Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
471121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat er weliswaar sprake is van psychiatrische problematiek bij de moeder en huiselijk geweld tussen de vader en de moeder waardoor er ook drie meldingen bij het AMK zijn gedaan, maar dat niet is gebleken dat de situatie van de minderjarigen zodanig is dat zij ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en vrijwillige hulpverlening niet meer mogelijk is.

In het algemeen blijkt uit onderzoek dat huiselijk geweld schadelijk is voor de ontwikkeling van minderjarigen, maar in casu ontbreken - naar het oordeel van de kinderrechter - de specifieke kindsignalen bij de minderjarigen. Vast staat dat de thuissituatie zorgelijk is en de minderjarigen hieronder lijden en de ouders ook zeker hulp moeten zoeken, maar de gronden voor gedwongen hulpverlening zijn momenteel onvoldoende aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 14-1861

Zaaknummer : C/09/471121

Datum beschikking: 12 augustus 2014

Afwijzing ondertoezichtstelling

Beschikking op het op 1 augustus 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarigen:

1.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];

2.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats];

kinderen uit het huwelijk van:

[A],

de vader,

en

[B][B]

de moeder,

beiden wonende te [woonplaats],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarigen verblijven feitelijk bij de ouders.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het Rapport van de Raad d.d. 30 juli 2014;

- het verweerschrift van mr. R.W. van den Hoek, advocaat van de vader,

d.d. 10 augustus 2014.

Op 12 augustus 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

mevrouw [X] namens de Raad;

mevrouw [Y] namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland

(hierna: Bureau Jeugdzorg);

de moeder en de vader, bijgestaan door een tolk in de Vietnamese taal,

mr. R.W. van den Hoek, advocaat van de vader.

De minderjarige sub 1 is op 12 augustus 2014 in raadkamer gehoord.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen voor de periode van één jaar.

De grond voor het verzoek is, blijkens het rapport, gelegen in het navolgende.

De minderjarigen groeien op binnen een gezin waarbinnen sprake is van huiselijk geweld (verbale en fysieke ruzies). Zij worden hierdoor in hun ontwikkeling bedreigd.

Daarnaast is er bij de moeder sprake van psychiatrische problematiek in de zin van

dwanghandelingen.

De ouders nemen niet de verantwoordelijkheid om de nodige hulpverlening op te starten.

Hulpverlening in het vrijwillige kader is ontoereikend en hulpverlening in het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling is noodzakelijk.

Mr. Van den Hoek heeft namens de vader verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

De moeder heeft zich niet expliciet tegen toewijzing daarvan verzet.

Beoordeling

Van de zijde van de Raad is het verzoek ter zitting gehandhaafd en meegedeeld dat de moeder in november 2013 tegenover de wijkagent heeft verklaard dat er al gedurende

10

jaar sprake was van huiselijk geweld en dat uit onderzoek gedurende de afgelopen jaren is gebleken dat huiselijk geweld van grote invloed is op de ontwikkeling van minderjarigen en deze invloed helaas vaak negatief is. Bovendien is ook de psychiatrische problematiek van de moeder een zorgpunt voor de ontwikkeling van de minderjarigen. Voorts speelt, aldus aangegeven, een rol dat het gezin uit een cultuur komt waarin het niet gebruikelijk is om openheid van zaken te geven omdat dit ernstig gezichtsverlies zou betekenen. Het is dan ook moeilijk om toegang te krijgen tot het gezin en in het vrijwillige kader is het tot op heden niet gelukt de hulpverlening te realiseren.

Een gezinsvoogd zou de aangewezen persoon om passende hulpverlening te initiëren en te coördineren.

Desgevraagd is meegedeeld dat er ten aanzien van beide minderjarigen geen kindsignalen zijn waargenomen.

Mr. Van den Hoek heeft namens de vader afwijzing van het verzoek bepleit. Hij heeft hiertoe gesteld dat het niet zo is dat de zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid van de minderjarigen ernstig worden bedreigd en aldus de grond voor een ondertoezichtstelling ontbreekt. Aangegeven is dat er bij beide minderjarigen geen problemen zijn op school en dat ervan uit mag worden gegaan dat de school wel door de afhoudende houding van de minderjarigen heen zou hebben geprikt als er echt sprake zou zijn geweest van problemen.

De enkele omstandigheid dat de ouders weleens ruzie maken, is geen reden voor een ondertoezichtstelling. De ouders hebben hulp nodig van een mediator om met elkaar te kunnen communiceren en ook de moeder heeft hulp nodig voor haar problematiek, maar verdere inmenging in het gezinsleven is onnodig.

De vader heeft ter zitting meegedeeld geen bemoeienis van de Raad te willen, maar het er wel mee eens te zijn dat de moeder hulp nodig heeft.

De moeder heeft ter zitting meegedeeld dat zij vanwege de mishandelingen door de vader wil scheiden en daarom bij de politie hulp heeft gevraagd om gesprekken met een maatschappelijk werker te kunnen hebben, maar abusievelijk naar het AMK is verwezen, waardoor een en ander in gang is gezet.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat er weliswaar sprake is van psychiatrische problematiek bij de moeder en huiselijk geweld tussen de vader en de moeder waardoor er ook drie meldingen bij het AMK zijn gedaan, maar dat niet is gebleken dat de situatie van de minderjarigen zodanig is dat zij ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en vrijwillige hulpverlening niet meer mogelijk is.

In het algemeen blijkt uit onderzoek dat huiselijk geweld schadelijk is voor de ontwikkeling van minderjarigen, maar in casu ontbreken - naar het oordeel van de kinderrechter - de specifieke kindsignalen bij de minderjarigen. Vast staat dat de thuissituatie zorgelijk is en de minderjarigen hieronder lijden en de ouders ook zeker hulp moeten zoeken, maar de gronden voor gedwongen hulpverlening zijn momenteel onvoldoende aanwezig.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Ghrib, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2014 in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.