekenden mishandeld, bestolen en uitgescholden voor flikker en homo. De mobiele patrouille van de politie aan wie eiser II het gebeuren vertelde, heeft rondgekeken maar vond niets. Zij hebben hem toen uitgelachen en zijn weggegaan. In 2006 is eiser II door twee onbekenden beroofd en bedreigd met verkrachting. De politie heeft zijn aangifte opgenomen en hem de volgende dag uitgelachen toen hij vroeg of de daders waren gevonden. Sinds 2007 wordt eiser II gestalkt en mishandeld door een persoon genaamd [naam], met wie hij zes maanden een relatie heeft gehad. Verder is eiser II in 2009 na zijn werk door drie mannen uitgescholden voor ‘Bullyman’, flikker en homo. Eén van de mannen wilde hem ook slaan, maar een vrouwelijke collega van eiser II, die de man kende, voorkwam dat. In 2012 is eiser II door zijn tante geslagen toen zij ontdekte dat hij homoseksueel is en is hij tijdens zijn werk in een restaurant ervan beschuldigd aids te hebben. In 2012 en 2013 heeft [naam], die sinds 2008 een straf had uitgezeten, eiser II opnieuw gestalkt en (met de dood) bedreigd. De moeder van eiser II heeft daarvan aangifte gedaan, maar de politie is nooit naar hun huis gekomen. Omdat eiser II in Trinidad als homoseksueel en als man die zich graag kleedt in vrouwenkleding, geen vrij leven kan leiden, heeft hij Trinidad en Tobago verlaten.

1.3

Eiser III is in 2000 beroofd en mishandeld. Hij is toen naar de politie gegaan en heeft alles verteld, maar daar is verder niets mee gebeurd. Daarnaast is hij in 2011 en december 2012 tijdens zijn werk als sandwichverkoper uitgescholden voor ‘homo’ en ‘vuile nicht’ toen hij weigerde gratis broodjes te verstrekken. Bij het incident in 2011 is hij ook met een fles op zijn rug geslagen. Met zijn aangifte voor dit incident heeft de politie niets gedaan. In 2013 is een vriend van hem vermoord en in stukjes gehakt en in 2000 is een kennis de ogen uitgestoken en hebben ze iets in zijn anus gestopt. Eiser III is bang, kan zichzelf niet zijn, wordt niet geaccepteerd en wordt door de overheid niet beschermd. Hij kan geen oorbellen dragen en zich ook niet vrouwelijk gedragen. Hij heeft zich daarom zo veel mogelijk gekleed als man. Hij wordt wekelijks op straat uitgescholden. Hij is door eiser I en diens partner ervan overtuigd dat hij Trinidad en Tobago moest verlaten en naar Nederland moest gaan.

2.

Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vermoedens van eisers over wat hen bij terugkeer naar Trinidad en Tobago te wachten staat, niet aannemelijk zijn. Volgens verweerder worden eisers in Trinidad en Tobago niet blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en zal terugkeer geen schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opleveren.

3.

De rechtbank stelt allereerst het volgende vast. Niet is in geschil dat verweerder aan eisers geen van de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen en dat verweerder de homoseksuele geaardheid van eisers geloofwaardig acht. Ook heeft verweerder de relazen van eisers en de door hen naar voren gebrachte incidenten in Trinidad en Tobago geloofwaardig geacht. Tot slot staat niet ter discussie dat homoseksuele handelingen in Trinidad en Tobago strafbaar zijn gesteld onder bedreiging van een gevangenisstraf van vijf jaar voor meerderjarigen, maar dat er niet actief door de autoriteiten vervolgd. Wel is mogelijk sprake van vervolging indien tevens sprake is van een commuun delict.

4.1

Eisers voeren aan dat zij niet zonder gevolgen op een voor hen betekenisvolle wijze invulling kunnen geven aan hun geaardheid. Zoals ook blijkt uit de gehoren hebben zij zich in het verleden wel degelijk terughoudend opgesteld en kunnen zij in Trinidad en Tobago niet openlijk uitkomen voor hun homoseksualiteit. Volgens het beleid mag echter geen enkele terughoudendheid van een asielzoeker bij terugkeer worden verwacht. Eisers voeren daarnaast aan dat zij ook nooit de bescherming van de autoriteiten kunnen inroepen, nu homoseksualiteit strafbaar is en daar een dreigende werking van uitgaat, zoals uit de overgelegde stukken blijkt. Volgens het beleid van verweerder wordt van eisers bovendien niet verwacht dat zij de bescherming van de autoriteiten moeten hebben ingeroepen.

4.2

Eisers hebben op 28 mei 2014 aanvullend aangevoerd dat als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 7 november 2013 (C-199 t/m C-201/12), verweerder grondiger onderzoek moet doen naar de situatie van LHBT’s (vreemdelingen met een lesbische, homoseksuele, biseksuele gerichtheid en vreemdelingen die transgender zijn) in het land van herkomst, dan in hun zaken is gebeurd. Volgens het nieuwe beleid van verweerder in WBV 2014/3 dient bij de beoordeling onder meer te worden betrokken de gevolgen van de strafbaarstelling voor de maatschappelijke positie van LHBT’s. Dat vereist een grondig onderzoek naar de maatschappelijke acceptatie, cultuur, gewoonten en gebruiken ten aanzien van uitingen van seksuele gerichtheid. Eisers verwijzen mede naar een rapport van Amnesty International van oktober 2011, waarin uitdrukkelijk wordt ingegaan op de discriminatie van LHBT’s als gevolg van de strafbaarstelling in Trinidad en Tobago. Met de enkele verwijzing naar een uitlating van de Minister President van Trinidad en Tobago in 2012 heeft verweerder niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond dat verweerder niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan, slaagt. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2422, ECLI:NL:RVS:2013:2423 en ECLI:NL:RVS:2013:2424). Daarin heeft de Afdeling het volgende - voor zover hier van belang - overwogen.

“8. Toegepast in het Nederlandse bestuursrechtelijk stelsel komt de door de staatssecretaris te maken beoordeling, waarbij hij gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onderzoek doet naar de algemene situatie voor homoseksuele vreemdelingen in het land van herkomst en de door de vreemdeling tijdens de gehoren afgelegde verklaringen betrekt, op het volgende neer.

8.1.

Voor afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel is op zichzelf onvoldoende dat de staatssecretaris de door een vreemdeling met een homoseksuele gerichtheid gestelde gebeurtenissen in het land van herkomst ongeloofwaardig acht. Bij de beoordeling of een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft moet de staatssecretaris namelijk ook de verklaringen van een vreemdeling betrekken over de wijze waarop hij na terugkeer in zijn land van herkomst invulling aan zijn seksuele gerichtheid zal geven, dan wel waarom hij zich daar daarvan zal onthouden (zie punt 82 van het arrest van het Supreme Court of the United Kingdom van 7 juli 2010 in zaak [2010] UKSC 31; www.supremecourt.gov.uk). De staatssecretaris moet bij zijn beoordeling van de aannemelijkheid van de verklaring dat een vreemdeling na terugkeer op de door hem gestelde wijze invulling zal geven aan zijn seksuele gerichtheid, de situatie voor homoseksuelen en de te verwachten acceptatie van het gestelde handelen in dat land betrekken. Dat een vreemdeling verklaart na terugkeer invulling aan zijn seksuele gerichtheid te gaan geven op een wijze die hem blootstelt aan vervolging, terwijl die verklaring niet strookt met, of juist in het verlengde ligt van, zijn verklaring over de wijze waarop hij eerder, in Nederland of elders, reeds invulling aan zijn seksuele gerichtheid gaf, beïnvloedt daarbij de aannemelijkheid van die verklaring (zie punt 24 van het arrest van het Bundesverwaltungsgericht van de Bondsrepubliek Duitsland van 20 februari 2013 in zaak nr. BVerwG 10 C20.12 (ECLI:DE:BVerwG:2013:200213U10C20. 12.0).

8.2.

Indien in het land van herkomst van een vreemdeling regelgeving bestaat op grond waarvan homoseksualiteit strafbaar is, dan wel die het verrichten van homoseksuele handelingen strafbaar stelt, moet de staatssecretaris onderzoeken hoe deze regelgeving in de praktijk wordt toegepast of uitwerkt. Het onderzoek omvat mede de vraag of het enkele zijn van homoseksueel of het verrichten van homoseksuele handelingen een gegronde vrees voor vervolging oplevert. Dit onderzoek moet niet alleen de vraag betreffen of toepassing van deze bepalingen daadwerkelijk leidt tot het opleggen van gevangenis- of andere straffen, maar ook het aan een eventuele veroordeling voorafgaande politie- en strafvorderlijk onderzoek en welke gevolgen strafbaarstelling heeft voor de maatschappelijke positie van homoseksuelen. Hierbij moet de staatsecretaris tevens de mogelijkheid voor homoseksuelen betrekken om bescherming bij de overheid te vragen tegen negatieve bejegening door derden. Niet ondenkbaar is immers dat het enkele feit dat het zijn van homoseksueel of het verrichten van homoseksuele handelingen strafbaar is gesteld ertoe leidt dat de overheid niet in staat of bereid is homoseksuelen bescherming te bieden, dat wil zeggen dat het vragen om bescherming gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2012 in zaak nr. 201101753/1/V2). Bij deze beoordeling moet de staatssecretaris buiten beschouwing laten of een vreemdeling zich aan vervolging kan onttrekken door zich terughoudend op te stellen.”

5.2

De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de wijze waarop eisers na terugkeer in hun land van herkomst invulling aan hun seksuele gerichtheid zullen geven, dan wel waarom zij zich daar daarvan zullen onthouden. Uit de gehoren blijkt immers dat eisers enkel zijn gehoord over het verleden, ten aanzien waarvan zij hebben aangegeven zich wel in enige mate terughoudend te hebben opgesteld, en dat verweerder hen niet heeft bevraagd over de invulling die zij bij terugkeer willen geven aan hun seksuele gerichtheid.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van de strafbaarstelling van homoseksuele handelingen in Trinidad en Tobago voor de maatschappelijke positie van homoseksuelen. Evenmin heeft verweerder onderzocht of eisers bescherming kunnen vragen bij de overheid tegen negatieve bejegening door derden, terwijl de relazen en overgelegde stukken aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat de autoriteiten geen bescherming bieden. Uit de door verweerder geloofwaardig geachte relazen van eisers volgt immers dat eisers in Trinidad en Tobago te maken hebben gehad met negatieve bejegeningen door derden vanwege hun homoseksualiteit. Daarnaast blijkt hieruit dat de aangiftes van eisers II en III bij de politie steeds tot niets hebben geleid en dat eiser II ook door de politie is uitgelachen.

Verweerder bij zijn beoordeling enkel de verklaringen van eisers over hun ervaringen vóór hun vertrek betrokken en geen onderzoek gedaan naar de (algemene) maatschappelijke positie van homoseksuelen in Trinidad en Tobago. Daarbij is evenmin betrokken hoe eisers bij terugkeer invulling zullen geven aan hun seksuele gerichtheid. Dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de incidenten uit het verleden onvoldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, is onvoldoende voor de conclusie dat ook de vermoedens over wat hen bij terugkeer te wachten staat, niet aannemelijk zijn. Daarbij is mede van belang dat van eisers niet meer mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer terughoudend opstellen.

5.3

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat er voldoende informatie voorhanden was om de bestreden besluiten zorgvuldig te kunnen nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de besluiten onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, zodat deze besluiten in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn genomen. De rechtbank overweegt dat verweerder onderzoek dient te verrichten, waarbij niet kan worden volstaan met het (enkel) opnieuw horen van eisers. De rechtbank kan zich voorstellen dat verweerder zich daarbij laat adviseren door de minister van Buitenlandse Zaken, eventueel middels een (algemeen, individueel of thematisch) ambtsbericht.

5.4

De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en in te gaan op verweerders aanbod ter zitting om nader onderzoek te doen naar de vraag in hoeverre eisers bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten van Trinidad en Tobago. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder zich primair op het standpunt stelt dat nader onderzoek niet nodig is, dat eisers ter zitting hebben aangegeven zich te verzetten tegen een aanhouding en tot slot dat het onderzoek, gelet op het hiervoor in nummer 5.2 overwogene, niet enkel toegespitst moet worden op de vraag in hoeverre eisers bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten van Trinidad en Tobago. Bovendien hoeft volgens het beleid van verweerder in WBV 2014/11 de vreemdeling geen bescherming conform artikel 3.37c van het Voorschrift Vreemdelingen in te roepen, als de seksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst. Verweerder dient zich in een nieuw besluit mede hierover uit te laten.

6.

Reeds gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank de beroepen gegrond. Het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel zal de rechtbank daarom niet bespreken. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Gelet op de inhoud van de beroepschriften en de beroepsgronden, merkt de rechtbank de zaken in beroep deels aan als samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 1948,-- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 2 punten voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1948,--, te betalen aan de gemachtigde van eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.: GL

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.