Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10175

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
AWB 14/1709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen herhaalde aanvraag. Ten tijde van de indiening van de eerste aanvraag was eiser vertegenwoordigd door zijn ouders. De door eiser aangevoerde vrees ten aanzien van de dienstweigering geldt als een asielmotief dat bij uitstek op de eigen persoon van eiser betrekking heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, bij terugkeer naar Algerije, daadwerkelijk zijn militaire dienstplicht zal moeten vervullen. Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat slechts een gering percentage van de dienstplichtige bevolking in Algerije uiteindelijk de militaire dienstplicht vervult. De door eiser aangehaalde omstandigheden kunnen niet zonder meer leiden tot de conclusie dat eiser na terugkeer daadwerkelijk zal worden opgeroepen.

Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen het vervullen van dienstplicht heeft vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging. De bezwaren van eiser zijn blijkens zijn eigen verklaringen slechts gebaseerd op de wijze waarop hij in Europa heeft gezien wat er in de wereld gebeurt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/1709

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 mei 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedag] 1992, van Algerijnse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. S. Sewnath),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 6 december 2012 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen. Eiser heeft op 21 januari 2014 beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1. De rechtbank stelt vast dat namens eiser eerder, op 27 juli 2007, door zijn ouders een asielaanvraag is ingediend. Aan deze aanvraag is een relaas ten grondslag gelegd dat geheel is gebaseerd op de ouders van eiser. Deze aanvraag is afgewezen en het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 18 december 2008 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (AWB 08/10627 en AWB 08/10630), ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben eisers hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 20 mei 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard (200900352/1/V3).

1.2. Op 6 december 2012 heeft eiser onderhavige – opvolgende – asielaanvraag ingediend. Daarbij heeft eiser naar voren gebracht dat hij bij terugkeer naar Algerije zijn militaire dienstplicht zal moeten vervullen, waartegen hij gewetensbezwaren heeft. Deze aanvraag is eerst bij besluit van 14 december 2012 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 23 januari 2013 (AWB 12/39323) gegrond verklaard. De rechtbank heeft het volgende aan haar beoordeling ten grondslag gelegd. Uit een uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2003 (200301315/1) volgt dat de op eigen naam ingediende aanvraag van een kind, dat ten tijde van de indiening van de eerste aanvraag werd vertegenwoordigd door een familielid, geen herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 4:6 van de Awb, indien het kind bij die gelegenheid voor het eerst een grond naar voren heeft kunnen brengen, die bij uitstek op de eigen persoon betrekking heeft en voorts zodanig specifiek is en op zichzelf staat, dat die niet begrepen is in hetgeen het familielid bij de eerste aanvraag naar voren heeft gebracht. Ten tijde van de indiening van de eerste aanvraag was eiser vertegenwoordigd door zijn ouders en zag zijn asielverzoek uitsluitend op de asielmotieven van zijn ouders. De door eiser aangevoerde vrees ten aanzien van de dienstweigering geldt als een asielmotief dat bij uitstek op de eigen persoon van eiser betrekking heeft en in de eerdere besluitvorming niet inhoudelijk is dan wel had kunnen worden beoordeeld. De aanvraag kan derhalve niet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft het besluit vernietigd en aan verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak is, voor zover deze betrekking heeft op eiser, geen hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 20 september 2013 heeft verweerder de aanvraag wederom afgewezen. Dit besluit is op 9 december 2013 ingetrokken. Bij het bestreden besluit is de aanvraag van eiser alsnog afgewezen.

2.

Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hem, toen hij op enig moment een laissez-passer moest regelen bij de Algerijnse vertegenwoordiging in Nederland, mondeling is medegedeeld dat hij nog zijn militaire dienstplicht in Algerije moet vervullen. Volgens eiser valt hieraan niet te ontkomen. Hij valt immers niet onder enige amnestieregeling in Algerije. Bovendien is hij een afgewezen asielzoeker uit Europa en heeft zijn grootvader in het Franse leger gediend. Zijn gewetensbezwaren zijn gebaseerd op de wijze waarop hij in Europa heeft gezien wat er in de wereld gebeurt. Hij is principieel tegen wapens en het strijden tegen andere mensen en hij is het niet eens met alles wat met oorlog en dood te maken heeft.

3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, bij terugkeer naar Algerije, daadwerkelijk zijn militaire dienstplicht zal moeten vervullen. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen het vervullen van dienstplicht heeft vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

3.2.

Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat slechts een gering percentage van de dienstplichtige bevolking in Algerije uiteindelijk de militaire dienstplicht vervult. Dit betekent dat de enkele omstandigheid dat thans sprake is van een militaire dienstplicht in Algerije nog niet met zich meebrengt dat eiser persoonlijk bij terugkeer naar Algerije daadwerkelijk zijn dienstplicht zal moeten vervullen. Ook blijkt uit deze informatie niet dat juist terugkerende asielzoekers vallen onder het betrekkelijk kleine gedeelte van de dienstplichtige bevolking dat daadwerkelijk in het Algerijnse leger wordt opgenomen. Met betrekking tot de omstandigheid dat eisers grootvader in het Franse leger heeft gediend, acht de rechtbank van belang dat eiser in het gehoor heeft verklaard dat ook zijn vader zijn dienstplicht niet heeft vervuld. Ook deze omstandigheid kan dus niet zonder meer leiden tot de conclusie dat eiser na terugkeer daadwerkelijk zal worden opgeroepen. De door eiser genoemde mondelinge mededeling op de Algerijnse vertegenwoordiging acht de rechtbank onvoldoende specifiek. Deze mededeling doet dan ook niet aan bovenstaand oordeel af.

3.3.

Voor zover desondanks zou worden aangenomen dat eiser na terugkeer naar Algerije daadwerkelijk zou worden opgeroepen om zijn dienstplicht te vervullen, overweegt de rechtbank voorts als volgt. Een vreemdeling kan in het geval van dienstweigering als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt als hij tegen het vervullen van de dienstplicht ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging. Een vreemdeling moet in dat verband kunnen aangeven op welke (geloofs)overtuiging zijn dienstweigering is gebaseerd en waarom deze (geloofs)overtuiging de dienstweigering voorschrijft. Aangezien de bezwaren van eiser blijkens zijn eigen verklaringen niet voortkomen uit enige godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, maar slechts zijn gebaseerd op de wijze waarop hij in Europa heeft gezien wat er in de wereld gebeurt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aan deze voorwaarden heeft voldaan. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiser op het arrest Bayatyan tegen Armenië van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juli 2011 (nr. 23459/03) niet slaagt. Deze zaak betrof een persoon die op grond van zijn godsdienstige overtuiging als Jevoha’s getuige weigerde om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Daarmee is de situatie in dit arrest niet vergelijkbaar is met die van eiser.

4.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. de Jager, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2014.

griffier

rechter

de griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: SdJ

Coll.: EM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.