Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10326

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
14/6302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Duurzaam verblijfsrecht, referent niet vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland

Voorwaarden Alarape (C-529/11), Onuekwere (C-378/12), conclusie A-G Bot in de zaak Ogieriakhi (C-244/13), de rechtbank leest in de conclusie geen pleidooi om aan de voorwaarden gesteld in Alarape en Onuekwere voorbij te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/6302 (beroep [naam])
AWB 14/6303 (voorlopige voorziening [naam])
AWB 14/6304 (beroep [naam]
AWB 14/6306 (voorlopige voorziening[naam])

V-nrs: […] en […]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 1 juli 2014 in de zaken tussen

[naam],

geboren op [geboortedag]1977, eiseres en verzoekster (hierna te noemen eiseres)

[naam],
geboren op [geboortedag]1995, eiser en verzoeker (hierna te noemen eiser)
beiden van Ghanese nationaliteit,
gezamenlijk te noemen eisers,

(gemachtigde mr. S.M. Groen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van tot afgifte van een document “duurzaam verblijf burgers van de Unie” afgewezen. Bij besluit van 8 oktober 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser van tot afgifte van een document “duurzaam verblijf burgers van de Unie” afgewezen. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij afzonderlijke besluiten van 20 februari 2014 (de bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

Op 13 maart 2014 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers tegen deze besluiten ontvangen. Bij brieven van dezelfde data is verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken de uitzetting te verbieden totdat op de beroepen is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.


Overwegingen

Ten aanzien van de beroepen

1.

De rechtbank betrekt de volgende feiten bij de beoordeling.

1.1

Eiser is de zoon van eiseres. Eiseres is gehuwd met [naam] (referent). Referent heeft de Deense nationaliteit. Eiseres en referent hebben samen twee kinderen. Zij hebben gezamenlijk in Nederland gewoond.

1.2

Verweerder (waaronder mede verstaan: zijn rechtsvoorganger) heeft aan eiseres op 8 augustus 2008 een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 verleend, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Dit document heeft een geldigheidsduur van vijf jaar, ingaande op 14 juli 2008. Eiser is op 10 februari 2010 in het bezit gesteld van een dergelijk document met een geldigheidsduur tot 14 juli 2013.

1.3

Eiseres is met referent en eiser in 2012 naar Denemarken vertrokken. Eisers zijn van
26 juli 2012 tot 31 januari 2013 uitgeschreven geweest uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Referent heeft van 4 december 2007 tot 26 juli 2012 ingeschreven gestaan in de GBA. In januari 2013 zijn eiseres en eiser teruggekeerd naar Nederland. Referent is in Denemarken achtergebleven, samen met de twee kinderen van eiseres en referent. Op 17 juni 2013 heeft eiseres de onderhavige aanvraag om een document ten behoeve van een duurzaam verblijfsrecht als familielid van een burger van de Unie ingediend. Eiser heeft zijn aanvraag op 27 augustus 2013 ingediend.

2.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen omdat eisers niet gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland hebben gebleven. Eisers zijn van
26 juli 2012 tot 31 januari 2013 uitgeschreven geweest uit de GBA. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder overwogen dat – ongeacht of eisers langer dan zes maanden per jaar uit Nederland afwezig zijn geweest – zij sinds hun terugkeer in Nederland geen verblijfsrecht meer hebben opgebouwd, omdat referent niet samen met eisers naar Nederland is teruggekeerd. Op 31 januari 2013 verbleven eisers nog geen vijf jaar ononderbroken legaal in Nederland. In de bestreden besluiten is verder overwogen dat het verblijfsrecht van eisers op 31 januari 2013 van rechtswege is geëindigd, omdat zij sindsdien niet meer verblijven bij referent en daarom geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht.

3.1

Eisers hebben, samengevat, aangevoerd dat verweerder ten onrechte het document waaruit het duurzaam verblijf blijkt heeft geweigerd.

3.2

Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat hij bij de bestreden besluiten niet langer tegenwerpt dat eisers gedurende een periode van ten minste zes maanden per jaar buiten Nederland hebben verbleven. Dat betekent dat eiseres ten tijde van het nemen van het primaire besluit I, zonder relevante onderbreking, vijf jaar in Nederland heeft verbleven. De vraag is of zij gedurende vijf jaar legaal in Nederland heeft verbleven, nu referent in januari 2013 niet samen met eisers naar Nederland is teruggekeerd.

3.3

Op grond van artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 dient eiseres gedurende een periode van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf te hebben gehad bij referent (de burger van de Unie). Referent dient gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad. Deze bepaling strekt ter uitvoering van artikel 16, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de unie en hun familieleden (de Richtlijn) van 29 april 2004. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in rechtsoverweging 34 van het arrest van 8 mei 2013 in de zaak Alarape (C-529/11) onder meer het volgende overwogen:

“Voor de toepassing van artikel 16, lid 2, van richtlijn 2004/38 dient te worden vastgesteld dat familieleden van de burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, hoe dan ook slechts het duurzaam verblijfsrecht kunnen verwerven indien die burger ten eerste zelf aan de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van die richtlijn voldoet en, ten tweede, bedoelde familieleden tijdens de betrokken periode bij hem hebben gewoond.”
De rechtbank verwijst ook naar het arrest van 16 januari 2014 in de zaak Onuekwere
(C-378/12).

3.4

In zijn conclusie van 14 mei 2014 in de zaak Ogieriakhi (C-244/13) heeft advocaat-generaal Y. Bot (de A-G) aan de orde gesteld of aan de voorwaarden is voldaan indien de familieleden gescheiden zijn gaan leven van de burger van de Unie en de familieleden op het grondgebied van een andere lidstaat leven dan de burger van de Unie. Verweerder heeft ter zitting gewezen op punten 35 en 36 van voornoemde conclusie van de A-G, waarin onder meer staat dat de in die zaak betrokken burger van de Unie een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Daaruit leidt verweerder af dat de burger van de Unie ook in de optiek van de A-G vijf jaar ononderbroken legaal in het gastland moet hebben verbleven voordat de vreemdeling een duurzaam verblijfsrecht kan verwerven. Eiseres heeft gewezen op de punten 48 tot en met 53 van de conclusie van de A-G. Onder die punten heeft de A-G bepleit dat een vreemdeling die ten minste drie jaar is gehuwd met een burger van de Unie, waarvan één jaar is doorgebracht op het grondgebied van het gastland, zijn verblijfsrecht behoudt en een duurzaam verblijfsrecht kan verwerven wanneer hij voldoet aan de eerder genoemde voorwaarden, zelfs wanneer het huwelijk door een bevoegde instantie is ontbonden. Daaruit leidt eiseres af dat zij een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.

3.5

De rechtbank overweegt dat referent niet gedurende een periode van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Deze bepaling strekt tot uitvoering van artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn. De rechtbank is van oordeel dat de burger van de Unie eerst moet voldoen aan de voorwaarde van artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb, voordat de vreemdeling een duurzaam verblijfsrecht kan verwerven. De rechtbank leest in de conclusie geen pleidooi om aan deze voorwaarde – die het Hof in de arresten in de zaken Alarape en Onuekwere heeft gesteld – voorbij te gaan. De A-G heeft in zijn conclusie immers eerst aan de orde gesteld of de betrokken burger van de Unie in die zaak een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven in de zin van het eerste lid van artikel 16 van de Richtlijn. Hij heeft pas daarna besproken of de vreemdeling eveneens een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven in de zin van artikel 16, tweede lid, van de Richtlijn, ook al is hij van de burger van de Unie gescheiden gaan leven. Daarbij wijst de rechtbank ook op punt 50 van de conclusie. Hierin is aan het niet kunnen tegenwerpen van het gescheiden leven voor het verwerven van een duurzaam verblijfsrecht het uitdrukkelijke voorbehoud verbonden dat moet zijn voldaan aan de eerder genoemde voorwaarden.

3.6

Nu referent niet vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een document waaruit het duurzaam verblijfsrecht blijkt. De beroepsgrond treft geen doel.

4.1

Eisers hebben verder aangevoerd dat eiser een verblijfsrecht heeft omdat hij in Nederland een beroepsopleiding volgt en dat eiseres als verzorgende ouder een afgeleid verblijfsrecht toekomt. Dit vloeit volgens eisers voort uit het bepaalde in artikel 12 van verordening (EU) nr. 1612/68 (inmiddels artikel 10 van verordening (EU) nr. 492/2011), artikel 12, derde lid, van de Richtlijn en artikel 8.15, tweede en derde lid, van het Vb 2000. In de zaak Alarape kwam aan de zoon van de vreemdeling, die niet de zoon was van een burger van de Unie, op die grond een verblijfsrecht toe. Voorts hebben eisers gewezen op artikel 8.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vb 2000, waarin is bepaald dat het verblijfsrecht van de vreemdeling niet eindigt door afwezigheid uit Nederland van een periode van ten hoogste zes maanden per jaar. Eisers hebben ten slotte bepleit dat verweerder artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 analoog op eiser dient toe te passen. De stelling van verweerder dat deze bepaling niet van toepassing is op eiser omdat hij verblijf heeft gehad als gemeenschapsonderdaan, leidt tot een verboden onderscheid tussen burgers van de Unie en derdelanders.

4.2

Op grond van artikel 10 van de Verordening 492/2011 worden de kinderen van een onderdaan van een lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze staat toegelaten tot het algemeen onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding. Op grond van artikel 12, derde lid, van de Richtlijn, voor zover hier van belang, leidt het vertrek van een burger van de Unie niet tot het verlies van het verblijfsrecht voor zijn kinderen, noch voor de ouder die daadwerkelijk de voogdij heeft voor de kinderen, indien de kinderen in het gastland verblijven en met het oog op studie aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven. De bepaling in artikel 8.15, tweede lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 8.15, derde lid, van het Vb 2000 heeft een gelijkluidende strekking.

4.3

Eiser is niet de zoon van een burger van de Unie. De rechtbank is van oordeel dat aan eisers daarom geen geslaagd beroep toekomt op deze bepalingen. Gelet op de tekst van deze bepalingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank enkel kinderen van de burger van de Unie hierop een beroep doen. De rechtbank leest in de het arrest in de zaak Alarape niet dat het Hof uitdrukkelijk een andere uitleg heeft gegeven aan de tekst van artikel 12 van Verordening 1612/68 (thans artikel 10 van de Verordening 492/2011). De rechtbank merkt overigens nog op, dat het feit dat familieleden van burgers van de Unie louter op grond van deze bepaling in een lidstaat hebben verbleven, niet van invloed kan zijn op de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht in de zin van de Richtlijn. Dit blijkt uit rechtsoverweging 40 van het arrest in de zaak Alarape.

4.4

Ten aanzien van het beroep op artikel 8.15, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, overweegt de rechtbank dat deze bepaling in dit geval relevantie mist. Deze bepaling is geschreven voor de situatie waarin de vreemdeling uit Nederland afwezig is geweest. In het onderhavige geval is het verblijfsrecht echter geëindigd omdat referent niet samen met eisers naar Nederland is teruggekeerd.

4.5

Ten aanzien van het beroep op artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wijst de rechtbank erop dat deze bepaling ziet op aanvragen om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf. Eisers hebben hiervoor niet gekozen. Zij hebben immers gevraagd om een document waaruit een duurzaam verblijfsrecht volgt. Dit staat eisers vrij, maar heeft gevolgen voor het toetsingskader. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, niet op eiser toe te passen, hem niet ongerechtvaardigd ongelijk heeft behandeld ten opzichte van vreemdelingen die in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. De beroepsgrond slaagt niet.

5.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de beroepen ongegrond verklaart.

Ten aanzien van de verzoeken om voorlopige voorzieningen

6.

De gevraagde voorzieningen strekken ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op de beroepen. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, gelet op het feit dat de rechtbank heden op de beroepen heeft beslist.

Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorzieningen

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 14/6302 en AWB 14/6304:

verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 14/6303 en AWB 14/6306:

wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MvD

Coll.: AG

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorzieningen staat geen rechtsmiddel open.