Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10310

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
471149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en afwijzing ondertoezichtstelling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling met betrekking tot de minderjarigen sub 2 en 4 aanwezig zijn.

De minderjarige sub 4 is, met een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, bij De Vaart geplaatst met instemming van ouders. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van deze minderjarige is dat een gezinsvoogd samen met de ouders het vervolgtraject gaat vormgeven.

De minderjarige sub 2 heeft problemen met de schoolgang, agressie regulatie en heeft regelmatig ruzie met ouders waarbij ze heftig reageert. De relatie tussen de ouders en de minderjarige is ernstig verstoord. De hulpverlening voor deze minderjarige lijkt onvoldoende van de grond te komen en een ondertoezichtstelling is dan ook noodzakelijk.

Ten aanzien van de overige minderjarigen is de kinderrechter van oordeel dat er geen, althans onvoldoende, gronden aanwezig zijn. Ten aanzien van deze minderjarige zijn er geen dan wel onvoldoende kindsignalen. Het verzoek zal dan ook ten aanzien van deze minderjarigen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 14-1864

Zaaknummer : C/09/471149

Datum beschikking: 12 augustus 2014

Ondertoezichtstelling en afwijzing ondertoezichtstelling

Beschikking op het op 1 augustus 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarigen:

1.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats];

2.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];

3.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats];

4.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

5.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2002 te[geboorteplaats];

6.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats];

7.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats];

8.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te[geboorteplaats];

kinderen uit het huwelijk van:

[Vader],

de vader,

en

[Moeder],

de moeder,

beiden wonende te [woonplaats],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarigen verblijven feitelijk bij de vader en de moeder, met uitzondering van de minderjarige sub 4. Zij verblijft in [X], een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het rapport van de Raad d.d. 30 juli 2014.

Op 12 augustus 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

mevrouw [A] namens de Raad;

mevrouw [B] namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden

(hierna: Bureau Jeugdzorg).

De minderjarige sub 4 is op 12 augustus 2014 in raadkamer gehoord.

Verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen voor de periode van één jaar.

De grond voor het verzoek is, blijkens het rapport, gelegen in de omstandigheid dat de minderjarigen in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Het is een zeer gesloten gezinssysteem, waaruit twee van de minderjarigen zijn weggelopen en de ouders beschuldigen van mishandeling en opsluiting. De minderjarigen hebben allemaal vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. Het gezin geeft geen openheid van zaken en bagatelliseert alle beschuldigingen. De ouders komen de afspraken met de hulpverlening onvoldoende na. De meest passende maatregel is een ondertoezichtstelling, zodat de gezinsvoogd zicht kan krijgen en houden op de opvoedsituatie, de ouders kan ondersteunen om de juiste beslissingen te nemen ten aanzien van alle minderjarigen en in kan grijpen indien nodig en kan zorgen dat alle minderjarigen de benodigde hulp krijgen om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden.

Beoordeling

De vader en de moeder zijn conform de wettelijke vereisten opgeroepen, doch niet verschenen.

De minderjarigen sub 1, 2, 3 en 5 zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek, doch hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

Van de zijde van de Raad is ter zitting het verzoek gehandhaafd en benadrukt dat de Raad zich veel zorgen maakt over de minderjarigen.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling met betrekking tot de minderjarigen sub 2 en 4 aanwezig zijn.

De minderjarige sub 4 is, met een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, bij [X] geplaatst met instemming van ouders. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van deze minderjarige is dat een gezinsvoogd samen met de ouders het vervolgtraject gaat vormgeven.

De minderjarige sub 2 heeft problemen met de schoolgang, agressie regulatie en heeft regelmatig ruzie met ouders waarbij ze heftig reageert. De relatie tussen de ouders en de minderjarige is ernstig verstoord. De hulpverlening voor deze minderjarige lijkt onvoldoende van de grond te komen en een ondertoezichtstelling is dan ook noodzakelijk.

Ten aanzien van de overige minderjarigen is de kinderrechter van oordeel dat er geen, althans onvoldoende, gronden aanwezig zijn. Ten aanzien van deze minderjarige zijn er geen dan wel onvoldoende kindsignalen. Het verzoek zal dan ook ten aanzien van deze minderjarigen worden afgewezen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt de minderjarige sub 2 en 4 van 12 augustus 2014 tot 12 augustus 2015 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst ten aanzien van de overige minderjarigen het verzoek tot ondertoezichtstelling af;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Ghrib, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2014 in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.