Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
AWB 14-10863 en 14-10877
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2530, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardon; gegrond beroep ten aanzien van artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet voldoet aan de Kinderpardonregeling, nu zij niet voldoet aan het daarin gestelde vereiste dat zij op de startdatum van de peilperiode jonger dan 21 jaar was. Dit betekent dat eiseres niet onder het bereik van de Kinderpardonregeling valt. Aan de bespreking aangaande het onderscheid dat de Kinderpardonregeling maakt tussen aanvragers die in het verleden zonder succes een asielprocedure hebben doorlopen enerzijds en personen die dat niet hebben gedaan anderzijds, komt de rechtbank daarom niet toe. Wat betreft artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich met de huidige motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van eiseres uitzetting daarmee niet in strijd is. Het beroep is daarom gegrond en verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/10863 (beroep)

AWB 14/10877 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 13 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [geboortedag] 1991, van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster, (eiseres)

(gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer)

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 22 mei 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 april 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 5 mei 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

Niet in geschil is dat eiseres op 7-jarige leeftijd Nederland is ingereisd. Zij heeft sindsdien verbleven bij en is opgevoed door haar grootmoeder. De grootmoeder heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft geen contact meer met haar vader en moeder. Evenmin heeft eiseres nog contact met overige in Ghana verblijvende familieleden. Eiseres heeft in het verleden zonder succes een aanvraag voor verblijf bij haar grootmoeder ingediend, welke procedure is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 november 2012 (201111793/1/V1).

2.1

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.2

In artikel 17, eerste lid van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 worden verschillende categorieën vreemdelingen opgesomd die vrijgesteld zijn van de verplichting over een (geldige) mvv te beschikken. Verder kan verweerder op grond van het derde lid van artikel 3.71 van het Vb 2000 toepassing van het eerste lid daarvan achterwege laten voor zover toepassing daarvan naar het oordeel van verweerder zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

2.3

Op grond van paragraaf B22/3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, zoals deze paragraaf luidde ten tijde van de aanvraag, verleent verweerder op grond van de ‘Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (de Kinderpardonregeling), voor zover hier van belang, een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

  1. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;

  2. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

  3. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de overheid; én

  4. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

Voorts is in deze paragraaf bepaald dat de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling wordt aangemerkt als bijzondere groep aan wie vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend in het kader van de hardheidsclausule. Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv.

2.4

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2.5

Op grond van artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Op grond van het tweede lid mag niemand worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op, met name, een van de in het eerste lid vermelde gronden.

3.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet voldoet aan de hierboven onder a en b genoemde vereisten van de Kinderpardonregeling.

4.1

Eiseres heeft aangevoerd dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Voorts is het onderscheid volgens eiseres in strijd met het verbod op willekeur als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat eiseres niet voldoet aan het hierboven onder a genoemde vereiste mag haar dan ook niet worden tegengeworpen, aldus eiseres.

4.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Kinderpardonregeling beoogt een oplossing te bieden voor minderjarige vreemdelingen. Voor meerderjarige vreemdelingen geldt een andere verantwoordelijkheid dan voor minderjarige vreemdelingen. Ook artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind ziet niet op hen die de meerderjarige leeftijd hebben bereikt. Verweerder is dan ook van mening dat het onderscheid naar leeftijd in de Kinderpardonregeling is gerechtvaardigd en dat eiseres terecht is tegengeworpen dat zij niet voldoet aan het hierboven onder a genoemde vereiste.

4.3

Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 5 juni 2014 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:NL:RBDHA:2014:7404), is van een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd in de Kinderpardonregeling geen sprake. Evenmin kan het stellen van leeftijdsgrenzen in het algemeen, gelet op het voorgaande, als willekeurig of kennelijk onredelijk worden aangemerkt.

4.4

Nu eiseres niet voldoet aan het hierboven onder a genoemde vereiste, staat vast dat zij niet onder de Kinderpardonregeling valt. Reeds hierom behoeft de door eiseres aangevoerde beroepsgrond aangaande het onderscheid dat de Kinderpardonregeling maakt tussen aanvragers die in het verleden zonder succes een asielprocedure hebben doorlopen enerzijds en personen die dat niet hebben gedaan anderzijds, geen bespreking meer.

5.1

Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken.

5.2

De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft onderbouwd op grond van welke bijzondere omstandigheden verweerder van zijn beleid had moeten afwijken. Reeds hierom faalt deze beroepsgrond.

6.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid, als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. Onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van 5 juni 2014 is de rechtbank van oordeel dat verweerder ervoor heeft mogen kiezen om pas na een daartoe strekkende aanvraag te bezien of aanleiding bestaat om artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 toe te passen. Dat verweerder in sommige gevallen wel direct ambtshalve gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid doet daaraan niet af, nu niet gebleken is dat sprake is van gelijke gevallen. Ook deze beroepsgrond faalt.

7.

Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op het door artikel 8 van het EVRM beschermde familie- en privéleven. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat een volle toets aan artikel 8 van het EVRM is gemaakt. De rechtbank begrijpt hieruit dat verweerder, indien uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM, aan haar een verblijfsvergunning op grond van dit artikel zal verlenen.

8.1

Bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven moet een 'fair balance' worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Dit volgt uit de jurisprudentie van het Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09.

8.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Er is geen sprake van beschermenswaardig gezinsleven tussen eiseres en haar grootmoeder omdat eiseres meerderjarig is en geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen hen beiden. Met betrekking tot het privéleven heeft verweerder de volgende omstandigheden meegewogen. Verweerder erkent dat eiseres in Nederland geworteld is geraakt en tussen 1998 en 2012 een sterke band heeft opgebouwd met Nederland, maar vindt dat als zodanig geen bijzondere omstandigheid. De omstandigheid dat eiseres al die jaren geen rechtmatig verblijf heeft gehad is volgens verweerder, onder verwijzing naar voornoemd arrest Butt, geen doorslaggevend element. Eiseres was immers minderjarig en de wetenschap hieromtrent bij haar grootmoeder wordt haar niet tegengeworpen, omdat het verblijfsrecht van de grootmoeder niet afhankelijk is van dat van eiseres. Verweerder rekent eiseres echter wel aan dat eiseres na afwijzing van haar eerdere verblijfsaanvraag niettemin heeft besloten haar verblijf in Nederland voort te zetten en de banden verder te intensiveren zonder geldige verblijfsvergunning. Eiseres was toen immers meerderjarig. Voorts heeft verweerder van belang geacht dat hem niet gebleken is van een objectieve belemmering voor eiseres om terug te keren naar Ghana en om daar haar leven op te bouwen.

8.3

Eiseres heeft aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de uitspraak inzake Butt vrij snel na de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2012 in de vorige procedure is gedaan. Ook de aankondiging van de Kinderpardonregeling volgde kort na de uitspraak van de Afdeling. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat de aankondiging van de Kinderpardonregeling in feite de reden was dat zij Nederland niet heeft verlaten. Verder heeft eiseres nogmaals gewezen op het bestaan van haar sociale netwerk in Nederland, haar beheersing van de Nederlandse taal, de bijzondere band die zij heeft met haar grootmoeder en de omstandigheid dat zij hier haar hele schoolcarrière heeft doorlopen.

8.4

De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder zich met de huidige motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van eiseres uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder werpt eiseres niet tegen dat zij hier vanaf haar aankomst in Nederland op 7-jarige leeftijd tot aan het bereiken van de meerderjarigheid illegaal heeft verbleven. Verweerder erkent zelfs dat zij gedurende dat illegaal verblijf in Nederland is geworteld. Naar het oordeel van de rechtbank valt tegen die achtergrond niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat eiseres na de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2012 haar illegaal verblijf heeft voortgezet, afdoet aan de voordien reeds opgebouwde banden met Nederland. Gelet op de jeugdige leeftijd waarop eiseres naar Nederland is gekomen en haar verblijfsduur sindsdien, alsmede de omstandigheid dat zij haar gehele schoolopleiding in Nederland heeft gevolgd moeten die banden met Nederland bovendien zeer sterk worden geacht. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte niet in zijn belangenafweging betrokken dat eiseres sinds haar vertrek uit Ghana nimmer naar Ghana is teruggekeerd en dat zij geen contact meer heeft met aldaar wonende familieleden. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:796).

8.5

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen grond voor finale geschilbeslechting, gezien de door verweerder nieuw te maken belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9.

De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op dat beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1).

Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener van eiseres.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/10863

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/10877,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 330,-- (zegge: driehonderddertig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,-- (zegge: duizendvierhonderdenéénenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. Leenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: GL

Coll.: EK

D: B

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.