Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10363

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
AWB 12-28655, AWB 12-32054, AWB 12-32057, AWB 12-32060
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag, artikel 31, tweede lid, onder d en f Vw, positieve overtuigingskracht

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, met de enkele verwijzing naar een proces-verbaal van de KMar dat de door eisers overgelegde documenten “waarschijnlijk niet echt” zijn, ter onderbouwing van zijn standpunt dat eisers valse of vervalste bescheiden hebben overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan hebben volgehouden, niet heeft onderkend dat de conclusie van de KMar impliceert dat het (dus) ook mogelijk is dat de documenten wel echte documenten betreffen. In deze situatie kan evenmin worden volgehouden dat eisers opzettelijk de echtheid van de documenten hebben volgehouden. De conclusie in het p-v van de KMar is daarom onvoldoende om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 aan eisers tegen te werpen.

Hoewel aan eisers wel kan worden tegengeworpen dat zij toerekenbaar geen reisdocumenten hebben overgelegd, heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd waarom van het relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft daarbij wederom verwezen naar het rapport van de KMar en onder meer overwogen dat eisers hun identiteit en nationaliteit daarom niet aannemelijk hebben gemaakt. Belangrijke overweging van de rechtbank is dat verweerder, gelet op jurisprudentie van de Afdeling, op dit punt niet opnieuw en uitsluitend de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 aan eisers mag tegenwerpen. De rechtbank volgt tot slot niet het standpunt van verweerder dat hij toch aan de hand van de verklaringen van eisers heeft beoordeeld of van het (overige) asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft immers overwogen dat het vreemd is dat de Russische en Armeense autoriteiten de door eisers overgelegde documenten aan hen zouden hebben teruggegeven, nu deze documenten vals zijn. Omdat de conclusie van de KMar de mogelijkheid openlaat dat de overgelegde documenten mogelijk wel echt zijn, kan deze redenering van verweerder niet worden volgehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/28655

AWB 12/32054

AWB 12/32057

AWB 12/32060

V-nr: [-], [-], [-], [-]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], eiser,

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], eiseres,

en hun kinderen:

[kind 1], geboren op [geboortedatum], en

[kind 2], geboren op [geboortedatum],

allen burger van de voormalig Sovjet Unie, samen te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. S.D. Lugt, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. Smit, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluiten van 13 augustus 2012 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 9 augustus 2011 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 6 september 2012 heeft de rechtbank de beroepschriften van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft een aanvang genomen op 6 december 2012 en is voortgezet op 4 juni 2013. Eisers, behalve eiseres, zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. H.D. Streef. Ook was ter zitting aanwezig A.L. Hakopian, tolk Armeens. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

In verband met afwezigheid van de rechter die het onderzoek ter zitting heeft geleid op 6 december 2012 en 4 juni 2013, is de zaak aan een andere rechter overgedragen. In verband met artikel 8:77, derde lid in verbinding met artikel 8:11, tweede lid, van de Awb is op verzoek van eisers de zaak heropend en opnieuw ter zitting behandeld op 12 februari 2014. Eisers, behalve eiseres, zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. S. Smit. Ook was ter zitting aanwezig A. Avakyan, tolk Armeens. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1 Eisers hebben het volgende asielrelaas aan hun aanvragen ten grondslag gelegd. Eisers zijn allen staatloos. Zij hebben de nationaliteit van de Sovjet Unie bezeten, maar na het uiteen vallen van de Sovjet Unie bezitten zij geen nationaliteit meer en hebben zij ook geen nationaliteit meer kunnen verkrijgen van enig land. Eisers zijn in juni 1992 vanuit Azerbeidzjan gevlucht naar Armenië. In Armenië is hun de toegang geweigerd, omdat zij van gemengde afkomst zijn; eisers zijn zowel Armeens als Azerisch. Armeense militairen kwamen daar achter bij de documentcontrole in Armenië, Zij hebben toen bepaalde documenten van eisers verscheurd en de broer van eiser, die nog een document uit zijn zak wilde pakken, is voor eisers ogen doodgeschoten. Eisers zijn daarna in een bus de Russische grens overgezet. Sindsdien woonden zij in Rusland, maar daar hebben zij geen staatsburgerschap kunnen krijgen. In Rusland moesten zij, als niet-staatsburgers, vaak steekpenningen betalen. Eiser heeft in 2010 en 2011 problemen ondervonden in Rusland; hij werd bedreigd door bepaalde machtige mensen die eisten dat hij stopte met het bedrijf dat hij samen met iemand anders aan het opzetten was. Eiser en zijn zakenpartner zijn in 2011 door deze mensen aangevallen, waarbij zijn partner is neergestoken. Eiser werd in de gevangenis gezet, waar ze hem probeerden te dwingen een onbekende verklaring te tekenen. Eiser weigerde en werd mishandeld. Uiteindelijk heeft een kennis kunnen regelen dat eiser voor 50.000 roebel werd vrijgelaten. Hem werd gezegd dat hij 24 uur de tijd kreeg om het land te verlaten. Eisers zijn vervolgens gevlucht en hebben in Nederland asiel aangevraagd.

1.2 Bij hun aanvraag hebben eisers onder meer de volgende documenten overgelegd:

  1. verklaring/aangifte verlies Sovjetpaspoort van eiser, afgegeven op [datum] 1991 in Azerbeidzjan;

  2. verklaring/aangifte verlies Sovjetpaspoort van eiseres, afgegeven op [datum] 1991 in Azerbeidzjan;

  3. geboorteaktes van [de kinderen], afgegeven op respectievelijk [datum] en [datum];

  4. verklaring gezinssamenstelling, afgegeven op [datum] 1990;

  5. bewijs van de vereniging ‘Shahumjan-Getashen’, afgegeven op [datum] 1990.

2.

In een proces-verbaal van bevindingen van 28 juli 2011 is door de Koninklijke Marechaussee (KMar) ten aanzien van alle onder 1.2 genoemde documenten vastgesteld dat het “waarschijnlijk niet echte documenten” betreft.

3.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Verder heeft verweerder aan eiser en [kind 2], maar niet aan eiseres en [kind 1], het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers valse of vervalste papieren hebben overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan hebben volgehouden. Uit het proces-verbaal van onderzoek van de KMar van 28 juli 2011 blijkt immers dat de door eisers overgelegde documenten “waarschijnlijk niet echte documenten” betreffen, omdat er onregelmatigheden in de basisgegevens of de variabele gegevens voorkomen. Daarnaast is aan eiser en [kind 2] tegengeworpen dat zij geen reisdocumenten hebben overgelegd. Verweerder acht niet aannemelijk dat er geen enkel indicatief bewijs van de reis is en acht het ontbreken van zulke documenten toerekenbaar. Verder hebben zij geen detailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen over de reis kunnen afleggen. Gelet op het voorgaande moet van het relaas van eisers positieve overtuigingskracht uitgaan om alsnog geloofwaardig te worden geacht. Van het relaas gaat echter geen positieve overtuigingskracht uit, aldus verweerder. Niet is geloofwaardig dat eisers in Armenië de toegang is geweigerd en dat zij aldaar hun - vals bevonden - documenten hebben teruggekregen. Het is niet aannemelijk dat de Armeense autoriteiten valse documenten zouden teruggeven. Het is ook niet aannemelijk dat eiser met die valse documenten meermaals zou hebben geprobeerd het Russisch staatsburgerschap voor hem en zijn gezin te verkrijgen en dat de Russische autoriteiten deze valse documenten niet zouden innemen. Nu eisers hun identiteit en nationaliteit niet aannemelijk hebben gemaakt, is verdere toetsing van het asielrelaas niet mogelijk. Eisers hebben evenmin geloofwaardig gemaakt dat ze niet het Russisch staatsburgerschap of de Armeense nationaliteit kunnen verkrijgen en staatloos zijn. Ze komen daarom ook niet in aanmerking komen voor een buiten schuld-vergunning, aldus verweerder.

4.

Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder d, van voormeld artikel wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, van voormeld artikel wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

5.1

Eisers voeren aan dat uit het proces-verbaal van de KMar niet blijkt dat de door hen overgelegde documenten vals zijn, maar dat ze ‘waarschijnlijk niet echt’ zijn, vanwege vermeende onregelmatigheden in de basisgegevens. De besluiten zijn dus gebaseerd op een conclusie die geen grondslag heeft in het proces-verbaal van de KMar. De bewoording ‘waarschijnlijk’ impliceert bovendien dat de documenten wel echt kunnen zijn. Eisers verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 19 januari 2011 (ECLI:NL:RBGRO:2011:BP2447), waartegen verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld. De mogelijkheid van echtheid bestaat dus. Zelfs bij de hogere gradatie ‘hoogstwaarschijnlijk niet echt’ kan de KMar niet uitsluiten dat de documenten echt zijn. Verweerder kan zich dan ook niet onder verwijzing naar het rapport van de KMar op het standpunt stellen dat de documenten vals zijn. Eisers overleggen bovendien een document dat eenzelfde soort document “aangifte/verlies paspoort” betreft, dat de vreemdeling in een andere zaak heeft ingebracht en door de KMar mogelijk echt is bevonden. Artikel 31, tweede lid, onder d, van de Vw 2000 veronderstelt voorts dat de vreemdeling ten tijde van het gehoor over het document op de hoogte is van de valsheid van het document en tegen beter weten in de echtheid volhoudt. Gelet op deze bewoordingen, is deze bepaling ten onrechte aan eisers tegengeworpen. Eisers verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 22 juli 2010 (AWB 08/42596) en naar de Memorie van Toelichting bij de voorganger van deze bepaling (TK 1991-1992, 22735, nr. 3, p. 33).

5.2

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eisers slaagt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, met de enkele verwijzing naar de conclusie in voormeld proces-verbaal dat de documenten “waarschijnlijk niet echt” zijn, ter onderbouwing van zijn standpunt dat eisers valse of vervalste bescheiden hebben overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan hebben volgehouden, niet heeft onderkend dat de conclusie van de KMar impliceert dat het (dus) ook mogelijk is dat de documenten wel echte documenten betreffen. Zoals volgt uit het bestreden besluit, bestaan er bovendien nog twee hogere gradaties van waarschijnlijkheid, te weten hoogstwaarschijnlijk en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. De rechtbank acht de conclusie in het p-v van de KMar daarom onvoldoende om aan eisers te kunnen tegenwerpen dat zij valse of vervalste bescheiden hebben overgelegd, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. In deze situatie kan evenmin worden volgehouden dat eisers opzettelijk de echtheid van de documenten hebben volgehouden. Dat er geen contra-expertise is overgelegd, laat deze conclusies onverlet. Dat eisers wel een contra-expertise hebben laten uitvoeren maar deze in beroep niet hebben overgelegd, maakt dit oordeel van de rechtbank evenmin anders. De rechtbank acht daarbij van belang dat eisers ter zitting hebben aangegeven dat de contra-expert niet, zoals de KMar, in het bezit is van vergelijkbaar referentiemateriaal. De rechtbank acht voorts de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 19 januari 2011 (ECLI:NL:RBGRO:2011: BP2447) van belang, waartegen verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld. De dragende overweging in die uitspraak - voor zover van belang - houdt namelijk in dat de formulering “waarschijnlijk niet”, de mogelijkheid van het tegenovergestelde openlaat. Anders dan verweerder, acht de rechtbank dan ook niet relevant dat in die zaak sprake was van andere documenten en het de opmaak daarvan door de bevoegde autoriteiten betrof. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, niet in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 ten grondslag kunnen leggen aan zijn standpunt dat van het asielrelaas van eisers positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

6.

In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank toetsen of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten desondanks in stand kunnen blijven.

7.1

De rechtbank ziet zich daarbij gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid het ontbreken van reisdocumenten, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser en [kind 2] heeft kunnen tegenwerpen.

7.2

De rechtbank stelt ten eerste ten aanzien van de beroepen van eiseres (AWB 12/32060) en [kind 1] (AWB 12/32054) vast dat verweerder hen niet het ontbreken van reisdocumenten heeft tegengeworpen. Echter, gelet op het feit dat de asielaanvragen van eiseres en [kind 1] zijn gebaseerd op het relaas zoals eiser dat naar voren heeft gebracht, aangevuld door beide dochters, en eiseres zelf geen verklaringen heeft kunnen afleggen, dient deze vraag ook in de beroepen van eiseres en [kind 1] beoordeeld te worden.

7.3

Eisers voeren aan dat in de zienswijze uitvoerig is betoogd waarom zij geen reisdocumenten hebben kunnen overleggen. Eisers hebben nimmer reisdocumenten in handen gehad, omdat de gebruikte voertuigen door privépersonen ter beschikking zijn gesteld en hun reisagenten beschikten over de grensoverschrijdingsdocumenten. Volgens het beleid van verweerder is het ontbreken van documenten niet toe te rekenen als de documenten onder dwang zijn afgegeven. De ratio van dit beleid brengt volgens eisers met zich dat ook de asielzoeker die nooit over reisdocumenten heeft beschikt, het ontbreken daarvan niet kan worden toegerekend. Daarnaast is verweerder direct getreden in de vraag of eisers consistente en gedetailleerde verklaringen hebben afgelegd, terwijl dat pas aan de orde komt nádat is vastgesteld dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten. Zulke verklaringen kunnen vervolgens aanleiding zijn het ontbreken van documenten desondanks niet tegen te werpen. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling 25 april 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD1536). Verweerder heeft aldus een onjuist toetsingskader gehanteerd.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden niet slagen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de voornemens van eiser en [kind 2], die in de hen betreffende bestreden besluiten als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, eerst heeft vastgesteld dat zij geen reisdocumenten, dan wel enig bewijs, direct of indicatief, van hun reis hebben overgelegd. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat niet aannemelijk is dat er geen enkel indicatief bewijs van de reis zou zijn, noch dat zij niet in staat zijn coherente verklaringen omtrent de reisroute te geven. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze overwegingen dat hen in de eerste plaats is toegerekend dat zij geen (indicatieve) reisbewijzen hebben overgelegd en dat het vervolgens ook niet gebleken is dat zij consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis hebben kunnen afleggen. In de bestreden beslissing is als reactie op de zienswijze overwogen dat eisers alleen herhalen wat eerder in de gehoren is aangevoerd over de reisdocumenten. Dat is door verweerder reeds betrokken in het oordeel omtrent de toerekenbaarheid van het ontbreken van reisdocumenten in het voornemen. Dat verweerder daarop niet wederom expliciet reageert in de besluiten en zich beperkt tot de opmerking dat het aangevoerde onverlet laat dat ook geen informatie is verschaft over een aantal eenvoudige zaken, dat wil zeggen dat ook niet consistent, gedetailleerd en verifieerbaar over de reisroute is verklaard, maakt niet dat verweerder een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. De verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling gaat ook in zoverre niet op dat in die zaak sprake was van vastgesteld niet toerekenbaar niet beschikken over reisdocumenten. In die gevallen kan dan vervolgens niet aan de vreemdeling worden tegengeworpen dat hij geen verklaringen als bovenomschreven heeft afgelegd. Er is immers al sprake van niet toerekenbaarheid.

De rechtbank is tot slot met verweerder van oordeel dat, zoals toegelicht in het verweerschrift, niet kan worden geoordeeld dat het ontbreken van documenten gelijk moet worden gesteld met het onder dwang afgeven van documenten. Uitgangspunt in het beleid van verweerder is immers dat het in beginsel niet aannemelijk is dat men in het geheel geen, al dan niet indicatief, bewijs van de reis kan overleggen. Ook ander bewijs dan vervoersbewijzen en grensoverschrijdingsdocumenten kunnen als indicatie dienen. Nu eiser en [kind 2] voorts ook niet hebben betwist dat zij geen detailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute hebben afgelegd, heeft verweerder in redelijkheid aan hen kunnen tegenwerpen dat zij toerekenbaar geen reisdocumenten hebben overgelegd.

8.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich, gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het relaas van eisers positieve overtuigingskracht moet uitgaan, om het alsnog geloofwaardig te achten.

9.1

Eisers voeren aan dat verweerder ten aanzien van de geloofwaardigheid van het relaas een onjuiste toets heeft gehanteerd. Verweerder gebruikt de omstandigheid dat valse documenten zouden zijn overgelegd niet alleen bij artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, maar legt dit ook aan de beoordeling van de geloofwaardigheid ten grondslag. Dit verhoudt zich niet met de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BM9328). Verweerder kan niet bij de beoordeling of het relaas positieve overtuigingskracht heeft, opnieuw en uitsluitend een in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 genoemde omstandigheid tegenwerpen. Verweerder moet beoordelen of van de verklaringen van eisers positieve overtuigingskracht uitgaat.

Eisers voeren daarnaast aan dat verweerder speculeert over wat de autoriteiten van Armenië en van de Sovjet Unie zouden hebben moeten vinden van de documenten. Nu die autoriteiten de documenten volgens het relaas niet vals hebben bevonden, is het relaas volgens verweerder niet geloofwaardig. Dit getuigt van een cirkelredenering. Het is voorts innerlijk tegenstrijdig dat het relaas als ongeloofwaardig wordt afgedaan, maar eiser wel wordt gevolgd in zijn verklaringen dat hij de documenten bij controles heeft afgestaan aan de Armeense en Sovjet Unie autoriteiten.

9.2

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas wederom heeft verwezen naar het rapport van de KMar, waaruit volgens verweerder zou blijken dat de door eisers overgelegde documenten vals zijn. Omdat eisers valse documenten hebben overgelegd, hebben zij hun identiteit en nationaliteit niet aannemelijk gemaakt, is niet geloofwaardig dat eisers deze documenten van de Armeense en Russische autoriteiten hebben teruggekregen en is hun gestelde staatloosheid niet aangetoond, aldus verweerder. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat verdere toetsing van het asielrelaas niet mogelijk is, nu eisers zowel hun identiteit en hun nationaliteit niet aannemelijk hebben gemaakt. Verweerder heeft hiermee volstaan en het asielrelaas van eisers verder niet inhoudelijk getoetst.

De rechtbank is, onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.2, van oordeel dat verweerder het voorgaande niet heeft kunnen concluderen met de motivering dat de door eisers overgelegde documenten vals zijn, nu het rapport van de KMar dit laatste niet onderschrijft. Daarnaast heeft verweerder ten aanzien van de geloofwaardigheid van de identiteit en nationaliteit van eisers ten onrechte uitsluitend op basis van de door eisers overgelegde documenten geconcludeerd dat eisers hun identiteit en nationaliteit niet aannemelijk hebben gemaakt. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 21 juni 2010 (ECLI:NL:RVS: 2010:BM9328 ) en 29 juli 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE8065) is de rechtbank van oordeel dat verweerder op dit punt niet opnieuw en uitsluitend de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 aan eisers heeft mogen tegenwerpen. Verweerder had dienen te beoordelen of voor wat betreft de verklaringen van eisers over hun identiteit en nationaliteit positieve overtuigingskracht uitgaat. De rechtbank volgt tot slot niet het standpunt van verweerder dat hij toch aan de hand van de verklaringen van eisers heeft beoordeeld of van het (overige) asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft immers overwogen dat het vreemd is dat de Russische en Armeense autoriteiten de door eisers overgelegde documenten aan hen zouden hebben teruggegeven, nu deze documenten vals zijn. Omdat de conclusie van de KMar de mogelijkheid openlaat dat de overgelegde documenten mogelijk wel echt zijn, kan deze redenering van verweerder niet worden volgehouden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid met vorengenoemde motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. De beroepsgrond van eisers slaagt derhalve.

9.3

De bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen ruimte om het geschil tussen partijen finaal te beslechten. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Aan bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1461,-- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verschijnen bij twee nadere zittingen, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Gelet op de inhoud van de beroepsschriften, merkt de rechtbank de zaken in beroep aan als samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1461,--, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.