Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10276

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
AWB 14/3496 en 14/3518
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

8 EVRM; standstillbepaling en mvv-vereiste; motiveringsgebrek; 6:22 Awb

De rechtbank oordeelt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1621), waarbij het arrest van het HvJ van 7 november 2013 (Demir) is betrokken, de standstillbepaling van artikel 13 Besluit 1/80 ook bij een eerste toelating een rol kan spelen. In zoverre kan eiser dan ook worden gevolgd in zijn beroepsgrond. Nu eiser echter geen verblijf beoogt als Turks werknemer of als familielid in de zin van artikel 7 Besluit 1/80, kan eiser geen geslaagd beroep doen op de standstillbepaling. Gelet hierop behoefde verweerder eiser dan ook niet op grond van de standstillbepaling vrij te stellen van het mvv-vereiste.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat in het bestreden besluit ten onrechte is overwogen dat geen sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Op dit punt is het besluit gebrekkig gemotiveerd. Eiser is hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad, nu verweerder in het besluit een uitgebreide afweging heeft gemaakt van de belangen van eiser en zijn dochter en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aan het algemeen belang meer gewicht toekomt dan aan de persoonlijke belangen van eiser en zijn dochter. De rechtbank ziet aanleiding om het besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb in stand te laten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-08-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14 / 3496 (beroep)

AWB 14 / 3518 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 22 juli 2014 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Mons, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij [naam]” afgewezen. Daarnaast behelst het primaire besluit een terugkeerbesluit waarbij een termijn voor vrijwillig vertrek aan eiser is onthouden.

Bij besluit van 28 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Bij besluit van 3 november 2010 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking “verblijf bij echtgenote”. De verblijfsvergunning is verleend met ingang van 18 augustus 2010 en geldig voor de duur van één jaar. Op 29 april 2011 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning. Bij besluit van 19 december 2011 heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 18 augustus 2010 en de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 mei 2012 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 november 2012 ongegrond verklaard en deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2.

Verweerder heeft de in geding zijnde aanvraag van eiser voor verblijf bij zijn dochter afgewezen op de volgende gronden. Eiser is niet in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergun-ning is gevraagd. Het beroep van eiser op de standstillbepaling van artikel 13 Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: Besluit 1/80) kan niet slagen, nu deze bepaling niet van toepassing is op eerste toelating. De weigering eiser verblijf toe te staan is voorts niet in strijd met artikel 8 EVRM. Tussen eiser en zijn dochter is sprake van familie- of gezinsleven, maar van inmenging in het recht op eerbiediging van dat familie- of gezinsleven is geen sprake. Immers, de aan eiser verleende verblijfsvergunning is met terugwerkende kracht ingetrokken en het staat in rechte vast dat eiser daarom nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Na afweging van alle belangen van eiser en zijn dochter enerzijds en het algemeen belang anderzijds, wordt aan het algemeen belang meer gewicht toegekend.

3.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, van dit artikel is van het mvv-vereiste vrijgesteld de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat Besluit 1/80.

Op grond van onderdeel l van het tweede lid is van het mvv-vereiste voorts vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM.

4.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. De vraag die partijen verdeeld houdt is of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, voornoemd. Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

4.1

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het mvv-vereiste niet gehandhaafd kan worden, gelet op de standstillbepaling van artikel 13 Besluit 1/80. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) van 7 november 2013 (C-225/12, Demir; http://eur-lex.europa.eu) en stelt dat hieruit valt op te maken dat ook bij een eerste toelating van een Turks onderdaan rekening dient te worden gehouden met de standstillbepaling van artikel 13 Besluit 1/80.

4.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op de standstillbepaling, nu deze niet van toepassing is op eerste toelating. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het beroep van eiser op het arrest van het HvJ van 7 november 2013 evenmin kan slagen, nu eiser geen verblijf wenst op grond van Besluit 1/80, maar op grond van artikel 8 EVRM.

4.3

De rechtbank oordeelt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1621), waarbij het arrest van het HvJ van 7 november 2013 is betrokken, de standstillbepaling van artikel 13 Besluit 1/80 ook bij een eerste toelating een rol kan spelen. In zoverre kan eiser dan ook worden gevolgd in zijn beroepsgrond. Nu eiser echter geen verblijf beoogt als Turks werknemer of als familielid in de zin van artikel 7 Besluit 1/80, kan eiser geen geslaagd beroep doen op de standstillbepaling. Gelet hierop behoefde verweerder eiser dan ook niet op grond van de standstillbepaling vrij te stellen van het mvv-vereiste.

5.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat in het onderhavige geval geen sprake is van inmenging in het familie- en gezinsleven met zijn dochter.

Eiser voert verder aan dat zijn dochter wel degelijk geworteld is in Nederland. Eiser verwijst naar het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 20 juni 2002 (Al Nashif vs. Bulgarije, application no. 50963/99; http://hudoc.echr.coe.int). De dochter van eiser is vanaf haar geboorte de levensomstandigheden in Nederland gewend en gaat hier naar de crèche. Verder heeft zij een vrije domiciliekeuze en zal haar moeder nooit toestemming verlenen voor het volgen van eiser naar Turkije. Daarnaast is het onzorgvuldig om te overwegen dat eiser en zijn dochter op afstand contact kunnen houden. De vraag rijst immers in hoeverre dit mogelijk is op een aanzienlijk grote afstand van ongeveer 3000 kilometer. Het is onmogelijk op afstand fysiek aanwezig te zijn bij een minderjarig kind, dat juist in haar jonge jaren behoefte heeft aan de vader. Op dit punt verwijst eiser naar het arrest van het EHRM van 21 juni 1988 (Berrehab vs. Nederland, application no. 10730/84; http://hudoc.echr.coe.int). Verder wijst eiser op het arrest van het EHRM van 31 januari 2006 (Rodrigues da Silva/Hoogkamer vs. Nederland, application no. 50435/99; http://hudoc.echr.coe.int). Vervolgens stelt eiser dat er objectieve belemmeringen zijn, omdat eiser afhankelijk is van de medewerking van de moeder van zijn kind, die weigert om het kind te laten reizen of het hoofdverblijf te laten verplaatsen. Verder staat het arrest van het Hof van 8 maart 2011 (C-34/09, Ruiz Zambrano; http://eur-lex.europa.eu) in de weg aan de overweging van verweerder dat het kind de fictieve keus heeft eiser te volgen. Dit zou afbreuk doen aan het effectief genot van het uitoefenen van het Unierecht. Daarnaast stelt eiser dat er voor de Nederlandse staat een positieve verplichting bestaat om het gezinsleven tussen hem en zijn dochter mogelijk te maken. Eiser wijst in dit verband op het arrest van het Hof van 19 oktober 2004 (C-200/02, Chen; http://eur-lex.europa.eu) en het arrest van het EHRM van 1 december 2005 (Tuqaobla Tekle vs. Nederland, application no. 60665/00; http://hudoc.echr.coe.int). Tenslotte wijst eiser op het arrest van het EHRM van 16 april 2013 (Udeh vs. Zwitserland, application no. 12020/09; http://hudoc.echr.coe.int), waaruit blijkt dat het EHRM veel gewicht hecht aan het belang van kinderen bij het behouden van het contact met hun vader.

Eiser heeft verder aangevoerd dat het EHRM in het arrest van 16 april 2013 nadrukkelijk heeft gewezen op het grote belang van kinderen om in de nabijheid van beide ouders op te kunnen groeien. Dit recht wordt overigens expliciet beschermd door artikel 24, derde lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Daarnaast stelt eiser dat artikel 7 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn 2003/86/EG) van toepassing is, hetgeen impliceert dat de lidstaten bij de behandeling van een verzoek terdege rekening dienen te houden met het belang van het minderjarige kind, nu in de preambule van de richtlijn staat vermeld dat in deze richtlijn de grondrechten en de beginselen in acht worden genomen die met name worden erkend in artikel 8 EVRM en in het Handvest.

5.1

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit het mvv-vereiste terecht is tegengeworpen, maar dat ten onrechte is overwogen dat geen sprake is van inmenging in het recht van eiser op eerbiediging van zijn familie- of gezinsleven met zijn dochter als bedoeld in artikel 8 EVRM. Verweerder verzoekt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb het beroep in zoverre gegrond te verklaren met instandlating van de rechtsgevolgen, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder stelt daarbij dat sprake is van een gerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven van eiser en zijn minderjarige dochter. Hierbij is een afweging gemaakt van de belangen van eiser en zijn dochter enerzijds en het algemeen belang anderzijds. Aan het algemeen belang wordt door verweerder groter gewicht toegekend dan aan het belang van eiser.

5.2

Gezien het hiervoor weergegeven standpunt van verweerder, stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit op het punt van de vraag of sprake is van vorenbedoelde inmenging, gebrekkig is gemotiveerd. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in dit geval aanleiding is om het besluit, ondanks dit gebrek, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.3

Verweerder heeft in het bestreden besluit een uitgebreide afweging gemaakt van de belangen van eiser en zijn dochter. Verweerder heeft daarbij een belangrijke wegingsfactor toegekend aan het feit dat eisers dochter de Nederlandse nationaliteit heeft, maar overweegt dat dit niet van doorslaggevende aard is, nu dit niet betekent dat het gezinsleven niet buiten Nederland kan worden uitgeoefend. Daarnaast acht verweerder van belang dat de dochter van eiser het recht op verblijf in Nederland niet wordt ontzegd. Verweerder heeft verder overwogen dat eisers dochter, gelet op haar leeftijd, niet zodanig is geworteld in Nederland dat toekomstmogelijkheden elders niet aanwezig zijn. Bovendien valt niet in te zien waarom zij zich niet zou kunnen aanpassen in Turkije. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat verweerder ten onrechte tot deze weging is gekomen. De enkele stelling van eiser dat zijn kind in Nederland is geboren en hier naar de crèche gaat, behoefde verweerder in redelijkheid niet tot een ander oordeel te leiden. Het beroep van eiser in dit verband op het hiervoor genoemde arrest van het EHRM van 20 juni 2012 slaagt niet, nu de feiten die aan dit arrest ten grondslag hebben gelegen, wezenlijk verschillen van de feiten in het onderhavige geval.

5.4

Verweerder heeft voorts naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid belang kunnen hechten aan het feit dat het aan eiser, zijn dochter en haar moeder is om te kiezen of het kind bij haar moeder in Nederland verblijft, dan wel of zij eiser volgt naar Turkije. Indien de keuze wordt gemaakt het kind in Nederland bij haar moeder te laten verblijven, zullen eiser en zijn dochter weliswaar verstoken blijven van regelmatig fysiek contact, maar dat maakt niet dat de belangenafweging daarom in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Hiertoe is van belang dat eiser zijn dochter in Nederland kan bezoeken en zijn dochter hem in Turkije kan bezoeken. Verder kunnen eiser en zijn dochter, op de momenten dat zij niet in elkaars nabijheid kunnen verblijven, op andere wijze invulling aan de gezinsband geven, onder meer door het onderhouden van telefonische contacten en contacten via internet. Het beroep van eiser in dit verband op het hiervoor genoemde arrest van het EHRM van 21 juni 1988 slaagt dan ook niet. Ook het beroep op het arrest van het EHRM van 16 april 2013 kan niet slagen. Immers, in de zaak die aan dat arrest ten grondslag lag, was een inreisverbod uitgevaardigd aan de vreemdeling, zodat hem de mogelijkheid werd ontnomen zijn kinderen te bezoeken in Zwitserland. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor.

5.5

Verweerder heeft verder in redelijkheid kunnen overwegen dat niet is gebleken dat het feitelijk onmogelijk is om het gezinsleven met het kind in Turkije uit te oefenen. Dat de moeder van eisers kind dit mogelijk niet zal toestaan, betekent niet dat hierdoor geoordeeld moet worden dat sprake is van een objectieve belemmering. Eisers beroep op het hiervoor genoemde arrest van het Hof van 8 maart 2011 slaagt niet, nu het een ander feitencomplex betreft. Immers, anders dan in die zaak, wordt de dochter van eiser niet feitelijk gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten omdat haar beide ouders, dan wel de daadwerkelijk verzorgende ouder, het verblijfsrecht op het grondgebied van (één van de lidstaten van) de Unie wordt ontzegd. De moeder van het kind verblijft immers in Nederland en draagt zorg voor de opvoeding en verzorging van het kind.

5.6

Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder het belang van de dochter van eiser betrokken in de afweging van de belangen van eiser enerzijds en het algemeen belang anderzijds. Dat deze belangenafweging vervolgens niet in het voordeel van eiser is uitgevallen, maakt niet dat verweerder daarom in strijd heeft gehandeld met hetgeen het EHRM in het arrest van 16 november 2013 heeft geoordeeld.
De rechtbank oordeelt verder dat, nu de dochter van eiser de Nederlandse nationaliteit heeft en dus burger van de Unie is, artikel 7 richtlijn 2003/86, of enige andere bepaling daarvan, niet van toepassing is. Eisers beroep in dit verband op artikel 24, derde lid, van het Handvest kan, gelet op artikel 51, eerste lid, daarvan, niet slagen, reeds omdat in het onderhavige geval door verweerder geen uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Unie.

5.7

De rechtbank is van oordeel, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aan het algemeen belang meer gewicht toekomt dan aan de persoonlijke belangen van eiser en zijn dochter. De stelling van eiser, dat op Nederland een positieve verplichting rust om hem in de gelegenheid te stellen hier te lande familie- of gezinsleven uit te oefenen met zijn dochter, volgt de rechtbank dan ook niet. Dat het EHRM, zoals eiser stelt, veel gewicht hecht aan het belang van het kind bij het behouden van het contact met de vader, maakt dat niet anders. Eisers beroep op het arrest van het EHRM van 16 april 2013 in dit verband, kan dan ook reeds daarom niet slagen.

6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat eiser door het in 5.2 genoemde motiveringsgebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om, met toepassing van artikel 6:22 Awb, het bestreden besluit in stand te laten.

7.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e of l, Vw. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning dan ook terecht afgewezen.

8.

Het beroep is ongegrond.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

9.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter: wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.