Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10172

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
AWB-14_2573
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verzocht haar asielverzoek in Nederland te behandelen, omdat haar gestelde echtgenoot hier verblijft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Spaanse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het asielverzoek van eiseres en dat artikel 7 van de Dublinverordening niet op eiseres van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt berust op een ondeugdelijke motivering en verweerder nader onderzoek had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 7 van de Dublinverordening niet van toepassing is omdat de gestelde echtgenoot van eiseres is genaturaliseerd. Hij is als vluchteling toegelaten tot Nederland en voldoet daarmee aan de voorwaarde gesteld in artikel 7 van de Dublinverordening. Verder acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht over de vraag of de gestelde echtgenoot kan worden aangemerkt als een gezinslid van eiseres als bedoeld in artikel 7 in samenhang met artikel 2, aanhef en onder i, aanhef en sub i, van de Dublinverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/2573 (beroep) en AWB 14/2575 (voorlopige voorziening)

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 17 april 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedag] 1989, van Iraakse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 28 oktober 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 31 januari 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen een tolk, de heer J.A. Malti. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft zich op 3 september 2013 gemeld in AC Ter Apel. Ze heeft daar op 28 oktober 2013 een asielverzoek ingediend. Uit nader onderzoek is gebleken dat de Spaanse autoriteiten een Schengenvisum aan eiseres hebben verleend geldig van 1 augustus 2013 tot en met 4 september 2013, waarmee zij het Schengengebied is ingereisd. Eiseres heeft dit erkend. Zij heeft verzocht haar asielverzoek in Nederland te behandelen, omdat haar gestelde echtgenoot (hierna: [naam 2]) hier verblijft. Verweerder heeft op 11 november 2013 een verzoek bij de Spaanse autoriteiten ingediend tot overname van de behandeling van het asielverzoek van eiseres. De Spaanse autoriteiten hebben dit verzoek op 8 januari 2014 ingewilligd.

2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Spaanse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. Verweerder stelt dat er geen sprake is van gezinsleden in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, van de Verordening 343/2003 van het Europees parlement en de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublinverordening II). Eiseres heeft het huwelijk met [naam 2] niet aannemelijk gemaakt. De overgelegde huwelijksakte is door de KMar onderzocht. Hieruit is gebleken dat deze huwelijksakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet op deze wijze door de bevoegde autoriteiten is opgemaakt en afgegeven. Het gestelde huwelijk is daarom niet aangetoond. Met de verklaring van [naam 3], priester van de [naam 4] kerk, wordt het huwelijk niet aannemelijk gemaakt. De opsteller ervan verwijst nu juist naar de huwelijksakte. Met het overleggen van foto’s is het huwelijk evenmin aannemelijk gemaakt. Ook is er nooit een reguliere verblijfsaanvraag ingediend, waaruit de wens de gestelde echtgenote te laten overkomen blijkt. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat indien wel sprake zou zijn van een geloofwaardig huwelijk, artikel 7 van de Dublinverordening II niet van toepassing is aangezien [naam 2] de Nederlandse nationaliteit bezit. Een beroep op artikel 7 van de Dublinverordening II is daarom niet aan de orde. Verweerder stelt dat bovendien geen sprake is van een bestendig gezinsleven in het land van herkomst. [naam 2] woont al sinds 1998 in Nederland, niet is gebleken dat eiseres en hij in Irak hebben samengewoond. [naam 2] is slechts enkele keren in Irak geweest, laatstelijk voor het gestelde huwelijk. Verweerder stelt dat verder niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan de Spaanse autoriteiten van een onevenredige hardheid getuigt. Ook is niet gebleken van een bijzonder samenstel van factoren dat maakt dat de behandeling van het asielverzoek in Nederland in de rede ligt zoals bedoeld in artikel 15 van de Dublinverordening II.

3.

Eiseres voert aan dat Dublinverordening II van toepassing is op onderhavige zaak, maar vooruit dient te worden gelopen op Dublinverordening III (verordening van 26 juni 2013, nr. 604/2013). Verder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte stelt dat artikel 7 van de Dublinverordening niet van toepassing is op onderhavige situatie. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de volgende omstandigheden. Binnen de geloofscultuur in Irak is er eerst een kerkelijk huwelijk. Dit wordt alleen voltrokken als de kerk zijn goedkeuring geeft. Hiertoe heeft de orthodoxe kerk in Nederland bemiddeld en een ‘certificate of marital status’ afgegeven. [naam 2] moest voorafgaand aan het huwelijk een vruchtbaarheidsonderzoek overleggen. Hij is druk doende via officiële instanties in Irak een verklaring te verkrijgen over de overgelegde huwelijksakte. Eiseres is niet in de gelegenheid gesteld de gezinsband aannemelijk te maken. Eiseres stelt dat zij, gelet op het standpunt van verweerder, in een slechtere positie verkeert - nu [naam 2] is genaturaliseerd - dan wanneer hij nog steeds een A-status als vluchteling zou hebben. Er bestaat geen duidelijke beleidsregel hierover. Verweerder heeft dit onvoldoende gemotiveerd. Verder stelt eiseres dat tussen haar en [naam 2] wel een gezinsband bestond in het land van herkomst. Zij heeft tijdens de gehoren verklaard dat zij haar man/verloofde ontmoette als hij in haar land van herkomst was. Het is daar niet toegestaan voorafgaand aan het huwelijk samen te wonen. Verweerder had hierover dienen te horen. Dit is niet gebeurd, het besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en verweerder heeft aldus niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Ten slotte wijst eiseres erop dat Nederland de behandeling van het asielverzoek om humanitaire redenen aan zich kan trekken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet is gebeurd.

4.

Bij brief van 24 maart 2014 heeft eiseres de rechtbank bericht dat zij de beschikking heeft over de huwelijksakte. Een kopie en een afschrift van de vertaling van het stuk heeft zij toegezonden. Verweerder heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, indien de rechtbank het noodzakelijk acht dat de overgelegde huwelijksakte wordt onderzocht.

5.

De rechtbank overweegt allereerst dat Dublinverordening II (343/2003) (hierna: de Dublinverordening) van toepassing is en niet Dublinverordening III (604/2013), nu deze laatste verordening van toepassing is op aanvragen welke zijn ingediend op of na 1 januari 2014 en eiseres haar asielaanvraag op 28 oktober 2013 heeft ingediend.

6.1

Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 7 en 15 van de Dublinverordening. De rechtbank zal eerst ingaan op het beroep van eiseres op artikel 7 van de Dublinverordening II.

6.2

In artikel 7 van de Dublinverordening is bepaald dat wanneer een gezinslid van de asielzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als vluchteling is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, mits de betrokkenen dat wensen.

6.3

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij het standpunt dat niet is gebleken dat [naam 2] wenst dat het asielverzoek van eiseres in Nederland behandeld wordt, niet handhaaft. De rechtbank stelt vast dat dit punt daarom niet langer in geschil is.

6.4

Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 7 van de Dublinverordening niet van toepassing is nu [naam 2] geen vluchteling is, maar is genaturaliseerd tot Nederlander. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het in het kader van artikel 7 van de Dublinverordening dient te gaan om een gezinslid die op het moment van aankomst van de asielzoeker een asielaanvraag (als vluchteling) heeft ingediend of in het bezit is van een verblijfsvergunning als vluchteling. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, nu in artikel 7 van de Dublinverordening is bepaald dat het dient te gaan om een gezinslid dat “als vluchteling is toegelaten”. Daaraan is niet als voorwaarde toegevoegd dat het gezinslid ten tijde van de aanvraag van de asielzoeker nog steeds de vluchtelingstatus heeft en geen naturalisatie heeft plaatsgevonden. Verweerders stelling dat uit de preambule van de Dublinverordening volgt dat deze is opgesteld zodat asielverzoeken van gezinsleden gezamenlijk kunnen worden behandeld, volgt de rechtbank, echter zij overweegt dat dit niet kan afdoen aan de letterlijke bewoordingen van artikel 7 van de Dublinverordening. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat verweerder ter zitting - zakelijk weergegeven - heeft gesteld dat wanneer [naam 2] nog steeds de vluchtelingstatus zou hebben gehad, hij wel aan onderhavige voorwaarde zou hebben voldaan, ongeacht het tijdsverloop sinds de verlening van zijn asielvergunning. De rechtbank ziet hierin een inconsequentie in verweerders standpunt. De rechtbank overweegt dat [naam 2] op 23 december 1998 asiel heeft aangevraagd in Nederland. Aan hem is op 25 januari 2001 een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 verleend. [naam 2] is dus als vluchteling toegelaten tot Nederland en voldoet daarmee aan onderhavige voorwaarde van artikel 7 van de Dublinverordening. Dat hij bij besluit van 26 oktober 2006 is genaturaliseerd, doet hieraan, gelet op het voorgaande, niet af.

7.1

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake is geweest van een bestendig gezinsleven in het land van herkomst. Met artikel 7 van de Verordening zou volgens verweerder alleen gezinshereniging en niet gezinsvorming zijn beoogd. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, nu in artikel 7 van de Dublinverordening expliciet is bepaald dat het dient te gaan om een gezinslid van de asielzoeker, “ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd”.

7.2

Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat geen sprake is van een gezinslid als bedoeld in de Verordening, omdat eiseres het gestelde huwelijk niet heeft aangetoond.

7.3

Uit artikel 2, aanhef en onder i, aanhef en sub i, van de Dublinverordening volgt - voor zover hier van belang - dat voor de toepassing van de verordening onder gezinslid wordt verstaan de echtgenoot van de asielzoeker of de ongehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld in het kader van het vreemdelingenrecht, die op het grondgebied van de lidstaat aanwezig zijn.

7.4

De rechtbank overweegt dat uit deze bepaling volgt dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezinslid niet alleen beoordeeld dient te worden of sprake is van een huwelijk, maar dat, als van een huwelijk geen sprake is, beoordeeld dient te worden of sprake is van een duurzame relatie. Gelet op de stellingen van eiseres over de contacten die zij met [naam 2] had toen zij nog in Irak verbleef en over het in Nederland met hem samenwonen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit ten onrechte niet heeft onderzocht. In dit verband merkt de rechtbank op dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat eiseres en [naam 2] partners zijn en dat eiseres in Nederland bij [naam 2] verblijft, alsmede dat hij vaak naar Irak is gegaan.

8.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond, nu het berust op een ondeugdelijke motivering en verweerder niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 7:12 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de overige beroepsgronden van eiseres.

9.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Zij ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat zij zich onvoldoende voorgelicht acht over de vraag of [naam 2] kan worden aangemerkt als een gezinslid van eiseres als bedoeld in artikel 7 in samenhang met artikel 2, aanhef en onder i, aanhef en sub i, van de Dublinverordening, nu, gelet op de door eiseres op 24 maart 2014 aan de rechtbank toegezonden kopie en vertaling van een huwelijksakte, nader onderzocht dient te worden of eiseres met [naam 2] is gehuwd, dan wel of zij een duurzame relatie met [naam 2] onderhoudt. Verweerder dient hier verder onderzoek naar te doen en een nieuwe beslissing op de aanvraag van eiseres te nemen.

10.

Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

11.

De gevraagde voorziening strekt er toe de behandeling van het beroep in Nederland in de opvang te kunnen afwachten. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

12.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/2573,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/2575,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-- (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Jong, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MdJ

Coll.: LFF

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.