Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10261

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
AWB 13/32905, 13/32907 en 13/32908
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (kinderpardonregeling).

Eiseres was op de startdatum van de peilperiode niet jonger dan 21 jaar. Het onderscheid naar leeftijd dat met de regeling wordt gemaakt, is gerechtvaardigd. Verweerder heeft in een aantal gevallen een verblijfsvergunning verleend op grond van de regeling aan vreemdelingen waarbij sprake was van overschrijding van de leeftijdseis met enkele dagen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, nu het in het geval van eiseres gaat om een aanzienlijk ruimere overschrijding van de leeftijdsgrens. Het beroep op bijzondere omstandigheden in het kader van artikel 4:84 van de Awb slaagt evenmin. Voor verweerder bestaat geen verplichting om bij een aanvraag op grond van de regeling te beoordelen of de vreemdeling, buiten de voorwaarden van de regeling en de eventuele toepasselijkheid van artikel 4:84 Awb in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb wegens individuele schrijnende omstandigheden. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering van de verblijfsvergunning geen schending van artikel 8 EVRM oplevert.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/32905 (beroep eiseres)

AWB 13/32907 (voorlopige voorziening eiseres)

AWB 13/32908 (beroep eiser)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 8 mei 2014

in de zaken tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1991, van Vietnamese nationaliteit,

eiseres, verzoekster,

hierna te noemen als eiseres,

en haar minderjarige zoon:

[eiser],

geboren op[geboortedatum] 2011, van onbekende nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen als eiser,

tezamen te noemen als eisers,

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Graafland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 augustus 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 27 maart 2013 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen, neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2013/1, (hierna: de Regeling) afgewezen.

Eisers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Voorts heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die erop gericht is verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat verweerder op haar bezwaar heeft beslist.

Bij uitspraak van 6 december 2013 (AWB 13/20161) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek toegewezen.

Bij separate besluiten van 23 december 2013 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Voorts heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die erop gericht is verweerder te verbieden haar uit te zetten totdat op haar beroep is beslist.

Verweerder heeft op 21 maart 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. F.L.M. van Haren, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

Ten aanzien van de beroepsprocedure van eiser (AWB 13/32908)

1.

De rechtbank stelt vast dat eiser met ingang van 8 november 2011 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij zijn vader [naam]’, geldig tot 8 april 2016. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.

1.1

Namens eiser is ter zitting betoogd dat hij met een verblijfsvergunning op grond van de Regeling in een gunstigere positie terechtkomt dan waarin hij nu verkeert op grond van de aan hem verleende verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn vader. Indien de aan zijn vader verleende verblijfsvergunning immers zou worden ingetrokken of niet zou worden verlengd, zou daarmee de grond voor de aan eiser verleende verblijfsvergunning komen te vervallen.

1.2

Het namens eiser naar voren gebrachte belang bij een beoordeling van zijn beroep is gebaseerd op een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiser heeft geen concreet en actueel belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. Hetgeen eiser met zijn beroep beoogt, namelijk dat verweerder hem in het bezit zal stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zal eiser thans niet in een materieel gunstiger positie kunnen brengen, nu eiser reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

2.

Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van de beroepsprocedure van eiseres (AWB 13/32905)

4.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

4.1

Eiseres heeft op 16 oktober 2002 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 6 december 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en ambtshalve besloten eiseres niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 14 november 2006 (AWB 06/1383) ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 april 2007 (nr. 200609065/1) ongegrond verklaard.

4.2

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft verweerder aan eiseres vanwege zwangerschap uitstel van vertrek verleend vanaf 28 februari 2011 tot en met zes weken na de bevalling.

5.

Ingevolge paragraaf 3.1 van WBV 2013/1, de zogeheten ‘Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’, verleent verweerder een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012);
b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, op de startdatum van de peilperiode tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;
c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdij-instelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.
De IND verleent ingevolge voornoemd beleid ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

5.1

In de toelichting bij het beleid, neergelegd in WBV 2013/1, is het volgende opgenomen over het doel en de achtergrond van de Regeling:

Er zijn kinderen die al vele jaren in Nederland verblijven, zonder uitzicht op een verblijfsvergunning. De lange duur van het verblijf is te wijten aan procedures die in het verleden soms lang duurden, het niet meewerken aan het vertrek en het stapelen van procedures door ouders, of een combinatie van deze factoren. Om te voorkomen dat deze jongeren hiervan de dupe worden, is door het kabinet besloten een definitieve regeling en een overgangsregeling te treffen op grond waarvan deze jongeren, onder bepaalde voorwaarden, alsnog in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning.

De overgangsregeling biedt duidelijkheid aan kinderen met een asielachtergrond, die reeds langdurig in Nederland verblijven.

5.2

Bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van de ‘Regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ heeft verweerder het volgende opgemerkt:

Het gaat om een samenstel van factoren op basis waarvan wordt beoordeeld of de hoofdpersoon in het kader van de regeling in aanmerking komt voor een vergunning. Worteling is daarbij niet als voorwaarde opgenomen. […]. Het gaat dus om kinderen die al lang in Nederland verblijven door herhaalde asielprocedures in het verleden die lang duurden doordat hun ouders niet meewerkten of procedures op procedures gingen stapelen (12 maart 2013, TK 19637, nr. 1591, 60-26-101).

6.

Verweerder heeft eiseres voor de toepassing van de Regeling als hoofdpersoon aangemerkt en haar aanvraag afgewezen omdat zij niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van de Regeling, nu zij op de startdatum van de peilperiode niet jonger was dan 21 jaar. De weigering om eiseres verblijf in Nederland toe te staan betekent volgens verweerder daarnaast geen schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7.

Eiseres voert aan dat de leeftijdsgrens van 21 jaar die in de Regeling wordt gehanteerd willekeurig en discriminerend is, zodat haar aanvraag op grond daarvan ten onrechte is afgewezen. Volgens eiseres is het bestreden besluit daarom in strijd met artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 juncto artikel 8 EVRM en artikel 1, eerste lid, van het 12e Protocol bij het EVRM. Onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) van 18 februari 2009 in de zaak 55707/00, Andrejeva tegen Letland (ECLI:NL:XX:2009:BI1815) voert zij aan dat verweerder ‘very weighty reasons’ had dienen aan te voeren voor het gemaakte onderscheid, waarbij dat onderscheid een legitiem doel moet dienen en er een proportionele verhouding moet zijn tussen het middel en het doel.

7.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is. In de definitieve regeling, zoals neergelegd in paragraaf B9/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldt als uitgangspunt het bereiken van de meerderjarige leeftijd. In de overgangsregeling, zoals van toepassing op de aanvraag van eiseres, wordt de leeftijdsgrens van 21 jaar gehanteerd, zodat tegemoet wordt gekomen aan een groep vreemdelingen die meerderjarig zijn geworden in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de Regeling. Deze tegemoetkoming gaat echter niet verder dan de leeftijdsgrens van 21 jaar op het moment van de startdatum van de peilperiode. Uitgangspunt voor verweerder is dat de Regeling aanspraken op verblijf geeft voor minderjarige (en net meerderjarig geworden) kinderen. Voor meerderjarige vreemdelingen geldt een andere verantwoordelijkheid van de staat dan voor minderjarige kinderen.

7.2

Niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde dat zij op de startdatum van de peilperiode (op 29 oktober 2012) jonger was dan 21 jaar. Verzoekster was op dat moment 21 jaar, negen maanden en veertien dagen oud. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het hiervoor weergegeven standpunt een afdoende rechtvaardiging gegeven voor het gemaakte onderscheid, door in de Regeling een leeftijdsgrens op te nemen van 21 jaar. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat blijkens de toelichting op de Regeling, zoals weergegeven onder rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2, verweerder met de Regeling tegemoet heeft willen komen aan kinderen die lange tijd in Nederland hebben verbleven als gevolg van procedures die in het verleden soms lang duurden, het niet meewerken aan het vertrek en het stapelen van procedures, of een combinatie van deze factoren. In dat licht past de gegeven rechtvaardiging in de extra verantwoordelijkheid die verweerder heeft voor minderjarige vreemdelingen ten opzichte van vreemdelingen die meerderjarig zijn (geworden). Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van strijd met door eiseres aangehaalde discriminatieverboden en is geen sprake van een situatie als bedoeld in het voornoemde arrest van het Hof van 18 februari 2009.
De beroepsgrond slaagt niet.

8.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en verwijst daartoe naar een tweetal beschikkingen van vreemdelingen (v-nummers: 270.192.6485 en 702.072.791) die op 29 oktober 2012 ouder waren dan 21 jaar, maar desondanks in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4830) stelt eiseres dat verweerder dient te motiveren waarom geen sprake is van gelijke gevallen.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres voorts gewezen op zaken van collega’s waarin evenmin aan de leeftijdseis van 21 jaar werd voldaan, maar waarin verweerder desondanks een verblijfsvergunning op grond van de Regeling heeft verleend

8.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten aanzien van de vreemdeling met v-nummer: 270.192.6485 op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen, omdat eiseres ruimschoots niet voldoet aan de leeftijdseis, nu zij op de startdatum van de peilperiode negen maanden en veertien dagen te oud was, terwijl voornoemde vreemdeling op die datum slechts acht dagen ouder was dan 21 jaar. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar het verslag van een algemeen overleg van de Tweede kamer van 3 oktober 2013 (TK 2013-2014, 19 637, nr. 1747), waarin verweerder heeft verklaard dat hij in grensgevallen in het kader van het leeftijdsvereiste bereid is een verblijfsvergunning op grond van de Regeling te verlenen, als sprake was van een overschrijding van het leeftijdsvereiste met enkele dagen en dat hij niet aan het leeftijdsvereiste voorbijgaat als sprake is van een overschrijding van weken of maanden.

In het verweerschrift heeft verweerder zich ten aanzien de vreemdeling met v-nummer 702.072.791, die op de startdatum van de peilperiode zeven maanden ouder was dan 21 jaar, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat voornoemde vreemdeling niet als hoofdpersoon in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling, maar als gezinslid van een hoofdpersoon die wel aan de voorwaarden voldeed.

8.2

Niet in geschil is dat verweerder, daargelaten de vraag op grond van welke bevoegdheid, in een aantal gevallen een verblijfsvergunning heeft verleend op grond van de Regeling aan vreemdelingen die niet voldeden aan de leeftijdseis van 21 jaar op de startdatum van de peilperiode en waarbij sprake was van overschrijding van de leeftijdseis met enkele dagen. Blijkens de verwijzing door eiseres naar de zaak van voornoemde vreemdeling met v-nummer 270.192.6485 ging het daarbij om een overschrijding van in elk geval maximaal 8 dagen. Nu het in geval van eiseres om overschrijding van de leeftijdsgrens met negen maanden en veertien dagen gaat, en derhalve een aanzienlijk ruimere overschrijding, noopt het gelijkheidsbeginsel er niet toe dat verweerder ook aan eiseres, met voorbijgaan aan de in de Regeling gestelde leeftijdseis van 21 jaar op de startdatum van de peilperiode, een verblijfsvergunning op grond van de Regeling had dienen te verlenen.
Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel door de verwijzing ter zitting naar verschillende zaken van collega’s van haar gemachtigde, waarin verblijfsvergunningen op grond van de Regeling zijn verleend ondanks dat niet werd voldaan aan de leeftijdseis van 21 jaar, slaagt evenmin, nu gesteld noch gebleken is dat in die zaken sprake is geweest van een overschrijding van de leeftijdseis van 21 jaar met (veel) meer dan enkele dagen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel met verwijzing naar de zaak van voornoemde vreemdeling met v-nummer: 702.072.791 slaagt niet, nu aan deze vreemdeling, zoals door verweerder onbetwist is gesteld, niet als hoofdpersoon maar als gezinslid een verblijfsvergunning op grond van de Regeling is verleend.
De beroepsgrond slaagt niet.

9.

Eiseres voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:531) stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder bij toetsing aan de Regeling de redelijke doelstelling van het beleid in acht dient te nemen.

Eiseres verblijft ruim tien jaar in Nederland. Zij is op 11-jarige leeftijd als alleenstaande minderjarige naar Nederland gekomen. Zij heeft een familieleven met haar pleegouders en haar in Nederland verblijvende broer en een gezinsleven met haar kind dat in Nederland is geboren en dat een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn vader heeft, terwijl zijn vader in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Er zijn ernstige beperkingen van de mensenrechten in Vietnam, omstandigheden waarin eiseres nooit geleefd heeft en waarmee zij niet bekend is. Onder het huidige beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken (paragraaf B8/6 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)) zou eiseres in aanmerking zijn gekomen voor een verblijfsvergunning. Aan haar broer is bij besluit van 27 januari 2014 een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ verleend. Daaruit volgt dat eiseres, eiser en de vader van eiser geen toegang krijgen tot Vietnam en dat zij in Vietnam geen familie heeft.

9.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevoerde omstandigheden deels reeds zijn betrokken bij de totstandkoming van de Regeling, deels in de Regeling zijn verdisconteerd en deels samenvallen met de aangevoerde gronden die verweerder in het kader van artikel 8 EVRM heeft beoordeeld. De omstandigheden die door eiseres zijn aangevoerd kunnen daarom niet als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb worden beschouwd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om in afwijking van het beleid op grond van bijzondere omstandigheden de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen.

9.2

Ingevolge artikel 4:84 Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor de belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 9 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL3878), is voor een geslaagd beroep op artikel 4:84 Awb vereist dat de aangevoerde omstandigheden binnen strekking en reikwijdte vallen van het gevoerde beleid inzake de uitoefening van de in de desbetreffende procedure aan de orde zijnde bevoegdheid. Voorts is in die jurisprudentie overwogen dat omstandigheden die binnen de strekking en reikwijdte van dat beleid vallen en die bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken, niet als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:84 Awb, zijn aan te merken.

9.3

De omstandigheid dat eiseres al vele jaren in Nederland verblijft, met als gevolg dat zij in Nederland een familie- en privéleven heeft opgebouwd en de banden met haar land van herkomst zijn verwaterd, is een omstandigheid die bij de totstandkoming van het beleid is betrokken, zodat die niet als bijzonder zijn aan te merken als bedoeld in artikel 4:84 Awb.
De gestelde omstandigheden dat de mensenrechtensituatie in het land van herkomst van eiseres slecht is, dat er geen familieleden zijn die met haar zullen kunnen terugkeren, en dat eiseres buiten haar schuld niet uit Nederland zou kunnen vertrekken, zijn omstandigheden die buiten de strekking en reikwijdte van de Regeling vallen en geen verband houden met het niet voldoen aan de voorwaarde van de Regeling, en kunnen daarom niet leiden tot een geslaagd beroep op artikel 4:84 Awb. De verwijzing door eiseres naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 slaagt niet, nu het in die zaak, anders dan bij de door eiseres in deze zaak aangevoerde omstandigheden, ging om bijzondere omstandigheden die binnen de strekking en reikwijdte (‘redelijke doelstelling’) van het in die zaak aan de orde zijnde beleid vielen en die niet bij de totstandkoming van dat beleid waren betrokken.
De beroepsgrond slaagt niet.

10.

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte haar situatie niet heeft beoordeeld op schrijnendheid buiten de kaders van de Regeling, terwijl zij zich gemotiveerd heeft beroepen op de criteria zoals uiteengezet in de brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer van 21 februari 2007 (TK 2006-2007, 19 637, nr. 1131) over de beoordeling van schrijnende gevallen. Verweerder had de individuele omstandigheden van eiseres dienen mee te wegen en dienen te beoordelen of zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning ‘conform beschikking staatssecretaris’ op grond van artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

10.1

De rechtbank stelt vast dat de voornoemde brief van de minister van Justitie van 21 februari 2007 betrekking heeft op het beleid inzake de afhandeling van de zogenaamde 14/1- brieven. De inhoud van voornoemde brief is daarom niet zonder meer ook van toepassing op de beoordeling van aanvragen op grond van de Regeling., die bovendien dateert van na voornoemde brief. De Regeling voorziet er niet in dat, als de vreemdeling niet aan de voorwaarden van de Regeling voldoet, de vreemdeling desondanks in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als er sprake is van individuele schrijnende omstandigheden. Ook anderszins bestaat voor verweerder geen verplichting om bij een aanvraag op grond van de Regeling te beoordelen of de vreemdeling, buiten de voorwaarden van de Regeling en de eventuele toepasselijkheid van artikel 4:84 Awb in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb wegens individuele schrijnende omstandigheden. Verweerder heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres daartoe een aanvraag kan indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, Vb.

11.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Zij is twaalf jaar geleden op elf jarige leeftijd naar Nederland gekomen, waardoor sprake is van een lange verblijfsduur. Voorts heeft eiseres sterke banden met Nederland. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2083 en ECLI:NL:RVS:2013:2069). In geval van eiseres is er geen ouder wiens verblijfsrechtelijke positie afhankelijk is van die van eiseres. De verwijzing van verweerder naar het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 4 december 2012 in de zaak Butt tegen Noorwegen (ECLI:NL:XX:2012:BZ0202) is dan ook ten onrechte.

11.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar op elfjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en thans tweeëntwintig jaar oud is, maar dat zij nooit rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw. Het weegt in het voordeel van eiseres mee dat de afwijzing van haar asielaanvraag van 16 oktober 2002 pas op 27 april 2007 in rechte is komen vast te staan. In het nadeel van eiseres weegt echter mee dat zij sindsdien, behoudens de periode dat zij in verband met haar zwangerschap op grond van artikel 64 Vw tijdelijk niet uitzetbaar was, willens en wetens illegaal in Nederland heeft verbleven. Onder verwijzing naar het voornoemde arrest van het EHRM van 4 december 2012 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres aan de opgebouwde banden tijdens illegaal verblijf geen rechten kan ontlenen, nu in haar geval geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Verweerder acht het begrijpelijk dat eiseres in de jaren van verblijf in Nederland vriendschappen heeft opgebouwd en dat haar sociale leven zich hier te lande afspeelt. Verweerder heeft dit alles dan ook in het voordeel van eiseres meegewogen. Dit betekent volgens verweerder echter niet dat van eiseres niet gevergd zou kunnen worden dat zij terugkeert naar Vietnam, nu geen indicatie is gevonden dat voor eiseres onoverkomelijke of bijzondere obstakels bestaan om zich in Vietnam te vestigen. Daarbij acht verweerder het van belang dat eiseres tot haar elfde jaar in Vietnam heeft gewoond en nog immer de taal machtig is, waardoor niet aannemelijk is dat zij geen banden meer heeft met Vietnam.

11.2

Verweerder heeft in zijn belangenafweging terecht, onder verwijzing naar voornoemd arrest van het EHRM van 4 december 2012, al uitgangspunt gehanteerd dat opgebouwde banden tijdens illegaal verblijf slechts in uitzonderlijke omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM. Dat het in voornoemde zaak bij het EHRM onder meer ging om de vraag of het gedrag van ouders aan kinderen kan worden toegerekend indien sprake is van misbruik van een afhankelijke verblijfsrechtelijke positie, waarvan in het geval van eiseres geen sprake is, zoals namens haar ter zitting is aangevoerd, doet niet af aan het in voornoemd arrest geformuleerde algemene uitgangspunt. Voornoemd algemene uitgangspunt vormt immers vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer de arresten van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, no. 55597/09, en 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, no. 50435/99, www.hudoc.echr.coe.int ).
De verwijzing namens eiseres naar voornoemde uitspraken van de Afdeling van 13 november 2013 doet aan het voorgaande niet af, nu in de situatie van eiseres, anders dan in de zaken die hebben geleid tot voornoemde uitspraken, het niet de keuze is geweest van een ouder van een minderjarig kind om in Nederland te verblijven zonder verblijfsrecht en verweerder in zijn belangenafweging ook niet heeft betrokken dat een risico op misbruik bestaat door een ouder die voor zijn verblijfsrecht afhankelijk is van het verblijfsrecht van eiseres.

11.3

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder, blijkens zijn onder rechtsoverweging 11.1 opgenomen standpunt, alle relevante omstandigheden in het kader van het privé-leven van eiseres in zijn belangenafweging heeft betrokken. Gelet daarop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het beroep van eiseres op haar privéleven als beschermd door artikel 8 EVRM geen aanleiding bestaat aan eiseres alsnog verblijf in Nederland toe te staan. Ondanks de lange verblijfsduur van eiseres in Nederland en de door haar daardoor in Nederland opgebouwde banden, heeft verweerder in zijn belangenafweging zwaar gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiseres nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een haar verleende verblijfsvergunning. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan in dit geval desondanks sprake is van een schending van artikel 8 EVRM.
De beroepsgrond slaagt niet.

12.

Eiseres voert aan dat verweerder in zijn belangenafweging in het kader van het beroep van eiseres op haar gezinsleven als beschermd door artikel 8 EVRM ten onrechte ervan uit is gegaan dat voor haar geen objectieve belemmering bestaat om haar gezinsleven met haar zoon en diens vader buiten Nederland uit te oefenen. Verweerder is ten onrechte voorbij gegaan aan de omstandigheid dat haar zoon in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn vader en dat de vader van eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Hoewel de vader van haar zoon de Chinese nationaliteit heeft, staat op grond van de aan hem verleende verblijfsvergunning vast dat hij buiten zijn schuld ook niet naar derde landen, waaronder Vietnam, kan vertrekken. Ook eiseres zal geen toegang tot Vietnam krijgen. Dit alles wordt bevestigd door door eiseres overgelegde verklaringen van de Vietnamese vertegenwoordiging van 16 november 2011 en 11 mei 2012, waaruit blijkt dat eiseres en de vader van haar zoon niet in het bezit worden gesteld van een laissez-passer of paspoort.

12.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een objectieve belemmering voor eiseres om haar gezinsleven in Vietnam uit te oefenen. Dat eiseres geen toegang zal krijgen tot Vietnam, blijkt niet uit de overgelegde verklaring van de Vietnamese vertegenwoordiging van 16 november 2011. Niet gebleken noch aangetoond is immers dat eiseres niet alsnog aan de benodigde documenten kan komen, zodat zij wel in het bezit kan worden gesteld van een laissez-passer of paspoort. Dat de vader eiseres en haar zoon niet naar Vietnam zou kunnen volgen, is evenmin aangetoond. Weliswaar blijkt uit de verklaring van de Vietnamese autoriteiten van 11 mei 2012 dat deze geen laissez-passer of paspoort voor hem af willen geven, omdat hij niet de daartoe vereiste documenten heeft overgelegd. Niet is echter aangetoond dat hij niet aan de vereiste documenten zou kunnen komen. Bovendien is de vader van de zoon van eiseres in het bezit van een vreemdelingenpaspoort, waarmee hij naar alle landen behalve naar China kan reizen, dus ook naar Vietnam. Niet is aangetoond dat hij niet voor langere tijd in Vietnam zou kunnen blijven.

12.2

Eiseres heeft niet weersproken dat de vader van de zoon van eiseres in het bezit is van een vreemdelingenpaspoort. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat de vader van eiser met zijn vreemdelingenpaspoort naar Vietnam kan reizen. De stelling namens eiseres ter zitting dat de vader van de zoon van eiseres na zijn inreis in Vietnam geen verblijfsrecht zal kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld als staatloze vreemdeling, heeft eiseres niet onderbouwd. Daarnaast heeft eiseres haar stelling dat zij geen toegang zal kunnen krijgen tot Vietnam, onvoldoende onderbouwd. Uit de door haar overgelegde verklaringen van de Vietnamese autoriteiten blijkt niet dat zij nimmer in het bezit kan worden gesteld van een laissez-passer of paspoort. Uit de verklaring van de Vietnamese ambassade van 16 november 2011 blijkt immers dat eiseres bij de ambassade is geweest, maar dat aan haar geen paspoort of laissez-passer kon worden verstrekt, omdat zij daartoe niet de vereiste documenten heeft overgelegd. Gesteld noch gebleken is gebleken dat eiseres niet de daartoe benodigde documenten kan overleggen of verkrijgen. Voorts is gesteld noch gebleken dat de zoon van eiseres niet een reisdocument bezit of kan verkrijgen om naar Vietnam te reizen.
Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van objectieve belemmeringen voor eiseres om haar gezinsleven met haar zoon en zijn vader buiten Nederland uit te oefenen.
De beroepsgrond slaagt niet.

13.

Eiseres voert aan dat verweerder de overige door haar aangevoerde omstandigheden niet dan wel onvoldoende en niet in hun onderlinge samenhang in zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM heeft betrokken . Eiseres wijst op de banden met haar pleegouders en de gendergerelateerde omstandigheden, zoals geweld tegen en discriminatie van vrouwen in Vietnam, de ernstige beperkingen van mensenrechten in Vietnam, waar eiseres gezien de leeftijd waarop zij naar Nederland kwam niet gewend is mee te leven, het ontbreken van familie, vrienden en een sociaal netwerk in Vietnam, de bezwaren voor de vader van haar kind om het gezinsleven in Vietnam uit te oefenen, en de omstandigheid dat zij onder het huidige beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken (paragraaf B8/6 Vc) in aanmerking zou zijn gekomen voor een verblijfsvergunning.

Verweerder heeft ten onrechte de banden met haar pleegouders niet meegewogen met als motivering dat geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Ook zonder een bijzondere afhankelijkheidsrelatie had verweerder deze banden in zijn belangenafweging moeten betrekken. Ook heeft verweerder ten onrechte de hiervoor genoemde problemen die eiseres bij terugkeer in Vietnam verwacht, niet in zijn belangenafweging betrokken. Ter onderbouwing van de problemen die eiseres bij terugkeer verwacht, heeft zij verwezen naar het ‘Annual report on human rights’ over 2012 van het U.S. State Department. Ten onrechte is verweerder hieraan voorbij gegaan. Verweerders reactie in het bestreden besluit dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gestelde problemen eiseres en haar zoon zullen overkomen is onvoldoende en gaat eraan voorbij dat het aangehaalde rapport een deskundigenbericht is. Verweerder heeft zich in het bestreden voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat het in de rede ligt dat eiseres een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, omdat de door haar aangevoerde omstandigheden in het land van herkomst asielgerelateerd zijn. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt immers dat alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM dienen mee te wegen. Ook uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat de veiligheidssituatie van het land van herkomst dient te worden meegewogen. Bovendien gaat het hier niet alleen om asielgerelateerde omstandigheden, maar tevens om sociale omstandigheden in Vietnam.

13.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiseres en haar pleegouders, nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en haar pleegouders.
Ten aanzien van de problemen die eiseres bij terugkeer in Vietnam verwacht te zullen ondervinden, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze problemen haar en haar gezin daadwerkelijk zullen overkomen. Indien eiseres in Nederland wil verblijven om een reden die nauw verband houdt met de situatie in het land van herkomst, ligt het in de rede dat zij een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Uit het door eiseres overgelegde rapport van de U.S. State Department blijkt daarnaast dat onderwijs in Vietnam voor kinderen tot 14 jaar gratis is.
De stelling van eiseres dat zij niemand in Vietnam kent, leidt evenmin tot een ander standpunt. Mede gelet op haar leeftijd wordt eiseres geacht haarzelf in het land van herkomst te handhaven. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eventueel vanuit Nederland aan eiseres financieel en/of materieel ondersteuning in de kosten van levensonderhoud kan worden geboden in afwachting van een door eiseres in te dienen aanvraag voor een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Daarnaast is niet gebleken van objectieve belemmeringen voor eiseres om haar gezinsleven in Vietnam uit te oefenen.
Dat eiseres zou hebben voldaan aan het beleid, neergelegd in paragraaf B8/6 Vc, valt buiten de beoordeling van de onderhavige aanvraag.

13.2

Nu eiseres meerderjarig is, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen haar en haar pleegouders, tenzij is aangetoond dat sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid (vgl. onder meer de arresten van het EHRM van 10 april 2012, Balogun tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 60286/09 en van 12 januari 2010, Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 47486/06, www.hudoc.echr.coe.int). Eiseres heeft niet het standpunt van verweerder weersproken dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en haar pleegouders. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een familieleven dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM. Voor zover eiseres tevens heeft bedoeld te betogen dat verweerder haar band met haar pleegouders had dienen mee te wegen in het kader van haar beroep op haar privéleven zoals ook beschermd door artikel 8 EVRM, verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen onder 11.3, waaruit volgt dat verweerder aan de door eiseres in Nederland opgebouwde banden tijdens haar illegale verblijf in zijn belangenafweging geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen.

13.3

Voorts blijkt uit het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, zoals opgenomen onder 13.1, dat hij ook alle overige door eiseres aangevoerde omstandigheden in zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM heeft betrokken. Zo heeft verweerder, anders dan eiseres heeft gesteld, ten aanzien van de door haar te verwachten problemen bij terugkeer naar Vietnam niet uitsluitend verwezen naar de mogelijkheid om een verblijfvergunning asiel aan te vragen, maar heeft verweerder de door eiseres gestelde omstandigheden en haar verwijzing naar het rapport van de U.S. State Department tevens betrokken in zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in dat verband ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mensenrechtenschendingen en de discriminatie van vrouwen in Vietnam die in voornoemd rapport worden beschreven, ook eiseres en haar zoon zullen overkomen. Uit voornoemd rapport blijkt immers niet dat iedereen in Vietnam het reële risico loopt op schending van zijn mensenrechten of dat alle vrouwen het reële risico lopen op discriminatie en een ernstige beperking van hun bestaansmogelijkheden.

Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de weigering van de verblijfsvergunning op die gronden geen schending van artikel 8 EVRM oplevert.

11.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) die de kinderen expliciet het recht geeft op regelmatige persoonlijke contacten met beide ouders.

11.1

De rechtbank is van oordeel dat artikel 24 van het Handvest in deze zaak niet van toepassing is omdat het bestreden besluit geen uitvoering van het recht van de Europese Unie (hierna: het EU-recht) betreft. Het enkele feit dat het gevolg van de afwijzing van de aanvraag is dat het tevens een terugkeerbesluit is, maakt niet dat de afwijzing van de aanvraag is gedaan met toepassing van het EU-recht. Deze beroepsgrond faalt.

12.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7, eerste lid en artikel 9, eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) die kinderen expliciet het recht geeft om niet van hun ouders te worden gescheiden.

12.1

Nog daargelaten de vraag of deze bepalingen rechtstreekse werking hebben, volgt uit de voorgaande overwegingen, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 10.2, dat er geen sprake is van een situatie dat eiser gescheiden zal worden van zijn ouders nu niet aannemelijk is geworden dat het gezinsleven zoals nu wordt uitgeoefend niet kan worden voortgezet in Vietnam. Ook deze beroepsgrond faalt.

13.

Eiseres voert aan dat verweerder de belangen van eiser onvoldoende heeft meegewogen bij het bestreden besluit. Dat is niet alleen in strijd met artikel 3 IVRK maar ook met artikel 8 EVRM.

13.1

De beroepsgrond dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3 van het IVRK faalt. Deze verdragsbepaling bevat, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving. De rechtbank verwijst in dat kader mede naar de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA3394). Daarbij stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat verweerder de belangen van eiser heeft betrokken in het bestreden besluit, namelijk in het kader van artikel 8 van het EVRM. Gelet op de voorgaande overwegingen en de hierna te volgen overwegingen in het kader van artikel 8 EVRM is er geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangen van eiser onvoldoende heeft meegewogen bij het bestreden besluit. Deze beroepsgrond faalt.

15.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres ongegrond is.

16.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres (AWB 13/2907)

17.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

18.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

19.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiser (AWB 13/2908) niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiseres (AWB 13/32905) ongegrond;

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.